Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT7339

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
14-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/808
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/808 1 juni 2005

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: drs. B.M. Vogt, werkzaam bij de Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 30 september 2004, bij het College binnengekomen op 1 oktober 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 september 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering de aanvraag van appellante om subsidie in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 2003 (hierna: de Regeling) in behandeling te nemen.

Bij brief van 10 december 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 20 april 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen, appellante bij monde van A en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 24 april 2003 heeft appellante middels de Gecombineerde opgave 2003 een aanvraag oppervlakten ingediend in het kader van de Regeling.

- Bij brief van 4 mei 2003 heeft verweerder appellante verzocht de aanvraag binnen veertien dagen te completeren met de originele bedrijfskaarten met daarop ingetekend alle door appellante opgegeven gewaspercelen. Hierbij is aangegeven dat een aanvraag niet in behandeling wordt genomen, indien essentiële gegevens ter beoordeling van de aanvraag ontbreken.

- Bij besluit van 11 juni 2003 heeft verweerder aan appellante meegedeeld dat de aanvraag oppervlakten 2003 niet in behandeling wordt genomen, omdat van de geboden gelegenheid om de aanvraag aan te vullen geen gebruik is gemaakt.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 15 juni 2003 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 15 juni 2004 heeft appellante een aanvulling gegeven op haar bezwaarschrift.

- Op 25 augustus 2004 is appellante telefonisch gehoord omtrent haar bezwaar.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe is onder meer het volgende overwogen.

“ (…)

Ter beoordeling ligt de vraag of de beslissing om uw aanvraag niet in behandeling te nemen op goede gronden is genomen. Mij zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waardoor het voor u onmogelijk was uw aanvraag tijdig en volledig aan te vullen. De bij uw bezwaarschrift overgelegde gegevens kunnen niet alsnog leiden tot het in behandeling nemen van de aanvraag aangezien de termijn voor het aanvullen van de aanvraag is verstreken.

Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven geldt dat – gelet op de eigen verantwoordelijkheid van degene die een subsidie aanvraagt voor de tijdige en juiste indiening van zijn aanvraag – het risico voor het niet ter bestemder plekke arriveren van poststukken in beginsel bij de aanvrager ligt, wat kan worden ondervangen door de betreffende stukken aangetekend te verzenden.

Uit het gestelde in uw bezwaarschrift, door LASER ontvangen op 17 juni 2003, kan worden afgeleid dat u, in reactie op de brief van LASER van 4 mei 2003, kopieën van de originele bedrijfskaarten aan LASER heeft geretourneerd. In de aanvulling op uw bezwaarschrift, door LASER ontvangen op 21 juni 2004, geeft u echter aan, dat u, in reactie op de brief van LASER van 4 mei 2003, opnieuw bedrijfskaarten heeft opgevraagd en deze nogmaals heeft opgestuurd. Tijdens de hoorzitting is het een en ander aan u voorgelegd. U heeft hierop aangegeven, dat uw dochter in eerste instantie niet de originele kaarten heeft gekopieerd en dat de originele bedrijfskaarten ook niet zijn meegestuurd. Naar aanleiding van de brief van 4 mei 2003 van LASER heeft u kopieën van de bedrijfskaarten gemaakt die u vervolgens heeft opgestuurd.

Het bovenstaande geeft mij geen aanleiding om het besluit van de teammanager te herroepen.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat zij niet gestraft mag worden voor iets wat buiten haar macht ligt, namelijk het zoekraken van de perceelskaarten bij TPG. Nadat appellante ervan op de hoogte was gebracht dat de stukken niet bij verweerder waren aangekomen, heeft zij de ontbrekende stukken wederom per direct opgestuurd. De door verweerder genomen beslissing om de aanvraag niet inhoudelijk te behandelen, staat niet in verhouding tot het niet tijdig indienen van de bedrijfskaarten.

Ter zitting heeft appellante verklaard dat zij bij indiening van de aanvraag was vergeten de bedrijfskaarten bij te voegen. Na de brief van 4 mei 2003 van verweerder heeft appellante de originele bedrijfskaarten alsnog opgestuurd. Na de ontvangst van het besluit van verweerder van 11 juni 2003 heeft appellante kopieën van de bedrijfskaarten, dit keer aangetekend, opgestuurd.

5. De beoordeling van het geschil

Vaststaat dat appellante haar aanvraag oppervlakten heeft ingediend zonder de voor de beoordeling van de aanvraag vereiste bedrijfskaarten bij te voegen. Tevens staat vast dat verweerder de bedrijfskaarten evenmin heeft ontvangen, nadat hij appellante bij brief van 4 mei 2003 in de gelegenheid had gesteld het gebrek binnen veertien dagen te herstellen. Hierop heeft verweerder met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht besloten de aanvraag niet te behandelen.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat in bezwaar alsnog tot een inhoudelijke beoordeling zou zijn overgegaan, als appellante zou hebben aangetoond dat zij de bedrijfskaarten binnen de geboden hersteltermijn naar verweerder heeft gestuurd doch deze door het zoek raken bij TPG niet bij verweerder zijn aangekomen. Appellante is echter, aldus verweerder, in deze bewijsopdracht niet geslaagd.

Het College is met verweerder van oordeel dat appellante weliswaar heeft gesteld dat zij de bedrijfskaarten binnen de gestelde termijn heeft opgestuurd maar bij TPG zijn zoekgeraakt, maar dit op geen enkele wijze heeft aangetoond. Het College ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zijn beslissing om appellantes aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen, in het bestreden besluit ten onrechte heeft gehandhaafd. Het alsnog overleggen van de bedrijfskaarten in de bezwaarfase, leidt niet tot een ander oordeel. De gevolgen van het niet tijdig overleggen van de vereiste bedrijfskaarten en van het feit dat appellante de verzending hiervan niet heeft kunnen aantonen, komen voor appellantes rekening en risico.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.H. Vazquez Muñoz