Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT6109

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
AWB 04/478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/478 29 april 2005

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C, zoon van appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: drs. B.M. Vogt, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij faxbericht van 14 mei 2004, bij verweerder binnengekomen op dezelfde dag, en na doorzending bij het College ontvangen op 2 juni 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 april 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders besluit van 31 januari 2003 waarbij zijn aanvraag akkerbouwsteun 2002 op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is afgewezen.

Bij brief van 17 juni 2004 heeft appellant de gronden voor zijn beroep toegezonden.

Nadat verweerder bij brief van 20 juli 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd heeft hij op 7 september 2004 een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van het College heeft verweerder bij brief van 6 december 2004 nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 7 maart 2005 heeft appellant een nadere toelichting gegeven op het door hem ingediende beroepschrift.

Op 21 maart 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1593/2000, luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 1

(…)

3. Onverminderd de specifieke bepalingen in het kader van de in lid 1 bedoelde regelingen, wordt in deze verordening verstaan onder:

- "bedrijfshoofd": de individuele landbouwproducent, natuurlijke of rechtspersoon dan wel groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap;

- "bedrijf": het geheel van de produktie-eenheden dat door het bedrijfshoofd wordt beheerd en zich bevindt op het grondgebied van een Lid-Staat;

- "perceel landbouwgrond": een ononderbroken stuk grond waarop één enkel gewas wordt geteeld door één enkel bedrijfshoofd. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 12 de uitvoeringsbepalingen vast betreffende specifieke wijzen waarop percelen landbouwgrond worden gebruikt, met name de bepalingen betreffende mengteelt en gemeenschappelijk gebruikte oppervlakten.”

Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 1

1. Bij deze verordening wordt ten behoeve van producenten van akkerbouwgewassen een stelsel van areaalbetalingen ingesteld.

(…)

Artikel 2

1. In de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen kunnen onder de in deze verordening aangegeven voorwaarden een areaalbetaling aanvragen.

(…)”

Bij de Regeling is, voor zover en ten tijde hier van belang, onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

j. producent: individuele landbouwondernemer in de Europese Gemeenschap, natuurlijke of rechtspersoon of samenwerkingsverband van natuurlijke of

rechtspersonen, die op zijn bedrijf voor eigen rekening en risico akkerland met akkerbouwgewassen inzaait met de bedoeling deze gewassen te oogsten;

k. bedrijf: geheel van productie-eenheden dat door de producent wordt beheerd en dat zich bevindt op het Nederlandse grondgebied;

(…)

Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de

raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 2419/2001, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

Artikel 6

1. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten in.

2. Een aanvraag oppervlakten heeft betrekking op alle percelen die behoren tot het bedrijf van de producent.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 12 mei 2002 heeft appellant, wonende op het adres D te B, met gebruikmaking van het formulier Gecombineerde Opgave 2002 een aanvraag akkerbouwsubsidie in het kader van de Regeling ingediend. Met deze aanvraag heeft hij akkerbouwsteun voor 1.73 ha korrelmaïs gevraagd.

- Op 15 mei 2002 heeft verweerder een aanvraag akkerbouwsubsidie ontvangen van de maatschap A en C, die is gevestigd op het adres E te B. De maatschap wordt gevormd door appellant en diens zoon C.

- Bij brief van 31 oktober 2002 heeft verweerder de maatschap meegedeeld dat hem is gebleken dat op haar adres meerdere economische eenheden zijn gevestigd. Ten einde te kunnen vaststellen of er sprake is van afzonderlijke bedrijven of dat feitelijk sprake is van één bedrijf in de zin van de Regeling heeft verweerder om nadere gegevens verzocht betreffende de boekhouding, de maatschapsovereenkomst en gebruikstitels van gronden en stallen van de beide bedrijven.

- Bij brief van 11 december 2002 hebben appellant en de maatschap gereageerd op dit verzoek en onder meer de volgende informatie verstrekt:

“ Bij het aangaan van de maatschap is niet alle grond in de maatschap ingebracht om te zorgen dat bij de overname niet alle grond bij de opvolger terecht komt, maar eventueel bij een of meer van de andere kinderen.

Hierdoor zijn twéé bedrijven ontstaan die als zodanig worden uitgevoerd. Eén bedrijf met alleen grond van mijzelf en één bedrijf samen met mijn zoon.

Mijn privé rekening is tevens rekening van de maatschap waardoor alle betalingen en ontvangsten van beide bedrijven op één bankrekening geschieden. Deze betalingen en ontvangsten worden later boekhoudkundig gesplitst.”

- Bij twee afzonderlijke, op 31 januari 2003 gedateerde, besluiten hebben appellant en de maatschap bericht ontvangen dat hun aanvragen om akkerbouwsteun zijn afgewezen.

- Bij twee afzonderlijke brieven van 19 februari 2003 hebben appellant en de maatschap bezwaar gemaakt tegen de twee besluiten van 31 januari 2003.

- Tijdens een op 12 februari 2004 gehouden gecombineerde hoorzitting hebben zowel de maatschap als appellant hun bezwaren toegelicht.

- Bij besluit van 7 april 2004 heeft verweerder de maatschap alsnog de gevraagde akkerbouwsubsidie toegekend.

- Op 9 april heeft verweerder het door appellant bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard en daartoe - samengevat - het volgende overwogen.

Artikel 6, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de producent om voor akkerbouwsubsidie in aanmerking te komen een aanvraag oppervlakten moet indienen. Ingevolge de definitie van het begrip producent in artikel 1, onder j, van de Regeling dient een producent het geheel van de door hem beheerde productie-eenheden voor eigen rekening en risico te exploiteren.

Verweerder is daarom nagegaan of de bedrijfsvoering en het gebruik en beheer van de productiemiddelen uitsluitend en alleen bij appellant liggen.

Appellant en de maatschap hebben hetzelfde rekeningnummer. Dit betekent dat bij insolventie van een van beide bedrijven het andere bedrijf ook op directe wijze wordt beïnvloed. Daarnaast is niet duidelijk is hoe onderling verrichte diensten geldelijk vergoed kunnen worden als gebruik wordt gemaakt van een gemeenschappelijke rekening.

De door appellant overgelegde stukken wijzen weliswaar op een gescheiden administratie, boekhouding en facturering, maar de gemeenschappelijk rekening maakt het niettemin onvoldoende aannemelijk dat er sprake is van een bedrijf dat voor eigen rekening en risico wordt gevoerd.

Ook het feit dat de op het bedrijf van appellant verbouwde maïs wordt afgevoerd naar het veeteeltbedrijf van de maatschap en het feit dat appellant op zijn landbouwbedrijf werkt met machines die eigendom zijn van de maatschap, leidt ertoe dat verweerder niet tot het oordeel kan komen dat de bedrijfsvoering en het gebruik en beheer van de bedrijfsgebouwen en productiemiddelen uitsluitend en alleen bij appellant liggen.

Appellant is dan ook niet aan te merken als producent in de zin van de Regeling. Daarom moet de aanvraag akkerbouwsteun worden afgewezen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep - samengevat- het volgende aangevoerd.

Verweerder, die erkent dat appellant een landbouwbedrijf exploiteert met een administratie, een boekhouding en facturering, die gescheiden is van die van de maatschap, neemt ten onrechte aan dat het bedrijf niet voor eigen rekening en risico wordt gedreven. Dat de gemeenschappelijke bankrekening bij insolventie zou betekenen dat beslag kan worden gelegd zowel bij appellant als bij de maatschap is geen goed argument, omdat ook zonder die gemeenschappelijke rekening insolventie van appellant gevolgen zou hebben voor de maatschap.

Onduidelijk is waarom verweerder meent dat onderling verrichte diensten niet - ook al is er een gemeenschappelijke bankrekening - achteraf boekhoudkundig verrekend zouden kunnen worden op basis van de daarvoor opgemaakte facturen.

Het enige productiemiddel dat appellant heeft is de grond. Hij bepaalt geheel los van de maatschap wat hij op die grond gaat verbouwen. Vaste afspraken voor levering van de maïs aan de maatschap zijn er niet en niet valt in te zien waarom appellant de werktuigen van de maatschap niet, tegen reële vergoeding, zou mogen inzetten op zijn bedrijf.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Uit de stukken en uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellant, F en G ingaande 1 januari 1989 een maatschap zijn aangegaan. Per 31 december 1993 is G uitgetreden en per 1 januari 1994 heeft appellant met zijn zoon F de maatschap voortgezet. Reeds ten tijde van het aangaan van de maatschap op 1 januari 1989 heeft appellant 5 ha grond, met het oog op het later zo gelijk mogelijk verdelen van zijn nalatenschap, niet ingebracht. Appellant stelt dat hij sindsdien deze 5 ha voor eigen rekening en risico exploiteert.

5.2 Het gegeven dat appellant reeds sinds 1 januari 1989 buiten het maatschapverband 5 ha landbouwgrond in gebruik heeft brengt naar het oordeel van het College met zich mee dat verweerder extra zorgvuldig te werk dient te gaan als hij dertien jaar later gaat toetsen in hoeverre appellant nog voor eigen rekening en risico zijn bedrijf exploiteert.

5.3 Verweerder erkent dat appellant de administratie, de boekhouding en de facturering op zijn bedrijf gescheiden voert van hetgeen binnen de maatschap op deze terreinen gebeurt. Verweerder baseert zijn oordeel dat er geen sprake is van een bedrijfsvoering voor eigen rekening en risico vervolgens op de aanwezigheid van een gemeenschappelijke bankrekening en op het feit dat het landbouwbedrijf van appellant maïs heeft geleverd aan het door de maatschap geëxploiteerde veeteeltbedrijf. Tevens acht verweerder van belang dat appellant machines van de maatschap heeft gebruikt op zijn bedrijf.

5.4 Verweerder heeft aldus, naar het oordeel van het College, niet duidelijk aangegeven waarom de aanwezigheid van een gemeenschappelijke bankrekening zo zwaar dient te wegen dat een gescheiden administratie, boekhouding en facturering niet langer voldoende zijn om aan te nemen dat er sprake is van een eigen bedrijf van appellant.

Voor zover verweerder in dit verband het feit dat bij insolventie van een van beide bedrijven het andere bedrijf daarvan ook de gevolgen zal ondervinden doorslaggevend acht, stelt het College vast dat appellant er terecht op heeft gewezen, dat, wanneer er twee rekeningen zouden zijn, bij insolventie gemakkelijk beslag op beide rekeningen gelegd kan worden.

5.5 Nu verweerder zijn oordeel mede baseert op het feit dat appellant tegen vergoeding machines van de maatschap gebruikt merkt het College op dat door verweerder niet is aangetoond dat het bij een gemeenschappelijke bankrekening onmogelijk is facturen van de maatschap voor aan appellant geleverde diensten achteraf te verrekenen. Appellant heeft overigens in 2002 door hem geteelde maïs geleverd aan de maatschap, doch in voorgaande jaren is de oogst ook aan derden verkocht.

5.6 Het voorgaande leidt het College tot het oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom niet kan worden gesproken van een van de maatschap te onderscheiden afzonderlijke bedrijfsvoering door appellant.

5.7 De slotsom moet daarom zijn dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet wordt gedragen door de motivering die verweerder daaraan ten grondslag heeft gelegd. Derhalve is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zodat het niet in stand kan blijven.

5.8 Het College zal derhalve het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant.

Het College voegt hieraan toe dat verweerder - indien hij na nader onderzoek bij zijn conclusie dat appellant geen bedrijf voor eigen rekening en risico exploiteert zou blijven - in zijn nieuwe beslissing dient in te gaan op de vraag waarom de aanvragen van appellant en de maatschap in dat geval niet als een gemeenschappelijke aanvraag worden aangemerkt.

5.9 Het College acht, nu daarom niet is verzocht, geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op het door

appellant gemaakte bezwaar;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge:

honderdzesendertig euro) aan hem vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas