Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT6108

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
AWB 03/1463
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 03/1463 29 april 2005

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Özdemir, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 11 december 2003, bij het College binnengekomen op 15 december 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van appellant tegen verweerders besluit van 17 juni 2002 om hem over het jaar 2001 geen extensiveringsbedrag op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) toe te kennen.

Nadat verweerder op 22 maart 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd heeft hij op 18 mei 2004 een verweerschrift ingediend.

Op 21 maart 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar appellant, met voorafgaand schriftelijk bericht van verhindering, niet is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 9 van Verordening (EG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb 1992; L391; blz. 36) luidde ten tijde en voor zover van belang:

“1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag “oppervlakten” aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte is. (…)”

In Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB nr. L160, blz. 21; hierna: Verordening (EG) nr. 1254/1999) is onder meer het volgende bepaald:

“1. Producenten die de speciale premie en/of de zoogkoeienpremie ontvangen, komen in aanmerking voor een extensiveringsbedrag.

In Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen (Pb 1999; L281; blz. 30), was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 32

3. (…)

De lidstaat neemt de nodige maatregelen om artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1259/1999 toe te passen in het geval van producenten die, door gedurende een deel van het jaar de veebezetting op abnormaal lage niveaus te brengen, kunstmatig de voorwaarden scheppen waaraan krachtens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 moet zijn voldaan.

(…)

11. Indien als gevolg van een besluit van de bevoegde veterinaire autoriteiten, geen enkel dier de productie-eenheid mag verlaten behalve om te worden geslacht, wordt voor de toepassing van dit artikel het aantal GVE dat op een bedrijf is geconstateerd, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,8.

Deze maatregel geldt slechts voor de termijn waarvoor bovenbedoeld besluit van toepassing is, verlengd met 20 dagen, en voorzover de producent binnen een termijn van tien werkdagen na de datum van het besluit aan de bevoegde autoriteit schriftelijk de aanwezigheid van de betrokken dieren heeft gemeld en alle nodige maatregelen heeft getroffen om de epizoötie te voorkomen en/of te beperken.".

12. In de periode tussen 15 oktober 2000 en 15 mei 2001 wordt voor de toepassing van dit artikel het aantal in het bedrijf geconstateerde GVE vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,8.

Deze maatregel wordt toegepast voorzover ten genoegen van de lidstaat wordt aangetoond dat, wegens de uitzonderlijke situatie op de markt, dieren langer op het bedrijf worden aangehouden dan in een normale situatie."

Artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1259/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Pb 1999; L 160; blz. 113) luidde ten tijde van belang:

“Beperking van de betalingen

Onverminderd de bijzondere bepalingen in individuele steunregelingen, wordt geen steun uitbetaald aan begunstigden van wie vaststaat dat zij de voorwaarden voor die steunverlening kunstmatig hebben gecreëerd om een voordeel te verkrijgen dat onverenigbaar is met de doelstellingen van die steunregeling.”

In de Regeling was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 1.1

1.(…)

bedrijf:

a. geheel van de door de producent beheerde of te zijner beschikking gestelde produktie-eenheden die in Nederland zijn gelegen waarvan hij eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter is, dan wel pachter op basis van een door de grondkamer goedgekeurd of geregistreerd pachtcontract, dan wel

b. (….)

c. (…)

d) in Nederland gelegen grond welke door een terreinbeherende organisatie op basis van een schriftelijke overeenkomst ten minste gedurende 7 maanden vanaf 31 maart van het jaar waarin de premie wordt aangevraagd, aan de producent in gebruik is gegeven, of;

e. (…)

Artikel 4.2a

1. (…)

2. In de kalenderjaren 2000 en 2001 komt slechts in aanmerking voor het extensiveringsbedrag de producent die op zijn bedrijf blijkens het I&R-register een veebezetting aanhoudt die:

a. kleiner is dan 1,6 GVE per hectare, dan wel

b. gelijk is of groter is dan 1,6 GVE per hectare, doch niet meer dan 2 GVE per hectare.

Artikel 6.2a

1.De premie voor zoogkoeien bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 6, vierde lid, van verordening 1254/1999.(…)

Artikel 6.2b

1. Het bedrag van de premie, bedoeld in artikel 6.2a, wordt verhoogd met een extensiveringsbedrag ten bedrage van:

a. € 66,- voor de jaren 2000 en 2001 indien de veebezetting lager is dan 1,6 GVE per hectare en € 33,- indien de veebezetting ten minste 1,6 GVE per hectare bedraagt, doch minder dan 2,0 GVE per hectare;

b. € 80,- voor het jaar 2002 en de daarop volgende jaren indien de veebezetting lager is dan 1,4 GVE per hectare en € 40,- indien de veebezetting ten minste 1,4 GVE per hectare bedraagt, doch minder dan 1,8 GVE per hectare.

2. De verhoging wordt niet verstrekt indien:

a. de aanvraag daartoe niet overeenkomstig artikel 4.2a is ingediend, in voorkomend geval gewijzigd overeenkomstig artikel 4.2b, dan wel is ingetrokken;

b. de veebezetting hoger is dan de, overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b door de producent opgegeven veebezetting;

c. op enig tijdstip in het betrokken kalenderjaar het aantal op het bedrijf van de producent aanwezige GVE groter is dan 120% van de door de betrokken producent overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b opgegeven veebezetting.

Artikel 7.3a

De premie per stier of os bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 4, zevende lid van verordening 1254/1999.

Artikel 7.3b

1. Het bedrag van de premie, bedoeld in artikel 7.3a, wordt verhoogd met een extensiveringsbedrag ten bedrage van:

a. € 66,- voor de jaren 2000 en 2001 indien de veebezetting lager is dan 1,6 GVE per hectare en € 33,- indien de veebezetting ten minste 1,6 GVE per hectare bedraagt, doch minder dan 2,0 GVE per hectare;

b. € 80,- voor het jaar 2002 en de daarop volgende jaren indien de veebezetting lager is dan 1,4 GVE per hectare en € 40,- indien de veebezetting ten minste 1,4 GVE per hectare bedraagt, doch minder dan 1,8 GVE per hectare.

2. De verhoging wordt niet verstrekt indien:

a. de aanvraag daartoe niet overeenkomstig artikel 4.2a is ingediend, in voorkomend geval gewijzigd overeenkomstig artikel 4.2b, dan wel is ingetrokken;

b. de veebezetting hoger is dan de overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b door de producent opgegeven veebezetting;

c. op enig tijdstip in het betrokken kalenderjaar het aantal op het bedrijf van de producent aanwezige GVE groter is dan 120% van de door de producent overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b opgegeven veebezetting.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft in zijn aanvraag oppervlakten 2001 totaal 178.01 ha grasland voor registratie als voederareaal opgegeven.

- Bij mededeling van 24 januari 2002 heeft verweerder appellant bericht dat 113.42 ha voederareaal op naam van appellant is geregistreerd.

- Naar aanleiding van de door appellant op 11 mei 2001 ingediende aanvraag om op grond van de Regeling in aanmerking te komen voor het extensiveringsbedrag heeft verweerder bij besluit van 17 juni 2002 deze aanvraag afgewezen.

- Op 12 juli 2002 heeft appellant naar aanleiding van dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

- Na een op 6 mei 2003 gehouden hoorzitting heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard en daartoe -samengevat- het volgende overwogen.

Van de door appellant opgegeven 178.01 ha voederareaal heeft verweerder slechts 156.42 ha geconstateerd. Het oppervlakteverschil tussen aangevraagd en geconstateerd is 21.59 ha. Dit verschil is, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 13.80%. Na toepassing van het bepaalde bij artikel 9, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 3887/92 is vervolgens 113.24 voederareaal voor appellant geregistreerd.

Ten onrechte meent appellant dat aldus het aantal geconstateerde ha voederareaal te laag is vastgesteld. Appellant heeft zich immers niet verzet tegen het feit dat 13.4 ha opgegeven voederareaal als niet geconstateerd werd aangemerkt. Met betrekking tot de overige 8.2 als niet geconstateerd aangemerkte hectaren geldt dat niet gebleken is dat deze door appellant in gebruik waren genomen op grond van een grondgebruiksverklaring met het Overijssels Landschap. Daarmee behoren, op grond van de definitie van het begrip bedrijf in artikel 1.1 van de Regeling, deze 8.2 ha niet tot het bedrijf van appellant, waardoor zij niet als geconstateerd voederareaal kunnen worden aangemerkt. Dat appellant vervolgens vaststelt dat hij dubbel wordt gekort vloeit rechtstreeks voort uit het feit dat verweerder gehouden was artikel 9, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 3887/92 toe te passen.

Ter uitvoering van de bij artikel 32, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 aan de lidstaten gegeven opdracht om maatregelen te treffen die er toe leiden dat aan producenten die kunstmatig aan de voorwaarden om voor het extensiveringsbedrag in aanmerking te komen voldoen door gedurende een gedeelte van het jaar hun veebezetting op abnormaal laag niveau te brengen, heeft Nederland voldaan door de artikelen 6.2b en 7.3b van de Regeling vast te stellen. In het tweede lid, sub c van deze artikelen is bepaald dat geen extensiveringsbedrag wordt verstrekt aan producenten die op enig tijdstip in het betrokken jaar op het bedrijf een aantal GVE aanwezig hadden dat groter is dan 120% van de door de producent overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b opgegeven veebezetting. Om in aanmerking te komen voor het extensiveringsbedrag van € 33.00 mocht de veebezetting van appellant op enig moment in 2001 ingevolge deze artikelen niet hoger zijn dan 2.40 GVE /ha.

Verweerder heeft aan de hand van gegevens uit het I&R vastgesteld dat op het bedrijf van appellant op 3 december 2001 een aantal van 400 runderen aanwezig was, hetgeen overeenkomt met 298.2 GVE. Bij een geregistreerd voederareaal van 113.24 ha betekent dit een veebezetting van 2.63 GVE/ha. Daarmee wordt de 120% grens, die zoals hiervoor vermeld 2.40 GVE/ha bedraagt, overschreden.

Appellants stelling dat de hoge veebezetting per ha op zijn bedrijf op 3 december 2001 een gevolg was van een opgelegd vervoersverbod tengevolge van de uitbraak van mkz in 2001 vat verweerder op als een verzoek om toepassing van de coëfficiënt 0.8 genoemd in in artikel 32, lid 11, van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Aan dit artikel 32, lid 11, kan echter naar verweerders oordeel geen toepassing worden gegeven nu appellant heeft nagelaten binnen 10 werkdagen na de ingang van het vervoersverbod aan verweerder te melden dat hij op zijn bedrijf dieren aanhield die door dit verbod niet verplaatst konden worden.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd ter ondersteuning van zijn beroep.

Appellant, die geheel te goeder trouw heeft gehandeld en volgens de doestellingen van de Regeling uitgaat van een extensieve begrazing, heeft er begrip voor dat verweerder moeilijk iets anders had kunnen doen dan de regels hanteren. Niettemin meent hij dat dit een niet redelijk besluit, dat niet getuigt van inlevingsvermogen in de praktijk van de landbouwer, heeft opgeleverd.

Allereerst voert hij aan dat er sprake is van een dubbele korting. Dit is onredelijk, want in feite is de korting terug te voeren op regeltjes en formulieren, die niet aansluiten bij de praktijk, zoals die van toepassing is bij een zoogkoeienbedrijf met natuurbegrazing. Zonder de dubbele korting zou appellant de beschikking hebben gehad over 157.7 ha en zou hij wel degelijk voor extensiveringspremie in aanmerking zijn gekomen.

Verder is de abnormaal hoge veebezetting op 3 december rechtstreeks terug te voeren op de mkz-crisis, die appellant toch al veel schade heeft berokkend. Na de mkz was de markt nagenoeg ingestort hetgeen leidde tot een veel lagere verkoop van vee dan normaal. Verweerder - die zelf bepaalt wanneer en waar een vervoerverbod geldt - staat wel heel ver van de praktijk als hij van een producent verlangt dat deze tijdens de mkz-periode binnen 10 dagen meldt dat hij dieren aanwezig heeft die niet afgevoerd mogen worden.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat appellant niet bestrijdt dat van de opgegeven oppervlakte voederareaal 21.59 ha als niet geconstateerd moet worden aangemerkt.

Appellant betoogt evenwel dat het niet redelijk is dat hij een korting op een korting krijgt opgelegd. Het College moet echter vaststellen dat verweerder gehouden is toepassing te geven aan het bepaalde bij artikel 9, tweede lid van Verordening (EG) nr. 3887/92 en dat hij dit op correcte wijze heeft gedaan.

Voor zover appellant heeft willen betogen dat de in dit artikel 9, tweede lid vermelde sanctie is opgelegd in strijd met het evenredigheidsbeginsel wijst het College er op dat dit artikel voorziet in een gedifferentieerd sanctiestelsel, dat mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 1997 in zaak C-354/95 (National Farmers Union) niet in strijd geacht kan worden met het evenredigheidsbeginsel.

5.2 De grief van appellant dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de op 3 december 2001 geconstateerde abnormaal hoge veebezetting een rechtstreeks gevolg was van de mkz-crisis kan evenmin slagen.

In dit verband stelt het College vast dat bij Verordening (EG) nr. 1900/2000 aan artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 het elfde lid is toegevoegd, op grond waarvan, ingeval van een epizoötie, door producenten die getroffen worden door een besluit van de bevoegde veterinaire autoriteiten ten gevolge waarvan geen enkel dier de productie-eenheid mag verlaten behalve om te worden geslacht, onder bepaalde voorwaarden een forfaitair coëfficiënt van 0.8 mag worden gehanteerd voor het aantal GVE dat op een bedrijf is geconstateerd. Een van deze voorwaarden is dat de producent dan binnen 10 werkdagen na de datum van het besluit de aanwezigheid van de betrokken dieren aan de bevoegde autoriteit meldt. Aan deze voorwaarde is door appellant niet voldaan.

Appellants, op zich niet onbegrijpelijke, betoog dat hij ten tijde van de MKZ-crisis wel andere zaken aan het hoofd had dan het versturen van meldingen aan verweerder kan niet leiden tot het oordeel dat het niet melden niet voor zijn rekening en risico dient te komen. Niet gesteld en ook niet gebleken is van overmacht die het appellant onmogelijk maakte aan de verplichting tot melding te voldoen. Niet zonder grond heeft verweerders gemachtigde ter zitting gewezen op het feit dat zonder melding nader onderzoek en een goede controle ernstig wordt bemoeilijkt.

Bij Verordening (EG) nr. 192/2001 is aan genoemd artikel 32 ook nog een twaalfde lid toegevoegd, op grond waarvan gedurende een bepaalde periode deze regeling onder andere voorwaarden ook kon worden toegepast. Voor de voor appellant van belang zijnde periode is een dergelijke regeling echter niet getroffen.

5.3 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas