Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT6102

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
AWB 04/428
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 04/428 13 mei 2005

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: A.B. Strootman, werkzaam bij Bilanx Accountants Adviseurs te Vriezenveen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F.S. Cooke, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Op 24 mei 2004 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 mei 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder, na een vernietiging door het College van een eerder besluit, opnieuw beslist op het bezwaar van appellanten tegen de afwijzing van hun aanvrage op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

Op 10 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 1 april 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De gemachtigde van verweerder heeft zich doen bijstaan door drs. M. Honig, werkzaam bij Georas te Hoofddorp.

2. De grondslag van het geschil

Voor een weergave van de voor dit geding relevante wettelijke bepalingen en vaststaande feiten en omstandigheden verwijst het College naar zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (AWB 02/1953, www.rechtspraak.nl LJN: AN8032). Bij die uitspraak, die betrekking had op een beroep van appellanten tegen een eerder besluit van verweerder d.d. 5 november 2002, heeft het College onder meer het volgende overwogen:

"Het College stelt vast dat verweerder terecht geoordeeld heeft dat perceel nr.3 niet als akkerland kan worden aangemerkt. Het is immers in de jaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland in gebruik geweest en niet, na 1991, als gevolg van een ruilverkaveling in de plaats gekomen van een perceel, dat wel als akkerland kon gelden.

Dat leidt tot de conclusie dat voor het perceel geen akkerbouwsteun kan worden toegekend.

Aan appellanten kan echter niet worden tegengeworpen, dat zij daarvan niet op de hoogte waren. Zij konden en mochten verwachten dat verweerder het perceel ook in de toekomst als akkerland zou accepteren.

Naar zij onweersproken gesteld hebben, beschikken appellanten over andere percelen die zich evenzeer voor bebouwing met maïs zouden lenen. Zij hadden echter in 2001 geen reden om daaraan de voorkeur te geven. Nu binnen verweerders organisatie tijdig onder ogen gezien is, dat men appellanten door de beslissing over het jaar 1999 ten onrechte in de waan bracht, dat hun perceel nr. 3 in verband met de ruilverkaveling als akkerland beschouwd zou worden, acht het College het in strijd met het vertrouwensbeginsel, dat verweerder de zaak op zijn beloop heeft gelaten en zonder enige waarschuwing vooraf, op grond van de constatering dat het perceel tussen 1987 en 1991 als grasland in gebruik is geweest, tot weigering van de akkerbouwsteun over het jaar 2002 is overgegaan, zonder met appellantes belangen op enigerlei wijze rekening te houden."

Op grond hiervan heeft het College het beroep van appellanten tegen het besluit van 5 november 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op het bezwaar beslist.

Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit opnieuw op het bezwaar beslist.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

"U bent bij uw Aanvraag oppervlakten 2001 uitgegaan van informatie, die door LASER erkend werd blijkens de beslissing op uw Aanvraag oppervlakten 1999. U kon en mocht verwachten dat het perceel ook in de toekomst als akkerland zou worden geaccepteerd. Dit geldt temeer daar u tevens over andere percelen beschikt welke u had kunnen bebouwen met maïs. U heeft hier echter, gelet op de beslissing op uw Aanvraag oppervlakten 1999, geen reden toe gehad. Hoewel LASER op de hoogte was van het felt dat de acceptatie van het perceel met volgnummer 3 in 1999 ten onrechte is geschied, heeft LASER verzuimd u hiervan tijdig op de hoogte te stellen. Door de weigering van akkerbouwsteun voor het betreffende perceel in het kader van uw Aanvraag oppervlakten 2001, zonder enige waarschuwing vooraf, heeft LASER in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Dit zal worden gecorrigeerd, in die zin dat u alsnog recht heeft op een akkerbouwbijdrage voor het perceel met volgnummer 3 over het jaar 2001.

Ik merk echter nadrukkelijk op dat het perceel met volgnummer 3 niet voldoet aan het gestelde in artikel 4, eerste lid, onder aanhef, van de Regeling in combinatie met artikel 1, onder l, van de Regeling. U komt ten aanzien van dit perceel dientengevolge in volgende jaren niet in aanmerking voor een akkerbouwsubsidie. U dient bij het indienen van eventuele aanvragen in volgende verkoopseizoenen hiermee rekening te houden. Het bovenstaande geeft mij in deze heroverweging van het besluit van de teammanager aanleiding het besluit van de teammanager te herroepen.

Conclusie

Ik verklaar uw bezwaren gedeeltelijk gegrond, in zoverre dat u in het kader van uw Aanvraag oppervlakten 2001 recht heeft op een akkerbouwbijdrage voor het perceel met volgnummer 3.

Het perceel voldoet echter niet aan de definitie akkerland, en zal dan ook in volgende verkoopseizoenen niet wederom in aanmerking komen voor een akkerbouwbijdrage.

Dit betekent dat u recht heeft op een akkerbouwbijdrage voor 2,70 hectare maïs in productieregio 2 ten bedrage van € 1.124,26. Dit bedrag zal op uw bankrekening (…) worden overgemaakt."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

"Wij gaan niet akkoord met de gedeeltelijke tegemoetkoming van ons bezwaar. Met name met de interpretatie van de beslissing van het CBb dat de percelen in volgende verkoopseizoenen niet wederom in aanmerking komen voor een akkerbouwbijdrage kunnen wij niet akkoord gaan.

Gezien het feit dat ons beroep gegrond is verklaard en uw bestreden besluit voor vernietiging is gekomen mogen wij ons wederom beroepen op het vertrouwensbeginsel. De uitspraak van het CBb zien wij als een formele bevestiging van de wijziging definitie akkerland per 01-01-1999."

5. De beoordeling van het geschil

Het geschil betreft de vraag of verweerder gehouden was om appellanten naar aanleiding van de uitspraak van het College van 3 oktober 2003 verder tegemoet te komen dan hij bij het bestreden besluit heeft gedaan.

Het College is van oordeel dat verweerder daartoe niet gehouden was. Uit de uitspraak van 3 oktober 2003 blijkt duidelijk dat voor perceel nr. 3 geen akkerbouwsteun kan worden toegekend, aangezien het perceel niet aan de voorwaarden voldoet. Slechts ten aanzien van het jaar 2001 (in de uitspraak staat per abuis 2002) is geoordeeld dat weigering van akkerbouwsteun, zonder met de belangen van appellanten op enigerlei wijze rekening te houden, in strijd wordt geacht met het vertrouwensbeginsel. Reden hiertoe was dat binnen verweerders organisatie in 2001 bekend was dat het perceel niet aan de voorwaarden voldeed, maar dat verweerder appellanten hiervan niet op de hoogte had gebracht, terwijl dezen op grond van eerdere informatie in de veronderstelling verkeerden dat het perceel wel aan de voorwaarden voldeed. Voor de jaren na 2001 ligt de situatie anders, omdat verweerder appellanten bij het besluit van 21 januari 2002 ervan in kennis had gesteld dat het perceel niet aan de voorwaarden voldeed. Bij het indienen van aanvragen om akkerbouwsteun voor de jaren na 2001 waren appellanten hiervan derhalve op de hoogte en konden zij hiermee rekening houden. Onder die omstandigheden kan niet met vrucht worden gesteld dat appellanten erop mochten vertrouwen dat verweerder hen ook na 2001 voor steun voor het betreffende perceel in aanmerking zou laten komen.

Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2005.

w.g. J.A. Hagen w.g. F.W. du Marchie Sarvaas