Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8363

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2005
Datum publicatie
28-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/660
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Registratie

beëindiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/660 13 juni 2005

3111 Registratie

beëindiging

Uitspraak in de zaak van:

Gebr. A B.V., gevestigd te X, appellante,

tegen

het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Westenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 5 augustus 2004 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 2 juli 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen een besluit van 10 maart 2004, waarbij verweerder heeft geweigerd tot uitschrijving van appellante uit het register van ondernemingen over te gaan, ongegrond verklaard.

Op 3 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2005, waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van appellante was daarbij aanwezig haar directeur B, alsmede J.P. Remmelzwaal, beleidssecretaris bij de Koninklijke Metaalunie, die het woord voerde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (Stb. 2002, 394; hierna: Instellingsbesluit HAO) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2

1. Er is een hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud.

2. Het hoofdbedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin wordt uitgeoefend:

(…)

b. het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedrijf.

(…)

Artikel 7

Het hoofdbedrijfschap is bevoegd tot de regeling of nadere regeling van de in artikel 93, tweede lid, van de wet vermelde onderwerpen of onderdelen daarvan met uitzondering van:

b. de voortbrenging, de afzet, de verdeling en de aanwending van goederen, waaronder mede begrepen de opslag en de be- en verwerking van goederen, en het verlenen van diensten."

In de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit HAO is onder meer het volgende opgenomen:

"Onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf wordt verstaan het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van de bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen."

In de Verordening Registratie en inzage van boeken en bescheiden Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (PBO-Blad 2003, nr. 37; hierna: Registratieverordening) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. Het hoofdbedrijfschap: het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud;

b. De onderneming: de onderneming waarvoor het hoofdbedrijfschap is ingesteld;

c. De ondernemer: degene die een onderneming drijft dan wel degenen die gezamenlijk een onderneming drijven;

(…)

Artikel 2

Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven waarin een in artikel 2 van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud bedoeld bedrijf wordt uitgeoefend.

Artikel 3

1. Er is een register van ondernemingen, waarin gegevens worden opgenomen ten behoeve van de vervulling van de taak van het hoofdbedrijfschap.

(…)

Artikel 6

1. Het hoofdbedrijfschap neemt na ontvangst van het registratieformulier de onderneming op in het register.

2. Indien geen of een onvolledig ingevuld registratieformulier is ingediend, is het hoofdbedrijfschap bevoegd de onderneming ambtshalve te registreren.

(…)

Artikel 12

De Registratieverordening Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf: Afbouwbedrijf en de Registratieverordening Bedrijfschap Schilders- en Afwerkingsbedrijf worden hiermee ingetrokken."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is opgenomen in het register van ondernemingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Registratieverordening.

- Appellante drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met het monteren van plafonds met akoestische voorzieningen. Het onderdeel plafonds en wanden vormt slechts een relatief gering deel van haar totaalactiviteiten.

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Y luidt de bedrijfsomschrijving van appellante als volgt:

"Het fabriceren van- en handelen in thermische en akoustische isolatiematerialen, kunststoffolies en andere bouwmaterialen, alsmede het uitvoeren van bouwkundige werken voor thermische en akoustische isolaties, ovenbouw, ketelbemetseling, dakbedekkingen en bitumineuze bekledingen, metaalbewerking en het leggen van vloeren. (…)"

- Appellante is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Ondernemers in het Thermisch Isolatiebedrijf (VIB) en de overkoepelende Stichting Samenwerkende Metaal en Technische Bedrijfstakken (MTB).

- Bij brief van 16 februari 2004 heeft appellante verweerder verzocht om uitschrijving uit het register dan wel haar ontheffing te verlenen van de registratieplicht.

- Bij besluit van 10 maart 2004 heeft verweerder appellantes verzoek om uitschrijving afgewezen. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat hij ingevolge het Instellingsbesluit HAO de plicht heeft om alle bedrijven die onder zijn werkingssfeer vallen te registreren. Uitsluitend in gevallen waarbij registratie leidt tot een onaanvaardbare situatie mag verweerder hiervan afwijken, maar van een dergelijke situatie is hier, volgens verweerder, geen sprake.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 30 maart 2004 bezwaar gemaakt.

- Op 3 mei 2004 heeft appellante verweerder telefonisch medegedeeld geen gebruik te willen maken van de gelegenheid naar aanleiding van haar bezwaren te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Indien een bedrijf werkzaamheden verricht die vallen onder verweerders werkingssfeer, dient dat bedrijf te worden geregistreerd. De werkingssfeer van verweerder is bepaald in het Instellingsbesluit HAO.

In artikel 2, tweede lid, onder b. van het Instellingsbesluit HAO is bepaald dat verweerder is ingesteld voor de ondernemingen waarin het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf wordt uitgeoefend.

In de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit HAO is beschreven dat onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen, wordt verstaan.

Aangezien de door appellante feitelijk uitgevoerde werkzaamheden het aanbrengen van plafondsystemen ter plaatse van bestemming omvatten en deze onder de omschrijving van het Instellingsbesluit HAO vallen, is appellante registratieplichtig en kan verweerder de registratie van appellante dan ook niet beëindigen of haar ontheffing van de registratieplicht verlenen. Niet gebleken is dat als gevolg van de registratie van appellante een onaanvaardbare situatie is ontstaan.

De omstandigheid dat het aanbrengen van plafondsystemen voor appellante slechts een nevenactiviteit betreft, is niet van belang voor de vraag of appellante onder de werkingssfeer van het Instellingsbesluit HAO valt. Verweerders heffingssystematiek houdt hier rekening mee door de door appellante met andere activiteiten gegenereerde omzet niet met heffing te belasten.

Ook de omstandigheid dat appellante geen profijt zou hebben van haar registratie door verweerder neemt verweerders verplichting tot het registreren van appellante niet weg.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende naar voren gebracht.

Verweerder heeft appellante ten onrechte geregistreerd. De door haar verrichte werkzaamheden als het monteren van akoestische voorzieningen voor plafonds en wanden, welke bovendien slechts een nevenactiviteit vormen, vallen niet onder de werkingssfeer van het Instellingsbesluit HAO.

Appellante houdt zich bezig met zogenaamde 'droge' afbouw, dat wil zeggen dat de vervaardiging en montage van de systeemplafonds en -wanden gescheiden plaatsvinden.

Bij de omzetting van het Bedrijfschap STS naar het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf in 1999 is de werkingssfeer van het schap onder meer uitgebreid met activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, zonder dat het begrip 'afbouw' op behoorlijke wijze is gedefinieerd. Onduidelijk is wat onder dit begrip moet worden verstaan.

In de toelichting bij de Instellingsverordening 1999 is gewezen op uitbreiding van de werkingssfeer met activiteiten in de sfeer van het plaatsen van systeemplafonds en -wanden en dat de opkomst van deze met het generieke begrip 'afbouw' aangeduide werkzaamheden kenmerkend is voor de stukadoorsbedrijfstak.

In de CAO-Afbouw is uitgebreid gedefinieerd wat onder het stukadoors-afbouwbedrijf moet worden verstaan. Appellante valt niet onder de werkingssfeer van deze CAO, maar onder de CAO voor de metaal- en technische bedrijfstakken. Het bevreemdt appellante dat bij de uitbreiding van de werkingssfeer van verweerders schap het plafond- en wandbedrijf niet nauwkeuriger is gedefinieerd. Hoewel de werkingssfeer van een CAO los staat van de werkingssfeer van een schap, kan het in de optiek van appellante niet de bedoeling zijn dat met een bewust gekozen zeer ruime omschrijving van verweerders werkingssfeer hieronder ook bedrijven zoals appellante worden gebracht, die in feite niets te maken hebben met de activiteiten van de leden van de dragende organisatie van verweerder, de NOA.

De ruime uitleg die verweerder aan de omschrijving van zijn werkingssfeer geeft, heeft tot gevolg dat bedrijven, zoals appellante, die niet tot de bouwsector, maar tot andere bedrijfstakken (metaalsector) worden gerekend, gedwongen worden mee te betalen aan activiteiten, waarvan aantoonbaar slechts de tot de bouwsector behorende en in de NOA georganiseerde afbouwbedrijven profijt kunnen hebben. Dit kan niet de bedoeling zijn en appellante kan zich dan ook met deze gang van zaken niet verenigen.

Appellante is van mening dat zij en andere bedrijven die zich bezighouden met het fabriceren en monteren van plafonds en wanden voor speciale doeleinden, waaraan speciale berekeningen op het gebied van akoestiek en isolatie ten grondslag liggen, en die onder een andere bedrijfstak-CAO dan de CAO-Afbouw vallen, geen afbouwwerkzaamheden verrichten waarmee de leden van de NOA zich bezighouden en om die reden niet onder de werkingssfeer van verweerder dienen te vallen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerder terecht uitschrijving van appellante uit het register van ondernemingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Registratieverordening heeft geweigerd.

5.2 Voor uitschrijving bestaat slechts aanleiding, indien degene die het verzoek heeft ingediend aannemelijk maakt dat in zijn onderneming geen bedrijf als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit HAO wordt uitgeoefend. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit HAO wordt onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedrijf verstaan het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is voor het College vast komen te staan dat de werkzaamheden van appellante onder meer, zij het wellicht in beperkte mate, bestaan uit het aanbrengen van plafondsystemen. Verweerder heeft dan ook terecht uitschrijving van appellante uit het register van ondernemingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Registratieverordening geweigerd.

5.3 Het betoog van appellante dat in het Instellingsbesluit HAO het begrip 'afbouw' onduidelijk is gedefinieerd en dat verweerder met het aanmerken van appellante als registratieplichtige onderneming aan het begrip 'afbouw' een te ruime uitleg heeft gegeven, in welk verband appellante heeft verwezen naar de in de CAO-Afbouw opgenomen geconcretiseerde definitie van het stukadoors-afbouwbedrijf, doet aan het vorenstaande niet af.

Dat appellante meent geen voordeel te genieten van de activiteiten van verweerder tast de uit de artikelen 2 en 3 van de Registratieverordening voortvloeiende verplichting haar te registreren niet aan.

Aan deze registratieplicht wordt evenmin afgedaan doordat appellante bij de CAO voor de metaal- en technische bedrijfstakken in plaats van bij de CAO-Afbouw is aangesloten, zij als gevolg van de registratie meer kosten moet maken en haar concurrentiepositie zou verslechteren.

5.4 Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2005.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.S. Hoppener