Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT6093

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-05-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
AWB 03/737
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Regeling superheffing 1993

overdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

AWB 03/737 3 mei 2005

10720 Regeling superheffing 1993

overdracht

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

A, te X, verzoeker,

gemachtigde: mr. F.W. van Dijk, advocaat te Wageningen,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. F.G.P. Diermanse, werkzaam bij verweerder.

1. De feiten en het geschil

Bij besluit van 31 januari 2003 heeft verweerder afgewezen een op 27 februari 2002 van verzoeker ontvangen verzoek om registratie van de overdracht van een fabrieksquotum van 20.000 kilogram melk ingevolge de Regeling superheffing 2003. De reden hiervoor is dat die transactie kennelijk ten doel heeft het voor verzoekers bedrijf geldende representatieve vetgehalte (4,10%) te vervangen door een hoog vetgehalte (7,73%), dat niet representatief is voor de situatie op verzoekers bedrijf.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 21 februari 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 mei 2003 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard.

Op 16 juni 2003 heeft verzoeker bij het College beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2003. Dit beroep is bij het College geregistreerd met kenmerk AWB 03/658.

Bij brief van 4 juli 2003, ontvangen ter griffie van het College op 7 juli 2003, heeft verzoeker zich tevens tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, primair ertoe strekkende dat de door verzoeker geproduceerde en geleverde melk tot de uitspraak in het hoofdgeding buiten iedere heffing zal blijven.

Desgevraagd heeft verzoeker de voorzieningenrechter bij brief 4 augustus 2003 medegedeeld dat het verzoek om voorlopige voorziening, gelet op de omstandigheid dat het hoofdgeding in september 2003 door het College zal worden behandeld, kan worden aangehouden in afwachting van de uitspraak in het hoofdgeding.

Bij uitspraak van 29 oktober 2003 heeft het College het beroep van verzoeker met kenmerk AWB 03/658 gegrond verklaard, het besluit van 6 mei 2003 vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaarschrift van verzoeker van 21 februari 2003 moet beslissen. Deze uitspraak is te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer: AO1030.

Bij brief van 19 november 2003 heeft verzoeker zich tot verweerder gewend met het verzoek ten spoedigste over te gaan tot registratie van de door verzoeker op 27 november 2002 aangemelde transactie.

Bij besluit van 4 december 2003 heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoeker gegrond verklaard.

Bij faxbericht van 5 december 2003 heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. Bij deze gelegenheid heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bij brief van 8 december 2003 is verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het verzoek om proceskostenveroordeling te reageren.

Bij brief van 15 december 2003 heeft verweerder de voorzieningenrechter een schriftelijke reactie op het verzoek om proceskostenveroordeling doen toekomen.

2. De beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het verzoekschrift geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb in de kosten worden veroordeeld.

In de uitspraak van 29 oktober 2003 (AWB 03/658, www.rechtspraak.nl; LJ-Nummer: AO1030) heeft het College, voor zover thans van belang, het besluit van verweerder d.d. 6 mei 2003 vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van verzoeker van 21 februari 2003, met inachtneming van het in die uitspraak overwogene.

Uit het lichaam van die uitspraak blijkt dat de vernietiging van het bestreden besluit voortvloeit uit de conclusie dat het besluit een deugdelijke motivering ontbeert en wegens strijd met artikel 7:12 Awb moet worden vernietigd.

Gelet op hetgeen partijen in de stukken over en weer hebben gesteld, is er in het voorliggende geval geen, althans onvoldoende, aanleiding om het besluit van verweerder van 4 december 2003 naar zijn inhoud als een rechtstreeks gevolg van de uitspraak van het College van 29 oktober 2003 te beschouwen, zodat de voorzieningenrechter het er voor houdt dat hier sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb.

Het verzoek om kostenveroordeling komt derhalve kennelijk voor toewijzing in aanmerking. In verband hiermee wordt verweerder veroordeeld in de kosten van het geding die overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 1 (verzoekschrift) x 1 (gewicht) x € 322,-- = € 322,--.

Het griffierecht dient ingevolge het bepaalde bij artikel 8:82, derde lid, Awb door de griffier aan verzoeker te worden terugbetaald.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto de artikelen 8:84 en 8:54 Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb toe;

- veroordeelt verweerder in de kosten die verzoeker in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft

moeten maken, welke kosten worden begroot op € 322,-- (zegge: driehonderd tweeëntwintig euro);

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden;

- bepaalt dat het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 116,-- (zegge: honderd zestien euro) door de griffier wordt

terugbetaald; en

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2005.

w.g. R.R. Winter w.g. M.S. Hoppener