Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT6081

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-04-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
AWB 04/123
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling energievoorzieningen non-profit

en bijzondere sectoren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 04/123 7 april 2005

27366 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling energievoorzieningen non-profit

en bijzondere sectoren

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Evean (voorheen Stichting Evean Zorg), te Amsterdam, appellante,

gemachtigde: mr. M. Boyer, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Cromheecke, werkzaam bij verweerders agentschap Senter/Novem.

1. De procedure

Bij een op 9 februari 2004 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellante beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 december 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van verweerder op appellantes aanvraag om subsidievaststelling in het kader van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren

(Stcrt. 1998, 46, nadien gewijzigd; hierna: Subsidieregeling) ongegrond verklaard.

Bij brief van 5 april 2004 heeft appellante het beroepschrift voorzien van gronden.

Bij brief van 3 mei 2004 heeft verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brief van 10 maart 2005 heeft appellante nog een stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2005, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen de heer G.A. Masseling, adviseur van de Raad van Bestuur van appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 4:46

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:

(…);

c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,

(…).”

Artikel 2 van de Subsidieregeling bepaalde ten tijde hier van belang het volgende:

“ 1. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

- (…) een stichting, daaronder niet begrepen een vereniging of een stichting die ingegevolge artikel 70, eerste lid, van de Woningwet is aangewezen als uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam;

(…)

4. Geen subsidie wordt verstrekt:

a. indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de koop van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan anders dan terzake van het energie-advies dat hem tot de koop van de voorzieningen heeft doen besluiten;

(…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een daartoe bestemd formulier, ondertekend op 6 december 2001 en door verweerder ontvangen op 11 december 2001, heeft appellante subsidie op grond van de Subsidieregeling aangevraagd voor HF verlichtingsarmaturen, een warmte-terugwin-installatie, een warmtepomp en een hoogrendementsketel (hierna: voorzieningen).

- Bij brieven van 18 februari 2002, 13 maart 2002 en 2 april 2002 heeft verweerder appellante verzocht om, indien de opdracht reeds is gegeven, een kopie van de opdracht of orderbevestiging.

- Bij brieven van 25 maart 2002 en 15 april 2002 heeft appellante verweerder bericht dat de opdracht reeds mondeling is gegeven en dat, zodra de schriftelijke opdracht is verzonden, een kopie daarvan aan verweerder wordt toegezonden.

- Bij besluit van 10 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag om subsidie gedeeltelijk ingewilligd, zulks tot een bedrag van maximaal € 19.865,--.

- Bij een daartoe bestemd formulier, ondertekend op 28 februari 2003 en door verweerder ontvangen op 5 maart 2003, heeft appellante een aanvraag tot vaststelling van verleende subsidie ingediend.

- Bij brieven van 5 augustus 2003 en 29 augustus 2003 heeft verweerder appellante verzocht om toezending van een kopie van de hoofdopdracht van Thuiszorg Zaanstreek Waterland aan hoofdaannemer Tijmstra Bouw B.V. (hierna: Tijmstra).

- Bij brief van 15 september 2003 heeft appellante verweerder een kopie van de overeenkomst tussen haar en Tijmstra toegezonden.

- Op 24 september 2003 heeft appellante verweerder desgevraagd meegedeeld dat de eerste termijnfactuur van de opdracht op 22 september 2001 door Tijmstra aan appellante is verstuurd. Van dit gesprek is door verweerder een telefoonnotitie gemaakt.

- Bij besluit van 29 september 2003 heeft verweerder de subsidie op nihil vastgesteld.

- Bij brief van 23 oktober 2003 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 27 november 2003 is appellante uitgenodigd het bezwaarschrift tijdens een hoorzitting toe te lichten. Bij deze gelegenheid is appellante tevens verzocht voor deze hoorzitting nog een aantal gegevens te verstrekken.

- Bij brief van 3 december 2003 heeft appellante gereageerd op dit verzoek.

- Op 15 december 2003 is appellante naar aanleiding van het bezwaarschrift gehoord. Voorafgaand aan de hoorzitting heeft appellante nog een aantal stukken overgelegd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit van 29 december 2003 genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

“ (…).

Uw bezwaren kunnen niet leiden tot herziening van mijn beslissing van 29 september 2003. Daarbij heb ik het volgende overwogen:

In artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling wordt bepaald dat geen subsidie wordt verstrekt indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de aanschaf van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft, verplichtingen is aangegaan.

Op grond hiervan moet aldus worden bepaald op welk moment de investeringsverplichting is aangegaan. De opdrachtbevestigingen waarnaar u in uw bezwaarschrift verwijst, hebben betrekking op opdrachten die door de hoofdaannemer zijn gegeven aan onderaannemers. Echter, voor de vaststelling van de datum waarop de subsidieaanvrager verplichtingen is aangegaan ter zake van de voorzieningen waarvoor subsidie wordt gevraagd, is in beginsel de datum waarop de aanvrager opdracht heeft gegeven aan de hoofdaannemer doorslaggevend. Immers, na ondertekening van de overeenkomst zijn partijen aan de inhoud ervan gebonden, en kunnen partijen zich niet eenzijdig onttrekken aan hetgeen is overeengekomen. De opdrachten van de hoofdaannemer aan de onderaannemers of leveranciers zijn gegeven op grond van de aannemingsovereenkomst inclusief bestekken en andere bijlagen.

Om vast te kunnen stellen of ten tijde van de opstelling van de aannemingsovereenkomst over de voorgenomen energiebesparende investeringen reeds voldoende duidelijkheid bestond, heb ik de door u bij brief van 18 december 2003 verstrekte bestekken bestudeerd. Naar deze bestekken wordt in de bijlage bij de aannemingsovereenkomst verwezen. Uit de bestekken heb ik geconcludeerd dat de investeringen waarvoor u subsidie hebt gevraagd reeds in detail waren bepaald ten tijde van de opstelling van de aannemingsovereenkomst. Overigens hebt u tijdens de hoorzitting op 15 december 2003 bevestigd dat tijdens de eerste onderhandelingen al snel duidelijkheid bestond over de aanschaf van de voorzieningen waarvoor u subsidie hebt gevraagd. U hebt aangegeven dat over de energiebesparende onderdelen niet is onderhandeld, omdat deze investeringen zich zouden terugverdienen.

Gelet op het voorgaande, moet ik concluderen dat ten tijde van de ondertekening van de aannemingsovereenkomst verplichtingen zijn aangegaan ter zake van de voorzieningen waarvoor u subsidie hebt gevraagd. De door u verstrekte aannemingsovereenkomst is ongedateerd. Echter, uit overige door u verstrekte documenten heb ik moeten concluderen dat reeds voorafgaand aan de indiening van de aanvraag - die door mij is ontvangen op 11 december 2001- de hiervoor bedoelde verplichtingen zijn aangegaan. Zo wordt in de door u bij uw vaststellingsverzoek verstrekte overzichten van door Vetim aan Tijmstra in rekening gebrachte termijnen, verwezen naar de opdracht van Tijmstra van 1 november 2001. Nu ter uitvoering van het project dus reeds op 1 november 2001 door de hoofdaannemer opdracht is gegeven aan een onderaannemer met betrekking tot (een deel van) de voorzieningen waarvoor u subsidie vraagt, acht ik het niet aannemelijk dat de aannemingsovereenkomst tussen de aanvrager en de hoofdaannemer van latere datum is dan 1 november 2001.

Tijdens de hoorzitting hebt u opgemerkt dat gedurende de uitvoering van een project allerlei zaken kunnen worden gewijzigd. Deze mogelijkheid tot wijziging van de inhoud van een overeenkomst gedurende de uitvoering van een project, doet echter niet af aan het bestaan van de investeringsverplichting op het moment dat de opdracht is gegeven.

Op grond van het voorgaande kan ik niet anders concluderen dan dat reeds voorafgaand aan de indiening van de aanvraag verplichtingen zijn aangegaan ter zake van de voorzieningen waarvoor u subsidie hebt gevraagd. Nu de Subsidieregeling dwingend bepaalt dat geen subsidie wordt verstrekt indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de koop van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen is aangegaan, kan ik mijn beslissing van 29 september 2003 niet herzien en verklaar ik uw bezwaarschrift ongegrond.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, zakelijk weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder heeft bij appellante een gerechtvaardigd vertrouwen opgewekt dat de subsidie zou worden toegekend. Appellante wijst daartoe allereerst op de absolute formulering van het besluit tot subsidieverlening van 10 juni 2002. Voorts betoogt appellante dat zij bij haar aanvraagformulier van 6 december 2001 alle relevante gegevens heeft verstrekt en dat deze gegevens dezelfde zijn als die zij heeft verstrekt in de vaststellingsprocedure. Appellante meent dat zij aan alle bepalingen van de Subsidieregeling, daaronder begrepen artikel 2, vierde lid, had voldaan. Indien het voor haar duidelijk was geweest dat de subsidie niet zou worden toegekend dan zou zij de investeringen niet of slechts in beperkte mate hebben gepleegd.

Appellante bestrijdt de opvatting van verweerder dat voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag op 11 december 2001 verplichtingen zijn aangegaan terzake van de voorzieningen waarvoor appellante subsidie had aangevraagd. Appellante betoogt in dit verband dat uit de aard van de overeenkomst met Tijmstra geen resultaatverplichtingen voortvloeiden in de zin dat elk in de overeenkomst opgenomen onderdeel ook op de in het bestek beschreven wijze moest worden uitgevoerd. Omdat de bestek voorwaarden appellante als opdrachtgever voldoende ruimte boden minderwerk voor bepaalde installatieonderdelen te verlangen van de aannemer, bleef het stimuleringskarakter van de Subsidieregeling voldoende gewaarborgd. Voorts was in het budget een bedrag van ca. € 20.000,-- als subsidie voor de voorzieningen opgenomen omdat appellante en Tijmstra moesten kunnen bepalen welke investeringen zouden moeten worden verricht teneinde het gewenste resultaat te bereiken en zorg te dragen voor een juiste subsidieaanvraag. De verplichtingen waaraan partijen gebonden waren vloeiden pas voort uit de overeenkomsten met de onderaannemers Vetim en Knook, respectievelijk aangegaan op 2 januari 2002 en 4 maart 2002.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling staat de vraag of verweerder in bezwaar terecht zijn besluit tot vaststelling van de subsidie op nihil heeft gehandhaafd.

5.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante geen recht heeft op subsidie, omdat zij reeds voorafgaand aan de subsidieaanvraag verplichtingen is aangegaan ter zake van de voorzieningen waarvoor subsidie is verleend en dat, ware dit bekend geweest, zulks tot afwijzing van de subsidieverlening zou hebben geleid.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich met juistheid op dit standpunt gesteld. Het College overweegt hiertoe als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante -vóórdat zij de subsidieaanvraag had ingediend- met Tijmstra een schriftelijke aannemingsovereenkomst heeft gesloten waarin zij Tijmstra opdracht heeft verstrekt tot werkzaamheden aan het gebouw aan de Bristolroodstraat 164, waaronder, blijkens de bij deze overeenkomst behorende bestekken, begrepen het aanbrengen van de in geding zijnde voorzieningen. Voorts staat vast dat in de overeenkomst met betrekking tot deze voorzieningen geen opschortende bepalingen zijn opgenomen. Aangezien met betrekking tot de voorzieningen bovendien niet is gebleken van een andere, nadere opdracht van appellante aan Tijmstra, is het College van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met bedoelde overeenkomst voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag verplichtingen is aangegaan ter zake van de voorzieningen waarvoor subsidie was aangevraagd. Dat appellante hier in een later stadium mogelijkerwijs van terug zou hebben kunnen komen doet niet af aan het feit dat deze verplichtingen ten tijde van de subsidieaanvraag waren aangegaan.

Aan de door appellante in beroep overgelegde verklaring van Tijmstra van 9 maart 2005 dat appellante een voorbehoud zou hebben gemaakt met betrekking tot (het tijdstip van) de aanschaf van de voorzieningen, kan in dit verband niet de waarde worden toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Het College neemt hierbij in aanmerking dat deze verklaring eerst geruime tijd na het sluiten van de overeenkomst tussen appellante en Tijmstra is opgesteld en dat deze verklaring niet wordt ondersteund door enig objectief en verifieerbaar gegeven.

Dat Tijmstra volgens appellante pas nadat de subsidieaanvraag was ingediend opdracht heeft verstrekt aan onderaannemers, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ingevolge artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, Subsidieregeling is bepalend op welk moment de opdrachtgever de verplichtingen aangaat. Wanneer de opdrachtnemer de door hem aanvaarde opdracht uitvoert danwel een onderaannemer hiertoe opdracht geeft is niet van belang.

Aangezien appellante bij haar subsidieaanvraag op 11 december 2001 heeft aangegeven dat 17 december 2001 de vermoedelijke datum van opdracht is en zij meergenoemde overeenkomst eerst in de vastellingsprocedure heeft overgelegd, kon appellant aan de subsidietoekenning niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de subsidie ook dienovereenkomstig zou worden vastgesteld.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht en op goede gronden de subsidie op nihil vastgesteld.

5.3 Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2005.

w.g. M. A. Fierstra w.g. A. Venekamp