Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT6075

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-04-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
AWB 04/435
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 04/435 7 april 2005

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A RA, kantoorhoudende te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 26 maart 2004.

1. De procedure

Bij brief van 24 maart 2003 heeft appellant bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen C RA, kantoorhoudende te D (hierna: betrokkene).

Bij uitspraak van 26 maart 2004 heeft de raad van tucht beslist op de klacht.

Bij een op 24 mei 2004 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College.

De raad van tucht heeft bij brief van 28 mei 2004 stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 5 juli 2004 heeft betrokkene gereageerd op het beroepschrift.

Op 1 februari 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Aldaar waren aanwezig appellant en betrokkene, bijgestaan door mr. J. Italianer, advocaat te Amsterdam. Aan de kant van appellant is tevens verschenen de heer R.H. Veenstra RA.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing. Tegen de feitenvaststelling door de raad van tucht heeft appellant een middel voorgedragen, waarop het College in de beoordeling zal ingaan.

3. De middelen van beroep

Appellant heeft tegen de bestreden tuchtbeslissing voor zover deze betreft de klachtonderdelen 1, 3 en 4 de volgende middelen voorgedragen.

3.1 In het eerste middel betoogt appellant dat de raad van tucht in rubriek 2 van de bestreden tuchtbeslissing ten onrechte onvermeld heeft gelaten dat appellant bij zijn onderzoek naar de jaarrekeningen 1997, 1998 en 1999 van E B.V. (hierna: E) is gestuit op ernstige vermoedens dat verschuivingen in de resultaten van E bij de overgang in 1997/1998 en 1998/1999 hadden plaatsgevonden en dat hij aanvullend onderzoek daarnaar heeft aanbevolen. Voorts is in deze rubriek ten onrechte niet vermeld dat het onderzoek van betrokkene in het verlengde lag van door appellant verricht onderzoek.

3.2 Appellant betoogt in het tweede middel dat de bestreden tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 44 Wet RA, omdat deze niet met redenen omkleed is.

3.3 Het derde middel richt zich tegen de ongrondverklaring door de raad van tucht van klachtonderdeel 1, inhoudende dat het door betrokkene uitgebrachte verslag van bevindingen van 17 juni 2002 (hierna: verslag) een deugdelijke grondslag mist.

3.4 Het vierde middel bestrijdt de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 3. In dit klachtonderdeel heeft appellant geklaagd dat betrokkene het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door appellant niet te horen.

3.5 Tot slot komt appellant in het vijfde middel op tegen de ongegrondverklaring door de raad van tucht van klachtonderdeel 4, dat erover klaagt dat betrokkene niet onpartijdig heeft gerapporteerd.

4. De beoordeling

4.1 Met betrekking tot het tweede middel overweegt het College als volgt.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, Wet RA is de beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar op straffe van nietigheid met redenen omkleed. De motivering moet enerzijds zowel de betrokken accountant als de klager(s) voor de raad van tucht in staat stellen hun rechten te verdedigen en moet anderzijds het College in staat stellen zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.

De raad van tucht heeft ten aanzien van de klachtonderdelen 1, 3 en 4 als volgt overwogen:

"Klager heeft, tegenover de uitvoerige en gemotiveerde weerspreking daarvan door betrokkene, de aan de onderdelen 1), 3) en 4) van de klacht ten grondslag liggende feiten niet aannemelijk gemaakt, zodat de klacht in deze onderdelen reeds daarom faalt.”

Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht hiermede niet aan zijn motiveringsplicht voldaan. Uit ’s raads beslissing is niet op te maken welke specifieke aan de klacht ten grondslag liggende feiten naar zijn oordeel niet aannemelijk zijn gemaakt en welke van de vele door betrokkene tegen de klacht ingebrachte argumenten hij daarbij op het oog heeft gehad. Derhalve geeft de tuchtbeslissing (voor zover in beroep aan de orde) onvoldoende inzicht in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang en onvoldoende blijk van een eigen en zelfstandige beoordeling van de klacht door de raad van tucht.

Dit betekent dat het tweede middel doel treft en het beroep derhalve gegrond is.

4.2 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de tuchtbeslissing (voor zover in beroep aan de orde) dient te worden vernietigd. Het College kan de zaak, gezien de beschikbare gegevens en in aanmerking genomen dat betrokkene heeft verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben, zelf afdoen. Gelet hierop kan behandeling van de overige middelen achterwege blijven. De in dat kader door appellant aangevoerde argumenten en hetgeen betrokkene daartegenin heeft gebracht zullen in het onderstaande bij de beoordeling van de overgebleven klachtonderdelen worden betrokken. Hierbij wordt uitgegaan van de door de raad van tucht vastgestelde feiten, mede in aanmerking genomen hetgeen appellant daaromtrent in het eerste middel heeft gesteld.

4.3 Betrokkene heeft in opdracht van de heer F (hierna: F) onderzoek verricht ten behoeve van een door G B.V. (hierna: G) tegen hem gevoerde arbitrageprocedure omtrent de koop en verkoop van aandelen E. Het onderzoek was er op gericht in de administratie van E vast te stellen of van verschuivingen in de resultaten sprake is geweest en zo ja, wat de aard en omvang daarvan is en in welke omstandigheden deze verschuivingen zouden hebben plaatsgevonden. Het betrof meer in het bijzonder zes verschuivingen ontleend aan de door G in bedoelde procedure ingebrachte Memorie van Repliek in Conventie. De opdracht was tot deze verschuivingen ook beperkt.

In tegenstelling tot hetgeen appellant betoogt heeft betrokkene geen onderzoek verricht naar de juistheid van de jaarrekeningen 1997, 1998 en 1999 van E. Betrokkene heeft deze overigens niet gemotiveerde stellingen uitdrukkelijk betwist en ook het door hem uitgebrachte verslag van bevindingen van 17 juni 2002 bevat geen aanknopingspunten voor de ruime opdracht zoals door appellant gesteld. Voor zover de klacht van deze veronderstelling uitgaat, mist zij derhalve feitelijke grondslag.

4.3.1 Ingevolge artikel 11 GBR-1994 doet de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, en draagt hij er zorg voor dat zijn mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid. Dit artikel heeft tevens betrekking op de zorgvuldigheid die in acht moet worden genomen bij de voorbereiding van een document, bevattende de uitkomst van de arbeid van een registeraccountant, zoals een door hem opgesteld verslag.

Ingevolge artikel 33 GBR-1994 is het de registeraccountant verboden een oordeel te geven omtrent de arbeid van een andere accountant alvorens hem in de gelegenheid te hebben gesteld inlichtingen te geven.

4.3.2 Vaststaat dat het onderzoek van betrokkene niet was gericht op appellant, noch op diens bevindingen neergelegd in de brieven van 25 oktober 2001, 16 november 2001 en 5 december 2001. Betrokkene heeft onderzoek verricht naar verschuivingen die zijn genoemd in evenbedoelde Memorie van Repliek in Conventie en is daarbij kennelijk tot een andere analyse gekomen dan in genoemde Memorie is neergelegd. Hoewel in deze Memorie wordt gesteld dat een en ander zou zijn gebleken uit een door appellant ingesteld boekenonderzoek, brengt de omstandigheid dat de bevindingen van betrokkene verschillen van hetgeen in genoemde Memorie is gesteld niet met zich dat betrokkene daarmee een oordeel over de arbeid van appellant heeft gegeven. In de rapportage van zijn bevindingen wordt geenszins uitgesloten dat appellant relevante feiten anders waardeert, noch wordt het oordeel van appellant in twijfel getrokken. Het College acht in dit verband van belang dat betrokkene in zijn verslag heeft volstaan met een feitelijke weergave van appellants bevindingen en zijn eigen bevindingen op een zakelijke en neutrale wijze heeft geformuleerd zonder deze expliciet noch impliciet in verband te brengen met het werk van betrokkene. Met name hierin is het verschil gelegen met het oordeel van het College in de zaak 03/936 dat appellant in zijn brief van 5 december 2001 -in strijd met artikel 33 GBR-1994- een oordeel heeft gegeven omtrent de arbeid van H RA. Het College tekent hierbij bovendien aan dat, anders dan in evenvermelde zaak, appellant in het klaagschrift noch ter zitting van het College concreet heeft kunnen aangeven waar in het verslag betrokkene over zijn werk heeft geoordeeld. Bovendien heeft betrokkene in het verslag van bevindingen uitdrukkelijk gewezen op de beperkte reikwijdte van het onderzoek, dat zijn opdracht niet strekt tot het geven van een oordeel over andere deskundigen, waaronder (register)accountants en dat geen oordeel wordt uitgesproken over de werkzaamheden die door andere deskundigen zijn verricht.

Het College is derhalve van oordeel dat betrokkene in het verslag geen oordeel heeft gegeven omtrent de arbeid van appellant, zodat betrokkene niet gehouden was appellant ingevolge artikel 33 GBR-1994 in de gelegenheid te stellen inlichtingen te geven.

4.3.3 Evenmin bestaan aanknopingspunten voor de conclusie dat betrokkene bij de voorbereiding van zijn verslag gehouden was appellant op grond van artikel 11 GBR-1994 te horen. Het College overweegt hiertoe dat appellant niet (zodanig nauw) betrokken was bij de verschuivingen die zijn onderzocht dat horen onontbeerlijk was, terwijl hij ook geen steekhoudende argumenten naar voren heeft gebracht voor de opvatting dat het niet toepassen van hoor en wederhoor afbreuk heeft gedaan aan de deugdelijkheid van dit verslag. Voorts heeft betrokkene in zijn verslag uiteengezet wat de grondslag is geweest voor het onderzoek. Daarbij heeft hij duidelijk aangegeven welke informatie hij wel en niet heeft gebruikt.

4.3.4 Ook anderszins is niet gebleken van argumenten voor het oordeel dat betrokkene ondeugdelijk werk heeft afgeleverd. Het College overweegt hiertoe dat appellant in zijn klaagschrift slechts in algemene zin heeft geklaagd over de deugdelijkheid van het door betrokkene uitgebrachte verslag. Mede gezien de omvang van het verslag (het verslag telt 33 bladzijden) lag het op de weg van appellant bij het indienen van de klacht te preciseren tegen welke concrete mededelingen in het verslag zijn bezwaren waren gericht en op welke argumenten deze bezwaren waren gebaseerd.

Voor zover appellant in zijn algemeenheid klaagt dat het verslag deugdelijke grondslag ontbeert omdat de balansdossiers 1997, 1998 en 1999 in de administratiedossiers van E ontbreken en dat in het verslag is volstaan met het reageren op een beperkt aantal stellingen uit een Memorie van G in plaats van de (volledige) jaarrekeningen 1997, 1998 en 1999 te onderzoeken, moet worden geoordeeld dat deze klacht, zoals hiervoor onder 4.3 overwogen, uitgaat van een onjuiste veronderstelling. Betrokkene heeft immers geen onderzoek verricht naar de juistheid van de jaarrekeningen 1997, 1998 en 1999 van E. Daarbij komt dat, zoals hiervoor onder 4.3.2 en 4.3.3 overwogen, betrokkene in zijn verslag uitdrukkelijk heeft gewezen op de beperkte reikwijdte van het onderzoek en hij duidelijk heeft aangegeven welke informatie hij wel en niet heeft gebruikt. Zonder nadere motivering van de kant van appellant valt voorts niet in te zien dat en waarom betrokkene in zijn verslag rekening had moeten houden met de specifieke inlichtingen die appellant bij brief van 8 maart 2002 aan I Accountants had gevraagd.

4.3.5 Uit het voorgaande vloeit voort dat de klachtonderdelen 1 en 3 ongegrond zijn. Klachtonderdeel 2 is in beroep niet gehandhaafd.

4.4 Het vierde klachtonderdeel klaagt erover dat betrokkene artikel 9 GBR-1994 heeft overtreden, omdat hij geen onpartijdig onderzoek heeft uitgevoerd en niet onpartijdig heeft gerapporteerd.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, GBR-1994 is de registeraccountant onpartijdig in zijn oordeel. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, indien de registeraccountant een bijzonder belang vertegenwoordigt, hij is gehouden ervoor zorg te dragen dat zulks aan de betrokkenen kenbaar is.

In het verslag van bevindingen heeft betrokkene vermeld dat hij het onderzoek in opdracht van F heeft verricht in het kader van de arbitrageprocedure. Hiermee is kenbaar dat hij een bijzonder belang vertegenwoordigde. In het kader van dit onderzoek heeft betrokkene feiten verzameld teneinde de aan hem gestelde onderzoeksvraag te beantwoorden. Daarbij heeft betrokkene blijkens het verslag gebruik gemaakt van een veelheid aan bronnen zodat, anders dan appellant betoogt, geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat betrokkene uitsluitend en hoofdzakelijk op verklaringen van F is afgegaan. Het College is niet gebleken dat betrokkene daarbij niet onpartijdig in zijn oordeel is geweest. De omstandigheid dat J en K van L in hun brief van 8 maart 2002 vermelden dat deskundigen van M (bijvoorbeeld die van N) hun indrukken delen met betrekking tot de brieven van appellant van 25 oktober 2001, 16 november 2001 en 5 december 2001 betekent niet dat betrokkene niet objectief te werk is gegaan. Daar komt bij dat uit het verslag van betrokkene ook niet blijkt dat hij de bevindingen van J en K onderschrijft. Evenmin komen de bevindingen van laatstgenoemden (mede) voor rekening van betrokkene op grond van de mededeling in de betreffende brief van 8 maart 2002 dat deskundigen van M hun indrukken delen. Dat in de Aanvullende Memorie van Antwoord van F in de arbitrageprocedure, naar appellant meent ten onrechte, is gesteld dat appellant de mogelijkheid zou hebben gekregen om zijn visie te geven op de bevindingen van betrokkene, doch dat hij hiervan heeft afgezien, regardeert betrokkene niet, omdat hij dit geschrift niet heeft opgesteld.

De conclusie is dat klachtonderdeel 4 eveneens ongegrond is.

4.5 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat de klacht, voor zover in beroep nog aan de orde, ongegrond is.

De hierna te vermelden beslissing berust op titel II van de Wet RA en de artikelen 9, 11 en 33 GBR-1994.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing van de raad van tucht voor zover in beroep aan de orde;

- verklaart de klacht, voor zover in beroep aan de orde, ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. J.L.W. Aerts en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2005.

w.g. M.A. Fierstra w.g. A. Venekamp

R a a d van T u c h t voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

BESLISSING van 26 maart 2004 in de zaak met nummer R 407 van

A,

registeraccountant

kantoorhoudende te B,

K L A G E R,

t e g e n

C,

registeraccountant,

kantoorhoudende te D,

B E T R O K K E N E.

1. Het verloop van de procedure

1.1 De Raad van Tucht heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewissel-de en aan partijen bekende stukken, waaronder:

(a) het klaagschrift, met bijlagen, van 24 maart 2003;

(b) het verweerschrift, met bijlagen, van 22 mei 2003.

1.2 De Raad heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 10 september 2003, waar aanwezig waren - aan de zijde van klager - klager A RA in persoon, tot bijstand vergezeld van mr. J. Mentink, advocaat te Rotterdam, en R.H. Veenstra RA en

- aan de zijde van betrokkene - betrokkene C RA in persoon, tot bijstand vergezeld van mr. J. Italianer, advocaat te Amsterdam, en N RA (van M N.V.).

1.3 Partijen hebben bij gelegenheid van voor-mel-de zitting hun standpunten toegelicht (de advocaten aan de hand van hun aan de Raad overgelegde pleitnotities) en geantwoord op vragen van de Raad van Tucht.

1.4 De inhoud van de gedingstukken, waaronder ook voormelde pleitnotities, geldt als hier ingevoegd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad van Tucht het volgende vast.

2.2. Klager heeft in opdracht van G B.V. onderzocht of de jaarrekeningen 1997, 1998 en 1999 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “E B.V.” (E) met inachtneming van artikel 2:362 lid 1 BW waren opgesteld op basis van een administratie die diende te voldoen aan artikel 2:10 leden 1 tot en met 4 BW.

2.3 Omtrent evenvermeld onderzoek heeft klager bij brieven van 25 oktober 2001, 16 november 2001 en 5 december ten behoeve van G B.V. verslag van zijn bevindingen gedaan.

2.4 Betrokkene heeft - mede naar aanleiding van de rapportages van klager - in opdracht van F ten behoeve van een arbitrageprocedure een onderzoek ingesteld, teneinde in de administratie van E vast te stellen of van vermeende verschuivingen in de resultaten daadwerkelijk sprake is geweest en, zo ja, welke de aard en de omvang daarvan zijn en in welke relevante omstandigheden deze verschuivingen zouden hebben plaatsgevonden.

2.5 Van zijn bevindingen heeft betrokkene verslag gedaan in zijn rapport aan genoemde F van 17 juni 2002.

3. De klacht

3.1 De klacht, zoals ter zitting door de raadsman van klaagster samengevat, houdt het volgende in.

1) Betrokkenes rapport van 17 juni 2002 mist een deugdelijke grondslag. Dit zou hoogstwaarschijnlijk anders zijn geweest als betrokkene de moeite had genomen informatie bij klager in te winnen. Dit geldt temeer daar betrokkene kennis had genomen van de rapporten van klager.

2) Betrokkene heeft zijn opdracht verkregen door de reputatie van klager te (doen) beschadigen en daarop een ongevraagde dienstaanbieding aan F te baseren.

3) Betrokkene heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door klager niet te horen. In het rapport van betrokkene staat op pagina 4 dat hij wel contact heeft gezocht met de vroegere accountants van E, I en O, doch de vraag rijst waarom niet met klager.

4) Betrokkene heeft niet onpartijdig gerapporteerd. Blijkens de inhoud van de brief van 8 maart 2002 van M had betrokkene reeds bij aanvang van zijn onderzoek de schijn tegen zich. Die schijn van partijdigheid had betrokkene moeten wegnemen door hetzij in zijn rapport duidelijk afstand te nemen van de gewraakte passage uit die brief, hetzij vóór het aanvaarden van zijn opdracht contact met klager op te nemen.

5) Met de hiervoor in de punten 1) tot en met 4) van de klacht bedoelde gedragingen heeft betrokkene de eer van de stand der registeraccountants geschaad.

4. De gronden van de beslissing

4.1 Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad van Tucht als volgt.

4.2 Klager heeft, tegenover de uitvoerige en gemotiveerde weerspreking daarvan door betrokkene, de aan de onderdelen 1), 3) en 4) van de klacht ten grondslag liggende feiten niet aannemelijk gemaakt, zodat de klacht in deze onderdelen reeds daarom faalt.

4.3 Uit de mededeling van klagers raadsman ter zitting dat klager zich gezien het gevoerde verweer wat betreft de punten 2) en 5) van de klacht refereert aan het oordeel van de Raad van Tucht, begrijpt de Raad dat deze klachtonderdelen niet worden gehandhaafd.

4.4 Voorzover klager echter heeft bedoeld de onderdelen 2) en 5) van de klacht wel te handhaven, zijn deze ongegrond op de gronden zoals door de advocaat van betrokkene, mr. Italianer, ter zitting uiteengezet.

4.5 Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden, waaruit moet worden afgeleid dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, dient de klacht op grond van het vorenstaande in alle onderdelen onge-grond te worden verklaard, zodat als volgt moet worden beslist.

5. De beslissing

De Raad van Tucht verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.H.M. Willems, voorzitter, mr. A.J. Coster RA en J.W. Schallenberg RA, leden, in aanwezigheid van W. Welmers, adjunct-secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2004.

__________ __________

(adjunct-)secretaris voorzitter