Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT6708

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/596
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 04/596 12 mei 2005

20312 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante van een tuchtbeschikking van

15 juni 2004 van het Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees, kamer primaire sector (hierna: tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij tuchtbeschikking van 15 juni 2004 met kenmerk TPVV 9/2004 heeft het tuchtgerecht aan appellante een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Bij brief van 12 juli 2004, bij het College binnengekomen op 14 juli 2004, heeft appellante beroep ingesteld tegen de tuchtbeschikking.

Bij brieven van 20 juli 2004 en 17 augustus 2004 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 31 maart 2005, alwaar namens appellante is verschenen C. Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door

mr. R.B.R. Henke, werkzaam bij het gemeenschappelijk secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (hierna: het productschap).

2. De van toepassing zijnde regelgeving

In de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2000 (hierna: Verordening 2000) en Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002 (hierna: Verordening 2002) (samen: de Verordeningen) is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 1

(…) deze verordening (…) verstaat (…) onder:

5. onderneming: een onderneming waarin de varkenshouderij wordt uitgeoefend;

6. ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft;

(…) .

Artikel 2

1. Iedere ondernemer is verplicht de op zijn vestiging aanwezige varkens te enten tegen de ziekte van Aujeszki overeenkomstig (…) een door het Bestuur vastgesteld entschema.

(…)

3. Onverminderd het in het eerste lid bepaalde, is iedere ondernemer die varkens aanwezig heeft (…), verplicht deze dieren te doen enten (…).

Artikel 13

1. Overtreding van de in deze verordening gestelde verbods- en gebodsbepalingen is een strafbaar feit.

2. Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tevens tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.

3. De tuchtrechtelijke maatregelen bedoeld in lid 2 zijn:

a. (…)

b. een geldboete van ten hoogste 4.500 Euro, welke geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk kan worden opgelegd;

c. (…).”

In de per 1 april 2004 in werking getreden Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (hierna: de Wet) is, onder meer, bepaald:

“Artikel 6

1. Indien een feit, dat tuchtrechtelijk kan worden afgedaan, wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, wordt de tuchtrechtelijke vervolging ingesteld en worden maatregelen genomen tegen:

a. die rechtspersoon of die vennootschap,

b. hen, die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, of

c. beiden.

2. Een feit wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, indien het begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon of de vennootschap, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het feit hebben begaan, dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.

3. Indien een tuchtrechtelijke vervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon of een vennootschap, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer.

Artikel 15

1. De voorzitter van het bedrijfslichaam, dat de desbetreffende verordening heeft vastgesteld, maakt de zaak binnen een redelijke termijn na de constatering van de overtreding bij het tuchtgerecht aanhangig door middel van een schriftelijke verklaring.

2. De verklaring vermeldt de feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel wordt gevraagd. Bij de verklaring worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het tuchtgerecht overgelegd.

Artikel 47

1. Op de behandeling van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige tuchtzaken blijft de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie van toepassing.

2. Naar aanleiding van overtredingen die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet, kunnen slechts de tuchtrechtelijke maatregelen bepaald in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie worden opgelegd.”

3. De bestreden tuchtbeschikking

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het tuchtgerecht bewezen verklaard dat appellante: (a) 4503 van de in de periode 7 oktober 2002 tot en met 9 november 2003 van haar vestiging, geregistreerd bij de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren onder UBN-nummer *, afgevoerde 7.137 vleesvarkens niet heeft laten vaccineren tegen de ziekte van Aujeszky en

(b) 892 van de in de periode 30 september 2002 tot en met 15 september 2003 van haar vestiging, geregistreerd bij de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren onder UBN-nummer **, afgevoerde 2.642 vleesvarkens niet heeft laten vaccineren tegen de ziekte van Aujeszky.

Het bewezenverklaarde levert naar het oordeel van het tuchtgerecht op overtreding van artikel 2, eerste en derde lid, Verordening 2000 en artikel 2, eerste en derde lid, Verordening 2002. Wegens deze overtredingen is appellante als maatregel een geldboete van € 4500 opgelegd, waarvan € 1500 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

4. De beoordeling

4.1 Onder verwijzing naar artikel 47 juncto artikel 15, eerste lid van de Wet, stelt het College vast dat, nu deze zaak aanhangig is gemaakt bij schriftelijke verklaring van 20 april 2004, de Wet van toepassing is.

C, bestuurder van D B.V., welke B.V de enig aandeelhouder en bestuurder van A B.V. is, heeft de onder a) en b) van de bestreden tuchtbeschikking gestelde feiten erkend, maar betwist de rechtmatigheid van de vervolging van en oplegging van de maatregel aan appellante. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat ten onrechte bewezen is verklaard dat de gestelde feiten door of vanwege appellante zijn begaan.

4.2 In beroep heeft C, evenals ter zitting bij het tuchtgerecht, gesteld dat appellante nimmer, althans niet (langer) ten tijde van de periode hier van belang, varkens heeft gehouden en dat hijzelf in persoon dient te worden aangesproken voor de gestelde feiten omdat de UBN-nummers op zijn naam staan en hij ook zelf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Ter zitting bij van College heeft C verklaard dat de varkens worden gehouden door de Maatschap E te B, een maatschap waarin C, zijn echtgenote en appellante deelnemen. Daarnaast heeft C ter zitting aangetoond dat zowel de UBN-nummers als de groene en rode RBD-erkenningsstickers die worden verstrekt door de Gezondsheidsdienst voor dieren, namens het productschap (en gevoerd ter aanduiding van het al dan niet voldoen aan de voorwaarden van het Aujeszky-vrij certificaat) op zijn naam staan. Voorts heeft C verklaard dat hij na ontvangst van de bestreden tuchtbeschikking, het tuchtgerecht telefonisch verzocht heeft de betreffende beschikking op zijn naam te stellen, waarna hij de boete zou voldoen. Gevraagd naar het probleem van appellante, nu C kennelijk wel bereid is de boete te voldoen, heeft C ter zitting namens appellante gesteld dat appellante haar naam niet in verband gebracht wil hebben met kwaliteitsproblemen, dit vanwege de betrokkenheid van appellante, als bestuurder van F B.V., bij activiteiten in de meervalsector. Dat appellante is betrokken in de procedure, is te wijten aan (de controleur namens) het productschap; er is tijdens de controle expliciet om de inschrijving bij de Kamer van Koophandel van appellante gevraagd.

Van de zijde van het productschap is ter zitting aangevoerd dat de inschrijving in de Kamer van Koophandel niet altijd betrouwbaar is en er daarom in alle gevallen, en ook in dit geval, zorgvuldig onderzocht wordt wie er moet worden aangesproken. De vraag “van wie zijn de varkens” staat altijd centraal in dit type onderzoeken. Naar aanleiding van die vraag heeft C, verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering op beide vestigingen en als zodanig in het kader van het controle-onderzoek gehoord, kennelijk de naam van appellante gegeven.

4.3 Het College stelt vast dat op basis van artikel 13, tweede lid, van de Verordeningen tuchtrechtelijke maatregelen kunnen worden opgelegd in geval van overtreding van, onder meer, artikel 2 van de Verordeningen. Ten aanzien van de adressant van de tuchtrechtelijke maatregelen geldt dat artikel 6 van de Wet als uitgangspunt genomen dient te worden, indien het tuchtrechtelijke feit is begaan door of vanwege een rechtspersoon of vennootschap. Het College stelt voorts vast dat het tuchtgerecht de door C erkende feiten heeft gekwalificeerd als door of vanwege appellante, de rechtspersoon, begaan en gekozen heeft voor de optie om enkel appellante te vervolgen (artikel 6, eerste lid, onder a van de Wet). Het College overweegt dat C de kwalificatie door het tuchtgerecht van de door hem erkende feiten als aan appellante toerekenbare feiten alsmede de keuze voor vervolging van appellante, reeds bij het tuchtgerecht gemotiveerd heeft betwist onder aanvoering van stellingen die gerede twijfel oproepen omtrent de juistheid van de uitgangspunten van de vervolging. Het College is van oordeel dat het tuchtgerecht deze stellingen niet ter kennisgeving aan had mogen nemen, maar nader had dienen te onderzoeken en (kenbaar) had dienen te betrekken in zijn besluitvorming. De bestreden tuchtbeschikking berust dan ook op onvoldoende feitelijke grondslag en kan niet in stand blijven. Het beroep is derhalve gegrond.

4.4 Gezien de beschikbare gegevens en mede in aanmerking nemend het feit dat het tuchtgerecht geen aanleiding heeft gezien op het betoog van C in te gaan, zal het College de zaak zelf afdoen. Daartoe overweegt het College dat, mede gezien de registratie van UBN-nummers, de indirecte aard van de betrokkenheid van C bij appellante en de indirecte aard van de betrokkenheid van appellante bij de varkenshouderij, onvoldoende is vast komen te staan dat met de door C erkende feiten door deze is gehandeld in de sfeer van de onderhavige rechtspersoon – in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Wet – zodat deze feiten niet kunnen worden gekwalificeerd als feiten begaan door of vanwege appellante. Daaruit volgt dat niet bewezen kan worden verklaard dat appellante artikel 2, eerste en derde lid, van de Verordeningen heeft overtreden, zodat een grondslag voor het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen aan appellante (artikel 13, eerste en tweede lid, van de Verordeningen) ontbreekt. Het College oordeelt dan ook dat aan appellante geen tuchtrechtelijke maatregelen worden opgelegd.

4.5 Deze uitspraak berust op artikel 13 en artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening 2000, artikel 13 en artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening 2002 en hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeschikking;

- verklaart dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. B. Verwayen en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Venekamp