Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT7338

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
14-06-2005
Zaaknummer
AWB 03/1485
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling superheffing 1993

overdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/1485 8 juni 2005

10720 Regeling superheffing 1993

overdracht

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. G. de Hoogd, advocaat te Purmerend,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigden: mr. G.W.P.A. van Schijndel en mr. F.G.P. Diermanse, beiden werkzaam bij verweerder,

aan welk geding voorts als partij deelnemen:

C, te D,

E, te F,

gemachtigde: mr. G.J.R. Lutje Schipholt, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Zwolle,

G, te H,

I, te J,

K, te L,

gemachtigde: mr. M.H.C. Peters, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 22 december 2003, bij het College binnengekomen op 23 december 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om de registratie op grond van de Regeling superheffing 1993 van dertien overdrachten van referentiehoeveelheden van appellant aan dertien verkrijgers ongedaan te maken.

Bij brief van 27 januari 2004 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 24 maart 2004 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij afzonderlijke brieven van 6 december 2004 heeft het College vorenbedoelde dertien verkrijgers in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Vijf van deze dertien verkrijgers, C, E, G, I en K, hebben het College schriftelijk laten weten als partij aan het geding te willen deelnemen. Van deze vijf hebben I, K en E bij brieven van respectievelijk 18 december 2004, 31 januari 2005 en 1 februari 2005 hun standpunt kenbaar gemaakt.

Op 7 en 15 april 2005 heeft appellant nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft op 27 april 2005 plaatsgevonden, waarbij appellant en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. C, E, I, K en G zijn, de eerste vier met voorafgaand bericht, niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Regeling superheffing 1993 (hierna: de Regeling) was, voorzover en ten tijde van belang, het volgende bepaald:

" § 6. Overdracht van een referentiehoeveelheid

Artikel 15

1. Een referentiehoeveelheid kan worden overgedragen in samenhang met de overdracht van voor de melkproductie gebruikte grond, niet zijnde een geheel bedrijf, als overeengekomen door betrokken partijen met inachtneming van de hierna volgende bepalingen.

(…)

Artikel 18

1. Degenen die een referentiehoeveelheid op basis van artikel 15 (…) hebben verworven respectievelijk overgedragen, geven daarvan binnen een termijn van zes weken gezamenlijk kennis aan het productschap op een daartoe door het productschap voorgeschreven formulier, volgens daartoe door het productschap gestelde voorschriften. (…)

2. Er kan eerst een aanspraak op een referentiehoeveelheid worden gemaakt vanaf de registratie door het productschap.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluiten van respectievelijk 27 december 2002, 10 januari 2003, 17 januari 2003, 24 januari 2003, 31 januari 2003, 14 februari 2003 en 21 februari 2003 heeft verweerder appellant in kennis gesteld van de registratie van dertien overdrachten van referentiehoeveelheden van elk 20.000 kg overeenkomstig de door verweerder ontvangen meldingsformulieren.

- Bij brief van 2 april 2003 heeft appellant verweerder verzocht de registratie van deze overdrachten onverwijld terug te draaien, omdat, kort gezegd, de desbetreffende referentiehoeveelheden van appellant onbevoegd zijn overgedragen door M.

- Bij besluit van 5 juni 2003 heeft verweerder geweigerd bedoelde registraties ongedaan te maken. Hiertoe is overwogen dat op grond van de overgelegde stukken (meldingsformulieren, pachtovereenkomsten) niet is gebleken dat ten onrechte is geconcludeerd dat in de onderhavige gevallen sprake was van een melding van een overdracht in de zin van artikel 15 van de Regeling.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 14 juli 2003 bezwaar gemaakt.

- Appellant is op 10 oktober 2003 over zijn bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe is gesteld dat niet is aangetoond dat geen sprake is geweest van meldingen van een overdracht in de zin van artikel 15 van de Regeling.

4. Het standpunt van appellant

Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat niet is aangetoond dat geen sprake is van meldingen van een overdracht in de zin van artikel 15 van de Regeling. Er is geen sprake geweest van meldingen, omdat M door appellant niet is gemachtigd om de betrokken melkquota over te dragen en hiertoe op meerdere fronten valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Hij heeft niet alleen een concept-volmacht vervalst door vóór “80.000 kg” een “2” te plaatsen en de handtekening van appellant te vervalsen, maar hij heeft ook op de pachtovereenkomsten en op de meldingsformulieren van de overdrachten aan verweerder de handtekening van appellant vervalst. Verweerder had dan ook niet tot registratie mogen overgaan.

5. Het standpunt van I, K en E

I heeft aangevoerd dat hij via Bergsma 20.000 kg melkquotum van appellant heeft gekocht. Deze transactie is in zijn ogen correct en vlot verlopen. Mocht appellant toch in het gelijk worden gesteld, dan wil hij schadeloos worden gesteld, gezien de hieruit voortvloeiende superheffing, boetes en andere kosten.

K en E hebben aangevoerd dat zij vaker zaken hebben gedaan met de tussenpersoon M en geen enkele reden hadden om aan te nemen dat er dit keer iets niet in orde zou zijn. Mocht de transactie worden teruggedraaid, dan staat hen een aanzienlijke boete wegens overproductie te wachten. Zij hebben er dan ook belang bij dat de transactie in stand blijft.

6. De beoordeling van het geschil

Verweerder heeft in het bestreden besluit, overeenkomstig het primaire besluit, gesteld dat niet is gebleken dat op grond van de overgelegde stukken ten onrechte is geconcludeerd dat in de onderhavige gevallen sprake was van meldingen van een overdracht in de zin van artikel 15 van de Regeling.

Het College is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten deze stelling te onderbouwen en overweegt hiertoe het volgende. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Regeling geven degenen die een referentiehoeveelheid hebben verworven respectievelijk overgedragen, daarvan gezamenlijk kennis aan verweerder. Nu appellant gemotiveerd heeft aangevoerd dat M valsheid in geschrifte heeft gepleegd en niet bevoegd was om de dertien betrokken referentiehoeveelheden van appellant over te dragen en hiervan vervolgens kennis te geven aan verweerder, had verweerder moeten motiveren waarom het door appellant aangevoerde niet kan slagen en waarom er toch sprake is van een door of namens appellant gedane melding in de zin van artikel 18 van de Regeling. Uit het bestreden besluit blijkt bovendien op geen enkele wijze dat verweerder de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard.

Het College stelt voorts vast dat uit het bestreden besluit evenmin blijkt dat verweerder zich bewust is geweest van de wijze waarop de brief van 2 april 2003 juridisch moet worden geduid. De brief dient immers enerzijds te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van de rechtens onaantastbaar geworden besluiten van 27 december 2002, 10 januari 2003, 17 januari 2003, 24 januari 2003, 31 januari 2003, 14 februari 2003 en anderzijds als een tijdig ingediend bezwaarschrift tegen het besluit van 21 februari 2003. Het belang van dit onderscheid is gelegen in het feit dat het verzoek om terug te komen van de rechtens onaantastbaar geworden besluiten, mede gelet op de bij de registratiebesluiten betrokken belangen van derden, anders dient te worden beoordeeld dan het bezwaarschrift tegen het besluit van 21 februari 2003.

Het voorgaande brengt het College tot de slotsom dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.

Het College ziet ten slotte termen om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb in de proceskosten te veroordelen.

7. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 17 november 2003;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak

is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure welke aan de zijde van appellant worden vastgesteld op € 644,--

(zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,-- (zegge: honderdzestien

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. E.J.M. Heijs en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.

w.g. C.J. Borman w.g. M.H. Vazquez Muñoz