Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8203

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/756
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet herstructurering varkenshouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/756 21 juni 2005

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C (gemeente D), appellante,

gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, te Tilburg,

tegen

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: B. Raven, werkzaam bij Dienst Regelingen te Assen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 8 september 2004, bij het College binnengekomen op 10 september 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 augustus 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder de door appellante ingediende bezwaarschriften tegen zijn besluiten van 21 mei 2004 tot weigering twee daartoe aangemelde transacties met betrekking tot fokzeugenrechten te registreren, ongegrond verklaard.

Bij brief van 9 december 2004 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 12 januari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 24 mei 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

In de Wet herstructurering varkenshouderij, zoals laatstelijk gewijzigd op 21 april 2004, Stb. 246 (hierna: Whv) is het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(….)

m. concentratiegebied: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage B bij deze wet"

In bijlage B worden de gemeenten opgesomd wier grondgebied binnen onderscheidenljk de concentratiegebieden Oost en Zuid vallen.

"Artikel 17

1. (….)

2. Een varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig van een bedrijf gelegen buiten de concentratiegebieden kan uitsluitend overgaan naar een buiten de concentratiegebieden gelegen bedrijf.

3. (….).

Artikel 18

1. Degene naar wiens bedrijf het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, moet overgaan en degene van wiens bedrijf het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is, geven van de overgang gezamenlijk kennis aan het Bureau Heffingen, (….).

2. Er kan eerst aanspraak worden gemaakt op het van het andere bedrijf afkomstige varkensrecht, of een gedeelte daarvan, vanaf het tijdstip van registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen.

Artikel 19

1. De registratie, bedoeld in artikel 18, vindt niet plaats indien:

(…)

b. niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 17;"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In namens verweerder voor de inwerkingtreding van de Whv aan appellante in verband met haar mestproductierechten gezonden bedrijfsoverzichten werd vermeld dat het bedrijf van appellante buiten de concentratiegebieden lag.

- In het door appellante op 14 oktober 1998 in verband met de inwerkingtreding van de Whv ingediende "Melding varkensrechten" heeft appellante op een daartoe strekkende vraag opgegeven dat haar bedrijf, dat ligt in C, gemeente D, gelegen is binnen het concentratiegebied Zuid.

- In een aantal nadien door verweerder (destijds: Bureau Heffingen) aan appellante gestuurde mededelingen "Overzicht van uw bedrijfssituatie" is deze opgave overgenomen.

- Bij twee op onderscheidenlijk 9 februari en 25 maart 2004 bij verweerder ingediende formulieren "Verplaatsen van pluimveerechten, mestproductierechten en/of varkensrechten" hebben appellante als vervreemder en de verwervers de overdracht gemeld van 354 verhandelbare fokzeugenrechten aan E te F en van 57 niet-verhandelbare niet-fokzeugenrechten aan Landbouwbedrijf G BV te H, gemeente I.

- Bij twee afzonderlijke besluiten van 21 mei 2004 heeft verweerder appellante meegedeeld dat registratie van de gemelde transacties niet kon plaatsvinden omdat een verplaatsing van buiten naar binnen een concentratiegebied niet is toegestaan.

- Appellante heeft op 11 juni 2004 tegen voormelde besluiten bezwaar gemaakt. Zij heeft haar bezwaren op 28 juni 2004 aangevuld.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - onder meer - als volgt overwogen.

De gegevens op de sedert de inwerkingtreding van de Whv verstrekte overzichten van de bedrijfssituatie van appellante, met inbegrip van de ligging van het bedrijf, vloeien rechtstreeks voort uit de gegevens die appellante zelf heeft ingevuld op het formulier "Melding varkensrechten". Daaraan kunnen geen rechten worden ontleend.

Artikel 17, tweede lid, van de Whv staat aan registratie van de gemelde transacties in de weg, nu daarin is bepaald dat varkensrechten afkomstig van een bedrijf buiten de concentratiegebieden uitsluitend kunnen overgaan naar een in hetzelfde gebied gelegen bedrijf.

Verweerder wijst voorts iedere aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden terzake van mogelijk uit de bestreden besluiten voortvloeiende financiële gevolgen af.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Zij heeft de varkenshouderij beëindigd en haar varkensrechten verkocht. De betreffende verkooptransacties zijn door tussenkomst van een makelaar tot stand gekomen. Verweerder heeft niet kunnen weigeren deze transacties te registreren vanwege de ligging van haar bedrijf buiten het concentratiegebied. Immers, in een onder verantwoordelijkheid van verweerder aan appellante gezonden "Overzicht Bedrijfssituatie" is aangegeven dat appellantes bedrijf gelegen is in het concentratiegebied Zuid. De ligging van het bedrijf in concentratiegebied Zuid is desgevraagd nog aan de makelaar bevestigd.

Appellante stelt schade te hebben geleden door het bestreden besluit, waarin verweerder ineens een volledig ander standpunt inneemt dan voorheen. Zij is van mening dat justitiabelen moeten kunnen vertrouwen op wat het bevoegd gezag officiëel registreert, zeker wanneer dat desgevraagd nog eens uitdrukkelijk wordt bevestigd.

De gevolgen van het bestreden besluit kunnen in de gegeven omstandigheden niet volledig op appellante worden afgewenteld. Zij heeft schade geleden omdat de aanvankelijke opbrengst van de verkochte varkensrechten als gevolg van door verweerder gemaakte fouten omgeslagen is in een schadepost. Appellante houdt verweerder voor deze schade aansprakelijk.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat de gemeente D waarin het bedrijf van appellante gelegen is, niet voorkomt op Bijlage B, behorend bij de Whv en derhalve niet in een concentratiegebied is gelegen. De gemeenten F en I, waarin de bedrijven van de beide kopers van appellantes fokzeugenrechten zijn gevestigd, zijn blijkens deze bijlage gelegen in het concentratiegebied Zuid. Het gaat derhalve om twee transacties, waarbij varkensrechten, afkomstig van het buiten de concentratiegebieden gelegen bedrijf van appellante overgaan naar bedrijven van kopers gelegen in het concentratiegebied Zuid. Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, juncto artikel 17, tweede lid, Whv staat aan de registratie van dergelijke transacties in de weg. Artikel 17, tweede lid, Whv voorziet uitsluitend in de mogelijkheid dat een varkensrecht afkomstig van een bedrijf gelegen buiten een concentratiegebied overgaat naar een eveneens buiten een concentratiegebied gelegen bedrijf. Verweerder was derhalve in verband met het bepaalde bij artikel 19, eerste lid, aanhef en sub b, Whv, gehouden de registratie van de onderhavige transacties te weigeren.

5.2 Voorzover appellante heeft willen betogen dat verweerder met toepassing van het vertrouwensbeginsel contra legem tot registratie van meergenoemde transacties had moeten overgaan, faalt dit reeds omdat zij het misverstand omtrent de ligging van haar bedrijf zelf in het leven heeft geroepen door de wijze waarop zij het formulier "Melding varkensrechten" heeft ingevuld. Aan de omstandigheid dat verweerder deze onjuiste opgave van appellante in een aantal daarna aan haar toegestuurde "Overzichten Bedrijfssituatie" heeft overgenomen, komt niet de betekenis toe die appellante daaraan gehecht wil zien. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat in de in de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Whv aan appellante toegestuurde overzichten de ligging van haar bedrijf buiten de concentratiegebieden steeds op juiste wijze aangegeven is geweest. Voorts stelt het College vast dat appellante haar stelling dat de makelaar, die bij de transacties met betrekking tot de fokzeugenrechten betrokken is geweest, van de zijde van verweerder onjuiste informatie heeft ontvangen, op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.

5.3 Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Reeds om die reden is voor toekenning van schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 Awb geen plaats.

Het College acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining