Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT6475

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
31-05-2005
Zaaknummer
AWB 04/613
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffing

Financierings- en fondsheffing HPA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/613 25 mei 2005

4291 Heffing

Financierings- en fondsheffing HPA

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. W.P. Keulers, werkzaam als fiscaal jurist te Zoetermeer,

tegen

Hoofdproductschap Akkerbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. O.D. van der Vliet, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 1 december 2003 heeft verweerder appellant op grond van de Verordening HPA financieringsheffing teeltaangelegenheden jaar 2003, de Verordening HPA financieringsheffing sector aardappelen jaar 2003, de Heffingsverordening HPA fonds teeltaangelegenheden jaar 2003, de Heffingsverordening HPA zetmeelaardappelen jaar 2003 en de Heffingsverordening HPA teeltbescherming zetmeelaardappelen jaar 2003 een heffing opgelegd van in totaal € 669,89.

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft verweerder het hiertegen gericht bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 juli 2004, bij het College binnengekomen op 20 juli 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 augustus 2004 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 14 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 29 maart 2005 heeft appellant het College een nader stuk doen toekomen. Het College heeft dat stuk, gelet op hetgeen in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald, aan appellant geretourneerd.

Op 30 maart 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant met bericht van verhindering niet is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij voornoemde financierings- en heffingsverordeningen is bepaald dat de berekening van de heffing plaatsvindt op basis van de door de ondernemer aan verweerder verstrekte gegevens op grond van de Verordening HPA registratie en verstrekking van gegevens 1997, welke verordening met ingang van 1 juli 2003 is vervangen door de Verordening HPA registratie en verstrekking van gegevens 2003 (hierna: de Registratieverordening).

Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de Registratieverordening is de ondernemer verplicht desgevraagd gegevens aan verweerder te verstrekken door middel van de gecombineerde opgave, dan wel door middel van het landbouwtellingsformulier tezamen met het overzicht gewaspercelen gecombineerd met de bedrijfskaart(en).

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Registratieverordening worden de in het tweede lid bedoelde formulieren door LASER aan de ondernemer verstrekt en dienen deze na invulling en ondertekening door de ondernemer bij LASER te worden ingediend.

Ingevolge artikel 7 van de Registratieverordening is de ondernemer verplicht om wijziging van de gegevens die op grond van artikel 6 zijn verstrekt binnen één maand nadat de wijziging heeft plaatsgevonden schriftelijk aan LASER mede te delen.

2.2 In het bestreden besluit en het verweerschrift heeft verweerder overwogen dat appellant bij het formulier Landbouwtelling 2003 een oppervlakte van 20.70 ha cultuurgrond heeft opgegeven voor de teelt van zetmeelaardappelen. Deze opgaaf vormt de grondslag voor de berekening van de in geding zijnde aan appellant opgelegde heffingen. Verweerder ziet geen aanleiding appellant niet aan deze opgaaf te houden.

In de eerste plaats is hierbij van belang dat zowel op het landbouwtellingsformulier als in het daarbij behorende voorlichtingsmateriaal expliciet staat vermeld dat de ondernemer de gronden die hij niet zelf in gebruik heeft niet bij de landbouwtelling behoort op te geven. In de tweede plaats is de ondernemer verplicht wijzigingen ten opzichte van de landbouwtelling schriftelijk aan LASER door te geven. Van een zodanige wijziging is verweerder niet gebleken.

Indien de ondernemer aanvoert dat de gegevens zoals opgenomen in de landbouwtelling desondanks niet juist zijn, voert verweerder het beleid dat de ondernemer dan nog in bezwaar bewijs mag leveren van zijn stellingen. Deswege heeft verweerder appellant bij brief van 9 februari 2004 verzocht om aan te geven bij wie de betreffende gronden dan in gebruik zijn, zodat kan worden nagegaan of die gebruiker de gronden zelf heeft opgegeven bij de landbouwtelling. Op deze brief heeft appellant niet gereageerd, zodat verweerder in redelijkheid uit mocht gaan van de bij de landbouwtelling door appellant verstrekte gegevens.

2.3 Appellant heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven voorzover daarbij heffingen aan appellant zijn opgelegd in verband met de teelt van zetmeelaardappelen op een oppervlakte van 20.70 ha. Appellant heeft deze gronden namelijk aan een derde in gebruik gegeven die daarop voor diens eigen rekening en risico de aardappelen heeft verbouwd. Appellant kan met betrekking tot deze gronden dan ook niet worden aangemerkt als de heffingsplichtige ondernemer. Bovendien heeft deze derde ten aanzien van de door hem in gebruik genomen gronden voldaan aan zijn financiële verplichtingen jegens verweerder.

2.4 Het College overweegt dat hetgeen door en namens appellant is aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij bij het opleggen van de onderhavige heffingen in redelijkheid op de door appellant verstrekte gegevens bij de landbouwtelling af heeft mogen gaan. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant ruimschoots in de gelegenheid is geweest de beweerdelijk onjuiste gegevens te corrigeren, doch zulks heeft nagelaten en zelfs na daartoe door verweerder expliciet te zijn uitgenodigd op geen enkele wijze het bewijs van de juistheid van zijn stellingen heeft geleverd.

2.5 Het beroep van appellant dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

2.6 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. R.P.H. Rozenbrand