Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT5832

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-05-2005
Datum publicatie
19-05-2005
Zaaknummer
AWB 02/1962
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie 19
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Besluit verdachte dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/241 met annotatie van LJMT
JIN 2005/366 met annotatie van Timmermans
AB 2005, 282 met annotatie van J.H. van der Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 02/1962 17 mei 2005

11230 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te Kootwijkerbroek, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. J.C.M. Oudshoorn en mr. M.T. Veldhuizen, beiden werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 13 december 2002, bij het College binnengekomen op 16 december 2002, beroep ingesteld tegen een besluit van de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: Directeur RVV) van 5 november 2002.

Bij dit besluit heeft de Directeur RVV ongegrond verklaard de bezwaren die appellant had gemaakt tegen een besluit van de Directeur RVV van 29 maart 2001. Bij dit besluit heeft de Directeur RVV onder toepassing van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) en het Besluit verdachte dieren (hierna: Besluit) de evenhoevige dieren van appellant verdacht verklaard van mond- en klauwzeer, en appellant op grond van de Gwd een aantal maatregelen opgelegd respectievelijk aangezegd in verband met deze verdenking, waaronder vaccinatie en vervolgens doding van deze dieren.

Bij brief van 30 december 2002 heeft appellant een aanvullend beroepschrift ingediend.

Op 25 februari 2003 heeft het College van verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen.

Op 9 januari 2004 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2004. Namens appellant heeft ir. W.O. van Middendorp te Hoog-Karspel de zitting bijgewoond en verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigden zijn standpunt toegelicht. Aan de zijde van verweerder zijn ter zitting tevens aanwezig geweest drs. A.M. Akkerman, plaatsvervangend Chief Veterinary Officer van verweerders ministerie, drs. E. van Rooij en drs. A. Dekker, beiden werkzaam bij het Centraal Instituut voor DierziektenControle (CIDC) te Lelystad, alsmede drs. P.F. de Klerk, werkzaam bij de Voedsel en Warenautoriteit, onderdeel Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer (Pb 1985, L 315, blz. 11, nadien gewijzigd; hierna: richtlijn 85/511/EEG) luidde ten tijde van de primaire besluitvorming, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 1

In deze richtlijn worden de communautaire bestrijdingsmaatregelen vastgesteld die bij het uitbreken van mond- en klauwzeer, ongeacht de betrokken virussoort, moeten worden toegepast.

Artikel 2

Voor deze richtlijn (…) wordt verstaan onder:

(…)

c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop:

- klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op mond- en klauwzeer kunnen duiden, of

- de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na laboratoriumonderzoek;

d) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die klinische symptomen of na het slachten letsels vertonen, zodat met recht de aanwezigheid van mond- en klauwzeer mag worden vermoed;

e) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die - volgens de ingewonnen epizoötiologische inlichtingen - rechtstreeks of onrechtstreeks in contact kunnen zijn geweest met het mond- en klauwzeervirus.

Artikel 4

1. De Lid-Staten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel onderzoek wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig is, en in het bijzonder dat de officiële dierenarts de passende monsters neemt of laat nemen voor laboratoriumonderzoek.

Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij het bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht:

- alle dieren van alle categorieën voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf te tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren in aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren en gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd,

- alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder te brengen op andere plaatsen waar zij geïsoleerd kunnen worden,

- te verbieden dat voor de ziekte vatbare dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht,

- te verbieden dat andere soorten dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht, tenzij de bevoegde autoriteit daartoe vergunning heeft verleend,

- te verbieden dat vlees of kadavers van voor de ziekte vatbare dieren alsmede diervoeders, gereedschap, voorwerpen of andere stoffen, zoals wol of afval, welke mond- en klauwzeer kunnen overbrengen, buiten het bedrijf worden gebracht, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,

- te verbieden dat melk buiten het bedrijf wordt gebracht (…),

- het verkeer van personen komende van of gaande naar het bedrijf afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit,

- de toegang tot of het verlaten van het bedrijf van voertuigen afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit, die de voorwaarden vaststelt om verspreiding van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen,

- geëigende ontsmettingsmiddelen te gebruiken bij de in- en uitgangen van de stallen van de voor ziekte vatbare dieren en van het bedrijf,

- een epizoötiologisch onderzoek uit te voeren overeenkomstig de artikelen 7 en 8.

(…)

Artikel 5

Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in artikel 2, onder c), bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde autoriteit de volgende maatregelen neemt:

1. de officiële dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea;

2. naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de volgende maatregelen getroffen:

- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,

- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,

(…)

3. de onder 1 bedoelde bepalingen kunnen buiten werking worden gesteld wanneer een secundaire besmettingshaard optreedt die epidemiologisch is verbonden met een primaire besmettingshaard waarvoor reeds monsters zijn genomen;

4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd.

Artikel 11

1. De Lid-Staten zien erop toe dat:

- de laboratoriumonderzoeken om de aanwezigheid van mond- en klauwzeer op te sporen, worden verricht door een in de bijlage genoemd nationaal laboratorium; deze bijlage B kan worden gewijzigd of aangevuld volgens de procedure van artikel 17. Uit dit laboratoriumonderzoek moet, zo nodig, en met name bij het eerste optreden van de ziekte, de soort en ondersoort en eventueel de variant van het betrokken virus blijken. De soort of de ondersoort en eventueel de variant van het betrokken virus kunnen zo nodig door een door de Gemeenschap aangewezen controlelaboratorium worden bevestigd,

(...)

Artikel 13

1. De Lid-Staten zien erop toe dat:

(...)

- het manipuleren van mond- en klauwzeervirussen ter fine van onderzoek, diagnostiek en/of het vervaardigen van vaccins alleen plaatsvindt in de erkende inrichtingen en laboratoria die op de lijst in de bijlagen A en B voorkomen,

(...)

BIJLAGE B

Nationale laboratoria die met levend mond- en klauwzeervirus mogen werken

(...)

NEDERLAND Centraal Diergeneeskundig Instituut, Lelystad

(...)

(...)"

De tekst van bijlage B van richtlijn 85/511/EEG is vastgesteld bij Beschikking 92/380/EEG van de Commissie van 2 juli 1992 tot wijziging van de lijst van inrichtingen en laboratoria die met mond- en klauwzeer mogen werken, zoals bepaald in Richtlijn 85/511/EEG (Pb 1992, L 198, blz. 54).

De preambule, alsmede de artikelen 1, 2 en 3 van Beschikking 2001/246/EG van de Commissie van 27 maart 2001 houdende vaststelling van voorschriften voor de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in Nederland op grond van artikel 13 van Richtlijn 85/511/EEG (Pb 2001, L 88, blz. 21), luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

"(…)

(1) In artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG zijn voorschriften vastgesteld met betrekking tot noodvaccinatie.

(…)

(11) Deze beschikking heeft ten doel vast te stellen onder welke voorwaarden Nederland noodvaccinatie mag toepassen.

(…)

Artikel 1

Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:

1. Preventieve doding: het doden van gevoelige dieren op bedrijven in een gebied met een bepaalde straal rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen van toepassing zijn.

Deze doding heeft ten doel het aantal dieren van gevoelige soorten in een besmet gebied snel te doen dalen.

2. Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op geïdentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, die uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als omschreven in punt 1.

Deze vaccinatie heeft ten doel de hoeveelheid circulerend virus en het risico van virusverspreiding buiten het omschreven gebied dringend te verminderen, zonder evenwel vertraging bij het preventief doden te veroorzaken.

Deze vaccinatie mag uitsluitend worden uitgevoerd wanneer het preventief doden van dieren van gevoelige soorten om een van de onderstaande redenen moet worden uitgesteld voor een periode die waarschijnlijk langer is dan de periode die nodig is om virusverspreiding effectief tegen te gaan door immunisatie:

- beperkingen inzake de capaciteit om dieren van gevoelige soorten te doden (…),

- beperkingen inzake de beschikbare capaciteit om de gedode dieren te vernietigen (…).

Artikel 2

1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEG, en met name de artikelen 4, 5 en 9, mag Nederland besluiten gebruik te maken van suppressievaccinatie onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden.

(…)

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

(…)

Bijlage

Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie bij de bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG

1. Omvang van het geografische gebied waar suppressievaccinatie wordt toegepast

Het vaccinatiegebied omvat een gebied met een straal van maximaal 2 km rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen worden toegepast.

(…)."

De Gwd luidde ten tijde hier van belang onder meer als volgt:

"Artikel 15

1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij:

a. vee;

(…)

4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als verdachte dieren moeten worden aangemerkt.

Artikel 17

1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter

voorkoming van overbrenging van besmetting.

(…)

Artikel 21

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester (…) zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.

(…)

3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

(…)

j. het behandelen van dieren op een door Onze Minister aangegeven wijze.

(…)

Artikel 24

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar stelt het tijdstip vast waarop de verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte alsmede het tijdstip waarop deze verdenking eindigt.

2. De in het eerste lid bedoelde tijdstippen worden schriftelijk ter kennis van de houder van het betreffende dier gebracht. (…)

Artikel 31

Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan hij bepalen dat door hem krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij zodanige regeling, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Bekendmakingswet (Stb. 1988, 18), op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken.

Artikel 111

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken van bepalingen van deze wet."

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit worden dieren als verdachte dieren aangemerkt, indien de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is.

De aanhef en artikel 1 van de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001 (Staatscourant 2001, 60) luidde ten tijde van de primaire besluitvorming als volgt:

"De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Gelet op artikel 13, derde lid, van Richtlijn 85/511/EEG (…)

Gelet op de artikelen 17, eerste lid, en 31 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

Besluit:

(…)

Artikel 1

Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van de artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen zone rond de ziektehaard overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Medio maart 2001 is in Nederland mond- en klauwzeer (hierna: mkz) uitgebroken.

- Appellant oefende in die periode een veehouderijbedrijf uit, waar evenhoevige dieren werden gehouden. Het bedrijf van appellant bevindt zich op een afstand van circa 1.046 meter van het voormalige veehouderijbedrijf van B aan de * te Kootwijkerbroek en is derhalve gelegen op een afstand van minder dan twee kilometer van genoemd bedrijf van B.

- Naar aanleiding van een melding van vermoedelijke aanwezigheid van mkz op het bedrijf van B door praktizerend dierenarts Bakker aan de Algemene Inspectiedienst (AID) heeft de RVV een specialistenteam, bestaande uit Terbijhe (dierenarts RVV), Holzhauer (vertegenwoordiger van de Gezondheidsdienst voor Dieren) en Bakker, samengesteld en dit specialistenteam heeft op 20 maart 2001 het bedrijf van B bezocht voor een klinische inspectie van de daar aanwezige kalveren.

Terbijhe heeft op het bedrijf van B bij vier kalveren, waaronder een kalf met levensnummer 2979 3247 1, dubbele bloedmonsters (heparine en serum) afgenomen, alsmede een verzamelmonster wandepitheel.

De negen buisjes waarin de monsters zijn verzameld, zijn elk afzonderlijk door Terbijhe verzegeld met een zegel met barcode RAA0005462. Ook de door Terbijhe ingevulde bloedtaplijst is door hem van deze barcode voorzien, doch niet het provisorisch door hem opgemaakte ongedateerde monsterbegeleidingsformulier. Op de bloedtaplijst heeft Terbijhe voorts een apart zegelnummer (05450) vermeld, waarmee de monsters, na te zijn verpakt in een plastic zak, zijn verzegeld. Per taxi zijn de monsters vervolgens naar onderzoekslaboratorium ID-Lelystad B.V. vervoerd. Door ID-Lelystad B.V. is aan deze monsterinzending DSU-nummer 578835 toegekend (hierna ook: inzending I).

- Op 22 maart 2001 hebben Terbijhe en Bakker op het bedrijf van B nogmaals een klinische inspectie van de evenhoevige dieren uitgevoerd. Terbijhe heeft bij deze gelegenheid weer vier dubbele bloedmonsters bij de kalveren afgenomen, alsmede een verzamelmonster met blaarmateriaal. Voorts heeft hij het zich in de stal bevindende kalf met levensnummer 2979 3247 1 gedood.

De negen buisjes waarin de monsters zijn verzameld, zijn elk afzonderlijk door Terbijhe verzegeld met een zegel met barcode RAA0005451. Deze barcode is niet vermeld op het provisorisch door Terbijhe opgemaakte en ondertekende monsterbegeleidingsformulier. De bloedtaplijst is van een sticker met barcode RAA0005451-XX voorzien en daarop is voorts een apart zegelnummer (05449) vermeld. De monsters, alsmede de kop van het gedode kalf, zijn in een verzegelde plastic zak per taxi vervoerd naar ID-Lelystad B.V.. Door ID-Lelystad B.V. is aan deze monsterinzending DSU-nummer 578763 toegekend (hierna ook: inzending II).

- Op 25 maart 2001 heeft Terbijhe het bedrijf van B wederom bezocht. Na een klinische inspectie van de kalveren zijn onder meer de dertien dieren, die zich in dezelfde stal bevonden waar eerder ook het gedode kalf met levensnummer 2979 3247 1 was gehuisvest, gedood. Bij de kalveren heeft Terbijhe dubbele bloedmonsters afgenomen. Hij heeft bij deze gelegenheid gebruik gemaakt van een officieel 'monsterbegeleidingsformulier'.

De in totaal vijftien dubbele bloedmonsters zijn elk afzonderlijk verzegeld met een zegel met barcodenummer RAA0005467. Dit barcodenummer is tevens vermeld op het officiële monsterbegeleidingsformulier en op de bloedtaplijst. Op de bloedtaplijst is tevens het zegelnummer (20874) vermeld, waarmee naar het zegel wordt verwezen waarmee de monsters in een plastic zak zijn verzegeld. De monsters zijn per taxi naar ID-Lelystad B.V. vervoerd. ID-Lelystad B.V. heeft aan deze monsterzending DSU-nummer 579405 toegekend (hierna ook: inzending III).

- Op 27 maart 2001 is het bedrijf van B geruimd.

- Op 28 maart 2001 heeft RVV-Centraal van ID-Lelystad B.V. een faxbericht ontvangen, waarin onder meer de navolgende tekst is opgenomen:

"(…)

Monsters aangeboden via RVV aan ID-Lelystad

Bedrijf: B., *, (…) KOOTWYKERBROEK

Monsters ingestuurd op naam van bovengenoemd bedrijf zijn POSITIEF bevonden in de virus isolatie op cellen, in een rund en door middel van RT-PCR, voor mond- en klauwzeer.

RVV dieridentificatienr.: zie bijgevoegde bloedtaplijst

(…)"

Bij dit faxbericht is een afschrift van een bloedtaplijst gevoegd, waaruit kan worden opgemaakt dat het heparinemonster 1 van inzending I positief op mkz is getest. Dit monster is afgenomen bij het kalf met levensnummer 2979 3247 1.

Het bedrijf van B is hierop door de Directeur RVV besmet verklaard.

- Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de Directeur RVV appellant medegedeeld dat alle evenhoevige dieren op zijn bedrijf op grond van artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit verdachte dieren met ingang van 29 maart 2001 als verdacht van mkz worden aangemerkt, omdat in de omgeving van het bedrijf van appellant een geval van mkz is vastgesteld, waardoor niet kan worden uitgesloten dat de dieren op het bedrijf van appellant in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet met mkz. In dat verband is het bedrijf van B als primaire besmettingshaard betiteld.

Bij genoemd besluit heeft de Directeur RVV voorts op grond van artikel 21, derde lid, Gwd melding gemaakt van een aantal maatregelen ter bestrijding van mkz-virus en ter voorkoming van verspreiding ervan, waaronder de doding van alle evenhoevige dieren op het bedrijf van appellant. In afwachting van de aangezegde doding zullen de op het bedrijf van appellant aanwezige evenhoevige dieren overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, eerste lid, Gwd worden gevaccineerd tegen mkz.

- Op 1 april 2001 heeft RVV-Centraal van ID-Lelystad B.V. een faxbericht ontvangen, waarin het volgende is vermeld:

"NB!! Het volgende bedrijf is eerder positief bevonden, opnieuw blaardwand materiaal van een eerdere inzending positief gevonden met behulp van virus isolatie op lammerniercellen.

UBN-nummer ** DSU nr.: 578763

Eigenaar B.

(…)"

Op het tweede blad van dit faxbericht staat 16 november 1999 als dagtekening vermeld.

- De evenhoevige dieren van appellant zijn op 6 april 2001 gevaccineerd tegen mkz en op 5 mei 2001 zijn deze dieren gedood.

- Tegen het besluit van 29 maart 2001 heeft appellant bij brief van 7 mei 2001, aangevuld bij brieven van 2 juni 2001 en 7 november 2001, bezwaar gemaakt.

- Appellant heeft afgezien van de mogelijkheid naar aanleiding van zijn bezwaren te worden gehoord.

- Vervolgens hebben verweerder en de Directeur RVV het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep gesteld dat de besmetverklaring van het bedrijf van B, dat de basis vormt voor de verdachtverklaring van het bedrijf van appellant, op onjuiste grondslag is geschied. De argumenten voor deze stelling ontleent appellant voornamelijk aan het door de Stichting Onderzoek MKZ Crisis Kootwijkerbroek opgestelde rapport "Geen enkele twijfel…? De diagnose van MKZ in Kootwijkerbroek. Een reconstructie.". Zakelijk weergegeven luiden de door appellant geformuleerde gronden van beroep als volgt.

3.1 De verdachtverklaring en het besluit tot preventieve ruiming van de evenhoevige dieren op het bedrijf van appellant zijn onrechtmatig, omdat geen primaire besmettingshaard aanwezig was. Het door verweerder aangewezen bedrijf van B kan niet als zodanig worden aangemerkt.

De klinische verschijnselen die zijn geconstateerd bij de op dit bedrijf aanwezige dieren, corresponderen niet met de verschijnselen en symptomen zoals die onder andere zijn vastgelegd in het door verweerders ministerie gehanteerde Draaiboek mkz. Niettemin is, mede door toedoen van RVV-dierenarts Terbijhe, vanaf het begin bij de RVV en bij ID-Lelystad B.V. een beeld van de situatie ontstaan dat niet overeenstemde met de werkelijkheid. Terbijhe heeft bij het opstellen van zijn rapport onzorgvuldig gehandeld. In plaats van de werkelijke waarnemingen van het inspectieteam te vermelden, heeft hij uitsluitend de anamnese van B zelf vermeld op een wijze waardoor deze anamnese werd aangezien voor de eigen waarneming van het inspectieteam. Bij de kalveren op het bedrijf van B waren echter geen blaren aanwezig en was geen lichaamstemperatuur boven 40 graden gemeten. In verband met de geconstateerde klinische verschijnselen bestond geen aanleiding monsters ten behoeve van nader onderzoek te nemen. Appellant is ervan overtuigd dat onjuiste beeldvorming bij de RVV en ID-Lelystad B.V. aangaande de klinische verschijnselen een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de besluitvorming omtrent de vaststelling van mkz in Kootwijkerbroek. Deze beeldvorming heeft een rol gespeeld (-) bij de beslissing om, ondanks diverse negatieve testresultaten, door te testen op de bij de kalveren van B afgenomen monsters, (-) bij de interpretatie van de testuitslagen en (-) bij de beslissing om bij twijfelachtige testresultaten tot besmetverklaring van het bedrijf van B te concluderen.

3.2 Voorts heeft het nemen van de afzonderlijke monsters op het bedrijf van B niet volgens de daarvoor opgestelde procedures plaatsgevonden. In combinatie met hetgeen hiervoor met betrekking tot de klinische verschijnselen bij de kalveren van B is opgemerkt en de hierna te bespreken behandeling van de monsters door medewerkers van ID-Lelystad B.V., heeft deze handelwijze ertoe geleid dat het bedrijf van B ten onrechte besmet is verklaard. Terbijhe heeft zowel bij de monstername op 20 maart 2001 (inzending I) als bij de monstername op 22 maart 2001 (inzending II) geen gebruik gemaakt van een officieel monsterbegeleidingsformulier. De door Terbijhe ter zake zelf opgestelde blanco monsterbegeleidingsformulieren zijn niet voorzien van barcodestickers en het formulier dat betrekking heeft op inzending I is niet door Terbijhe ondertekend. De diverse monsters zijn niet gekoeld per taxi naar ID-Lelystad B.V. vervoerd.

3.3 Niet buiten twijfel is dat het op 28 maart 2001 door ID-Lelystad B.V. besmet bevonden heparinemonster, waarop de besluitvorming van verweerder is gebaseerd, van het bedrijf van B afkomstig is.

In de eerste plaats dienen vraagtekens te worden gezet bij de identificatie van dit heparinemonster. Volgens verweerder is het monster afkomstig van inzending I van 20 maart 2001 met barcodenummer RAA0005462 en DSU-nummer 578835. Blijkens een uitdraai van ID-Lelystad B.V. is door dat instituut aan de monsters met barcodenummer RAA0005462 en DSU-nummer 578835 echter afnamedatum 22 maart 2001 toegekend, terwijl uit het formulier "Samenvatting tracering bedrijf", waarmee de officiële uitslagen van de laboratoriumtesten door de RVV aan B bekend zijn gemaakt, eveneens volgt dat het besmet bevonden heparinemonster op 22 maart 2001 is afgenomen. Deze conclusie kan ook worden getrokken uit de uitslag van het Bureau monstername. Uit een naar aanleiding van verklaringen van medewerker Dekker van ID-Lelystad B.V. opgesteld proces-verbaal blijkt daarentegen dat bedoeld monster op 21 maart 2001 bij ID-Lelystad B.V. is aangeleverd. Voorts valt uit ditzelfde proces-verbaal op te maken dat de op 22 maart 2001 ingezonden monsters, behorende bij inzending II, niet waren voorzien van een barcodesticker, waardoor deze monsters op eenvoudige wijze konden worden verwisseld met andere monsters. In dit verband bevreemdt het appellant dat volgens de RVV op 22 maart 2001 acht bloedmonsters - zijnde vier serummonsters en vier heparinemonsters - zijn ingezonden, terwijl ID-Lelystad B.V. aangeeft slechts vier

- ongemarkeerde - bloedmonsters te hebben ontvangen.

Ook wekt het - aldus appellant - bevreemding dat het aan de monsters van inzending I toegekende DSU-nummer (578835) hoger is, en dus op een later moment is toegekend, dan het aan de monsters van inzending II toegekende DSU-nummer (578763).

3.4 Voorts zet appellant vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de positieve uitslag van de op het heparinemonster van inzending I toegepaste virusisolatietest van 28 maart 2001.

Dit heparinemonster is bij ID-Lelystad B.V. gedurende één week driemaal aan laboratoriumtesten op varkensniercellen onderworpen en deze testen hebben tot en met 27 maart 2001 een negatieve uitslag gehad. Er was geen sprake van het optreden van een cytopathogeen effect (CPE), waaruit de aanwezigheid van mkz-virus zou kunnen blijken. Hoewel bij negatieve testuitslagen niet vaststaat dat geen besmetting aanwezig is, maken de vele negatieve testuitslagen de aanwezigheid van mkz zeer onwaarschijnlijk. Desondanks en vermoedelijk op basis van de onjuiste beeldvorming omtrent de klinische verschijnselen, heeft ID-Lelystad B.V. doorgetest, waarna bij de vierde passage van het heparinemonster op varkensniercellen ineens wel een CPE is waargenomen, zij het niet duidelijk. Een verklaring hiervoor zou kunnen worden gevonden in de omstandigheid dat tussen de derde en de vierde passage contaminatie van het heparinemonster heeft plaatsgevonden. Anders dan verweerder heeft aangegeven, vormt de overstap op 27 maart 2001 naar het testen van het heparinemonster op - gevoeligere - lammerniercellen, volgens appellant, niet de reden voor de positieve uitslag van de vierde passage van het heparinemonster van inzending I.

Verder bestaan bij appellant ernstige twijfels ten aanzien van de juistheid van de uitgevoerde - positieve - test op de bij inzending II aangeleverde kop van het kalf met het nummer 2979 3247 1. Uit door verweerder overgelegde stukken blijkt immers dat de uitslag van deze test bij de RVV, evenals de hiervoor vermelde positief bevonden virusisolatietest van 28 maart 2001 op het heparinemonster van inzending I, als negatief is geregistreerd.

Het geheel van feiten en omstandigheden in ogenschouw genomen, acht appellant het zeer onwaarschijnlijk dat in Kootwijkerbroek sprake is geweest van een mkz-besmetting. Er zou immers slechts één kalf met mkz-virus besmet zijn geraakt op een totaal van 440 andere dieren op het bedrijf van B, hetgeen gelet op het besmettelijke karakter van mkz-virus niet voor de hand ligt. Bovendien is ook op het bedrijf in X, waarmee het bedrijf van B in contact stond, geen mkz-besmetting geconstateerd en heeft ook het vele door verweerder uitgevoerde traceerwerk geen besmettingsbron opgeleverd.

3.5 Voorts is appellant van mening dat het bestreden besluit onrechtmatig is, omdat geen enkele aanleiding noch noodzaak bestond binnen een straal van twee kilometer rond de besmettingshaard tot preventieve ruiming over te gaan.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft naar aanleiding van hetgeen door appellant is aangevoerd het volgende naar voren gebracht.

4.1 De verdachtverklaring en de op grond daarvan verrichte preventieve ruiming van de evenhoevige dieren op het bedrijf van appellant is rechtmatig. Laboratoriumonderzoek van op het bedrijf van B genomen monsters heeft op 28 maart 2001 een besmetting met mkz aan het licht gebracht. Op grond daarvan is het bedrijf van B terecht besmet verklaard. Naar aanleiding van deze besmetverklaring zijn de evenhoevige dieren van appellant, die zich binnen een straal van twee kilometer rond het primaire bedrijf bevonden, op 29 maart 2001 verdacht verklaard en vervolgens preventief geruimd.

Het bedrijf van B is uitdrukkelijk niet besmet verklaard naar aanleiding van de bij de kalveren geconstateerde klinische verschijnselen. Dit bedrijf is enkel besmet verklaard op grond van de positieve uitslag van de virusisolatietest van het heparinemonster van het kalf met levensnummer 2979 3247 1, dat deel uitmaakte van inzending I van 20 maart 2001. Ook indien geen enkel op de aanwezigheid van mkz wijzend klinisch verschijnsel zou zijn waargenomen, zou het bedrijf van B toch besmet zijn verklaard op grond van artikel 2, sub c, tweede gedachtestreepje, van richtlijn 85/511/EEG.

Overigens corresponderen de bij de kalveren op het bedrijf van B geconstateerde klinische verschijnselen, anders dan appellant heeft gesteld, met bij mkz behorende klinische verschijnselen. Dat de vastgestelde klinische verschijnselen qua ernst niet voldeden aan het verwachtingspatroon van appellant en niet zijn opgenomen in het Draaiboek mkz, doet hieraan niet af. Een Draaiboek als door appellant aangehaald, is niet bedoeld of geschikt om de kennis en ervaring van dierenartsen en hun professioneel oordeel te vervangen. In het Draaiboek mkz is slechts een aantal bij mkz voorkomende symptomen opgenomen. Geenszins is beoogd daarin een limitatieve opsomming van klinische verschijnselen te geven. Blijkens de verslagen die RVV-dierenarts Terbijhe naar aanleiding van klinische inspecties van de kalveren op het bedrijf van B op 20 maart 2001, 22 maart 2001, 25 maart 2001 en 27 maart 2001 heeft opgemaakt, vertoonden deze kalveren klinische verschijnselen die konden wijzen op mkz. Deze verschijnselen waren echter niet zodanig van aard dat de kalveren reeds op grond daarvan besmet konden worden verklaard.

4.2 De in de laboratoriumonderzoeken van ID-Lelystad B.V. positief geteste monsters zijn afkomstig van hetzelfde kalf op het bedrijf van B. ID-Lelystad B.V. heeft mkz-virus geïsoleerd uit een heparinemonster van het kalf met levensnummer 2979 3247 1 van inzending I en uit een monster van inzending II. Beide inzendingen zijn afkomstig van het bedrijf van B en ook als zodanig geadministreerd. Het monster van inzending II betrof bovendien een kalverkop voorzien van een uniek oornummer (2979 3247 1). Deze kalverkop koppelt met zijn uniek oornummer onomstotelijk de herkomst van de monsterinzending aan het bedrijf van B. Dus in twee van hetzelfde kalf afkomstige afzonderlijke monsters, is mkz-virus aangetoond. Gezien het feit dat slechts éénmaal een kalverkop van het bedrijf van B naar ID-Lelystad B.V. is gezonden, en deze kop genoemd wordt op zowel het geïmproviseerde monsterbegeleidingsformulier van 22 maart 2001 als op de bloedtaplijst van gelijke datum, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de bloedtaplijst met barcode RAA0005462, zegelnummer 05450 en DSU-nummer 578835 behoort bij het monsterbegeleidings-formulier en de monsters van inzending I van 20 maart 2001 en de bloedtaplijst met barcodenummer RAA0005451 en zegelnummer 05449 behoort bij het monsterbegeleidingsformulier en de monsters van inzending II van 22 maart 2001.

De verklaring voor de relatief lange duur van de laboratoriumonderzoeken wordt gevormd door de omstandigheid dat bij de onderzoekers eerst na enige tijd het besef is gegroeid dat de bij de diagnose gebruikte varkensniercellen relatief te ongevoelig waren voor de mkz-virusstam die in maart 2001 in Nederland werd aangetroffen. Materiaal uit het Verenigd Koninkrijk en van het eerste besmettingsgeval in Oene hebben uiteindelijk geleid tot het inzicht dat, in tegenstelling tot varkensniercellen, lammerniercellen voldoende gevoelig zijn voor het routinematig isoleren van de circulerende mkz-virusstam. Het produceren van grotere hoeveelheden lammerniercellen is rond 21 maart 2001 gestart en heeft na aanloopproblemen uiteindelijk geleid tot de beschikbaarheid van voldoende hoeveelheden lammerniercellen op 27 maart 2001. Het beschikbaar zijn van voldoende lammerniercellen op 27 maart 2001 vormt de verklaring voor de omstandigheid dat enige tijd is verstreken tussen het inzenden van monsters van het bedrijf van B en het vaststellen van een uiteindelijke positieve laboratoriumdiagnose. Kort nadat lammerniercellen beschikbaar waren gekomen, is mkz-virus bij herhaling aangetoond.

In tegenstelling tot hetgeen appellant betoogt, vertoonde het heparinemonster van inzending I geen duidelijk CPE op varkensniercellen. Het materiaal van de kalverkop van inzending II vertoonde evenmin duidelijk CPE op varkensniercellen. Het is verweerder niet duidelijk waarop appellant zijn beweringen dienaangaande stoelt.

4.3 Anders dan appellant naar voren heeft gebracht, moet contaminatie van de van het bedrijf van B afkomstige besmet bevonden monsters uitgesloten worden geacht. Op verzoek van een veehouder uit Kootwijkerbroek heeft de rechtbank Zwolle bij beschikking van 21 mei 2003 (zaaknr. 85179/ HA RK 03-53; niet gepubliceerd) DNA-onderzoek bevolen van de vijf monsters die op 20 en 22 maart 2001 van het besmet bevonden kalf met levensnummer 2979 3247 1 zijn genomen. Bij dit onderzoek is door een combinatie van DNA- en eiwitonderzoek vastgesteld dat alle vijf monsters van één en hetzelfde kalf afkomstig zijn. Vervolgens is het DNA van het besmet bevonden kalf vergeleken met het DNA van de - veronderstelde - moederkoe, die in het bezit was van de verzoeker van het onderzoek. Dit DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat de besmet bevonden monsters inderdaad afkomstig zijn van een dier dat met een zekerheid van 99,6 % het kalf is van de aangewezen moederkoe.

Met de uitslag van dit DNA-onderzoek is bevestigd dat de wijze van monsterneming, monsterbehandeling en monsteronderzoek door de RVV en door ID-Lelystad B.V. zorgvuldig is geweest. De vijf monsters die afkomstig zouden moeten zijn van één en hetzelfde besmet bevonden dier, blijken dat ook inderdaad te zijn. Voorts zijn de monsters zuiver, want contaminatie kon niet worden aangetoond. Bovendien is nogmaals vastgesteld dat de besmet bevonden monsters afkomstig zijn van een dier op het bedrijf van B. De vele in de loop der tijd jegens verweerder geopperde vermoedens en beschuldigingen van kwade trouw, alsmede complottheorieën zijn ongegrond.

Verweerder acht de mogelijkheid aanwezig dat bij appellant verwarring is ontstaan doordat in het achteraf, op basis van onder meer door ID-Lelystad B.V. geleverde gegevens, opgemaakte RVV-dossier van het bedrijf van B, administratieve onjuistheden zijn geslopen. Die gegevens hebben echter niet ten grondslag gelegen aan de besluiten tot besmetverklaring van het bedrijf van B en tot verdachtverklaring en preventieve ruiming van de dieren op de bedrijven van appellant. Het RVV-dossier bevat geen extra gegevens afkomstig van ID-Lelystad B.V. betreffende de besmetverklaring. Het RVV-dossier is, wat betreft de laboratoriumuitslagen, een secundair dossier.

Bij het opmaken van het RVV-dossier van het bedrijf van B zijn de gegevens met betrekking tot inzending I en inzending II verwisseld met als gevolg dat een positieve testuitslag bij ID-Lelystad B.V. als een negatieve testuitslag in het RVV-dossier te boek is komen te staan.

Monsters ten behoeve van mkz-onderzoek werden in 2001 bij ID-Lelystad B.V. aangeboden op de locatie waar zich het 'High-Containment MKZ-laboratorium' bevond. Inschrijving van de monsters door de afdeling 'Dispatching Service Unit' (DSU) in het 'Laboratorium Management Systeem' (LMS) - de database - werd aanvankelijk op een andere locatie gedaan. Ten behoeve hiervan werden de inzendformulieren van de ene naar de andere locatie verzonden.

Op 23 maart 2001 bleek bij een controle dat bij inzending I van 20 maart 2001 nog geen DSU-nummer was aangemaakt. Dit is vervolgens alsnog gebeurd (578835). Op het laboratoriumprotocol was aangegeven dat de monsters op 21 maart 2001 (de nacht volgend op 20 maart 2001) in behandeling waren genomen en dat is ook doorgegeven aan de afdeling DSU. DSU heeft daarom voor 'datum ontvangst' 21 maart 2001 ingevoerd. Omdat op het inzendformulier geen (leesbare) monsterdatum was genoteerd is (automatisch) een defaultdatum voor 'monsterdatum' respectievelijk 'datum begeleidingsbrief' in het LMS genoteerd. De defaultwaarde is de inschrijfdatum - 23 maart 2001 - minus één met als gevolg een defaultdatum voor 'monsterdatum' en 'datum begeleidingsbrief' van 22 maart 2001. De werkelijke monsterdatum en ontvangstdatum van inzending I is echter 20 maart 2001.

Aangezien de monsters van inzending II op 22 maart 2001 zijn genomen en diezelfde dag onder DSU-nummer 578763 bij ID-Lelystad B.V. zijn geadministreerd, waren er door de onjuiste wijze van administreren van inzending I uiteindelijk twee inzendingen met een 'monsterdatum' van 22 maart 2001. Daarbij komt dat aan inzending II een lager DSU-nummer is toegekend dan aan inzending I.

De gelijkluidende monsterdatum van 22 maart 2001 en de volgorde in DSU-nummers in het LMS van ID-Lelystad B.V. heeft ertoe geleid dat later, bij het opmaken van het RVV-dossier, de inzendingen I en II zijn verwisseld. Deze verwarring heeft echter alleen bij de RVV plaatsgevonden en laat de positieve testuitslagen die zijn verkregen op een heparinemonster van inzending I en voor een monster van de kalverkop van inzending II, onverlet.

4.4 Dat de besmet bevonden monsters inderdaad afkomstig zijn van het bedrijf van B, wordt ondersteund door de resultaten van diverse onafhankelijke onderzoeken.

Het openbaar ministerie heeft medio april 2001 een onderzoek ingesteld naar het ontstaan van mkz-besmetting in Kootwijkerbroek. In dat kader is het laboratorium van ID-Lelystad B.V. bezocht en zijn omstreeks veertig getuigen, onder wie medewerkers van ID-Lelystad B.V. en van de RVV, verhoord. In juni 2001 heeft het openbaar ministerie medegedeeld dat geen fraude of strafbaar handelen is geconstateerd.

Voorts is ID-Lelystad B.V. geaccrediteerd voor het uitvoeren van onder meer mkz-onderzoeken door de Raad voor Accreditatie en Sterlab. Naar aanleiding van een klacht ten aanzien van de handelwijze van ID-Lelystad B.V. inzake de besmetting in Kootwijkerbroek is door de Raad voor Accreditatie een onderzoek ingesteld. De Raad heeft daarbij vastgesteld dat ID-Lelystad B.V. conform de Sterlab accreditatie normen heeft gewerkt.

Verder is ID-Lelystad B.V. NEN en ISO gecertificeerd. Op verzoek van dezelfde klager heeft Det Norske Veritas een onderzoek ingesteld op basis van haar eigen kwaliteitssysteem. Bij dat onderzoek is de situatie bij ID-Lelystad B.V. nauwkeurig bezien en is onder meer het kwaliteitssysteem onderzocht evenals het specifieke geval B. Det Norske Veritas heeft gericht de laboratoriumdiagnostiek ten aanzien van het geval B doorgenomen en geconstateerd dat volgens de eisen is gewerkt.

4.5 Dat mkz-virus op het bedrijf van B slechts bij één kalf is aangetoond, doet niet af aan de vaststelling dat op dit bedrijf in maart 2001 mkz heerste noch aan de betrouwbaarheid van de bij ID-Lelystad B.V. uitgevoerde laboratoriumtesten. Het is namelijk geen uitgemaakte zaak dat de besmetting zich in werkelijkheid tot slechts één kalf heeft beperkt. Immers, bij meer op het bedrijf van B gehouden evenhoevige dieren zijn klinische verschijnselen van mkz waargenomen. Voorts zijn in de periode van 20 maart 2001 tot en met 27 maart 2001 slechts bij 67 van de 450 aanwezige dieren monsters afgenomen. Derhalve valt niet uit te sluiten dat mkz-virus bij niet-bemonsterde dieren aanwezig was.

Indien slechts één enkel kalf op het bedrijf van B met mkz-virus besmet zou zijn geweest, behoeft dat op zich niet verwonderlijk te zijn. Indien een besmetting tijdig wordt ontdekt, ligt voor de hand dat nog maar één of enkele dieren besmet zijn. Het besmet bevonden kalf was al op 22 maart 2001 gedood en kon nadien dus geen rol meer spelen in de verdere verspreiding van mkz-virus.

In een case-study van Bouma en Dekker is aangetoond dat de verspreiding van mkz-virus onder kalveren met een beperkte contactstructuur uit kan blijven. De twee in het kader van dit onderzoek besmette dieren bleken in de case-study de twee niet besmette dieren, zelfs na een periode van vier weken, niet te hebben besmet.

Ook de omstandigheid dat nimmer kon worden vastgesteld op welke wijze het bedrijf van B besmet is geraakt, doet niet aan de realiteit van de gevonden besmetting af. Het geval B is hierin niet uniek. De bron van een andere besmetting in het gebied Ee/Anjum kon bijvoorbeeld evenmin worden vastgesteld. In totaal kon zelfs in de meerderheid van de besmette gevallen geen besmettingsbron worden vastgesteld. Dit kan echter niet betekenen dat verweerder in die gevallen niet tot preventieve ruiming van gevoelige dieren had mogen overgaan.

5. De beoordeling van het geschil

In deze uitspraak wordt met verweerder, voor zover van belang, mede bedoeld de Directeur RVV.

5.1 In het onderhavige geding staat centraal de vraag of verweerder terecht en op juiste gronden heeft besloten tot verdachtverklaring van de evenhoevige dieren op het bedrijf van appellant en tot het (doen) treffen van de in paragraaf 2.2 van deze uitspraak bedoelde bestrijdingsmaatregelen, waarvan met name het besluit tot doding van de dieren van appellant in geschil is.

5.2 In dit verband moet er allereerst op worden gewezen dat de door appellant aangevoerde beroepsgrond, die hiervoor in paragraaf 3.5 is vermeld, gelijk is aan onderscheidenlijk eenzelfde strekking heeft als een beroepsgrond die eerder in de eveneens met de mkz-crisis van 2001 verband houdende zaak AWB 02/242 aan de orde is gesteld. Het College heeft deze beroepsgrond in zijn uitspraak van 7 januari 2003 (www.rechtspraak.nl, LJ-Nummer: AF2740) reeds aan een beoordeling onderworpen en is daarbij tot de conclusie gekomen dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Aangezien appellant in dit verband geen nieuwe argumenten naar voren heeft gebracht en het College geen grond ziet voor een ander oordeel dan in voormelde uitspraak gegeven, kan ter zake van de in paragraaf 3.5 vermelde grond kortheidshalve worden verwezen naar hetgeen in genoemde uitspraak omtrent evengenoemd punt is overwogen en beslist. Deze beslissing houdt, voor zover hier van belang, in:

- dat verweerder ingevolge het gemeenschapsrecht gehouden was gebruik te maken van zijn (nationale) bevoegdheid te besluiten tot het doden van de evenhoevige dieren; en

- dat niet kan worden staande gehouden dat de uit het besluit tot doding van zijn dieren voortvloeiende nadelige gevolgen voor de betreffende veehouder onevenredig zijn met de met dit besluit te dienen doelen.

5.3 Met betrekking tot de overige beroepsgronden overweegt het College als volgt.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd mogen alleen zieke en verdachte dieren worden gedood. Derhalve dient te worden beoordeeld of het besluit van verweerder de dieren van appellant als verdacht van besmetting met mkz aan te merken, rechtmatig is.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit is het de taak van verweerder te beoordelen of er redenen zijn om aan te nemen dat een dier in de gelegenheid is geweest te worden besmet (en daarmede als verdacht dier wordt aangemerkt). Gezien de bewoordingen van deze bepaling, is de rechterlijke toetsing van deze beoordeling beperkt tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

5.3.1 De evenhoevige dieren op het bedrijf van appellant zijn verdacht verklaard, gevaccineerd en preventief geruimd naar aanleiding van de besmetverklaring van het bedrijf van B, die was gebaseerd op de aanwezigheid aldaar van mkz. Het bedrijf van appellant is gelegen binnen een straal van twee kilometer rond het bedrijf van B.

Appellant stelt zich op het standpunt dat op het bedrijf van B geen sprake is geweest van mkz-besmetting. Indien dit standpunt juist is, zou dat betekenen dat het in geding zijnde, op de besmetverklaring van het bedrijf van B gebaseerde, besluit tot verdachtverklaring van de evenhoevige dieren van appellant onrechtmatig is.

Appellant heeft dit standpunt onderbouwd door erop te wijzen:

- dat de op het bedrijf van B geconstateerde klinische verschijnselen, die (mede) tot de besmetverklaring van het bedrijf hebben geleid, niet overeenkomen met de verschijnselen en symptomen die door verweerders ministerie als kenmerkend worden gehanteerd voor de aanwezigheid van mkz en dat de bij de RVV en ID-Lelystad B.V.

ontstane onjuiste beeldvorming aangaande de geconstateerde klinische verschijnselen een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de besluitvorming omtrent de vaststelling van mkz in Kootwijkerbroek;

- dat het afnemen van de afzonderlijke bloedmonsters bij de kalveren op het bedrijf van B niet volgens de daarvoor vastgestelde procedures heeft plaatsgevonden;

- dat betwijfeld moet worden of het op 28 maart 2001 besmet bevonden heparinemonster van het bedrijf van B afkomstig is; en

- dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de betrouwbaarheid van de positieve uitslag van de op het heparinemonster van inzending I toegepaste virusisolatietest van 28 maart 2001.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

5.3.2 Artikel 2, aanhef en sub c, van richtlijn 85/511/EEG definieert voor toepassing van de richtlijn besmette dieren als voor de ziekte vatbare dieren waarop (-) klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op mkz kunnen duiden, of (-) de aanwezigheid van mkz officieel werd vastgesteld na laboratoriumonderzoek.

Het College constateert dat verweerder het bedrijf van B niet besmet heeft verklaard naar aanleiding van de door het specialistenteam en de RVV-dierenarts bij de op dat bedrijf aanwezige kalveren geconstateerde klinische verschijnselen van mkz. Verweerder heeft de besmetverklaring uitsluitend gebaseerd op de inhoud van een door de RVV van ID-Lelystad B.V. ontvangen faxbericht, waarin de mededeling was opgenomen dat een bij een kalf op het bedrijf van B afgenomen monster positief was bevonden bij een test op de aanwezigheid van mkz.

In verband hiermede kan de grief van appellant dat ten onrechte de aan verweerders ministerie gemelde klinische verschijnselen van mkz van invloed zijn geweest op het besluit van verweerder inzake de besmetverklaring van het bedrijf van B, geen doel treffen.

Appellant betoogt dat ook de werkzaamheden van ID-Lelystad B.V. door de gemelde klinische verschijnselen zijn beïnvloed.

Het College heeft echter geen aanknopingspunt kunnen vinden voor de juistheid van de stelling dat ID-Lelystad B.V. de resultaten van de laboratoriumonderzoeken anders heeft geïnterpreteerd dan zij zonder de op het formulier vermelde anamnese zou hebben gedaan. Indien al zou kunnen worden aangenomen dat ID-Lelystad B.V. vanwege de gemelde klinische verschijnselen de monsters aan een intensiever onderzoek heeft onderworpen dan zonder kennis van deze verschijnselen het geval zou zijn geweest, doet dit niet af aan de positieve testuitslag. Bovendien was, zoals blijkt uit de onweersproken opmerkingen van verweerder, op grond van besmettingsgevallen in het Verenigd Koninkrijk en Oene bekend dat de test uitgevoerd met varkensniercellen mogelijk onvoldoende effectief was, zodat ook hierin aanleiding kan zijn gelegen tot een uitgebreid laboratoriumonderzoek.

5.3.3 De dierenarts van de RVV heeft op het bedrijf van B op 20 maart 2001 een heparinemonster afgenomen bij een aldaar gestald kalf met levensnummer 2979 3247 1 en dit heparinemonster voor laboratoriumonderzoek naar ID-Lelystad B.V. verzonden (inzending I). Op 22 maart 2002 heeft een RVV-dierenarts de kop van ditzelfde kalf eveneens voor laboratoriumonderzoek naar ID-Lelystad B.V. verzonden (inzending II). Volgens verweerder is de aanwezigheid van mkz-virus op 28 maart 2001 aangetoond in het heparinemonster van inzending I en op 1 april 2001 in een van de ingezonden kalverkop afgenomen monster.

Op grond van de gegevens die uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen, acht het College voldoende aannemelijk dat zowel voormeld heparinemonster als de ingezonden kalverkop afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1, en dat dit kalf op 20 en 22 maart 2001 op het bedrijf van B was gestald.

Het College baseert dit oordeel op de resultaten van het door de rechtbank Zwolle bevolen en door het Dr. Van Haeringen Laboratorium B.V. te Wageningen uitgevoerde DNA-onderzoek van vijf, op 20 en 22 maart 2001 bij het kalf met levensnummer 2979 3247 1 afgenomen monsters.

In de naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde "Rapportage Deskundigenonderzoek 85179 / HA RK 03-53" van 28 augustus 2003 is geconcludeerd (-) dat met zeer grote mate van zekerheid kan worden gesteld dat de onderzochte monsters afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1, (-) dat in de onderzochte monsters geen vermenging is aangetoond, en (-) dat met een zekerheid van 99,6% vast staat dat het rund met levensnummer 1596.2573.6, dat door de initiator van het onderzoek onbetwist als moeder van het kalf met levensnummer 2979 3247 1 is aangewezen, de moeder is van laatstgenoemd kalf.

De vaststelling in genoemd rapport dat vermenging van de besmet bevonden monsters van het kalf met levensnummer 2979 3247 1 niet is aangetoond, leidt het College tot het oordeel dat onvoldoende grond bestaat voor de veronderstelling dat bij de afname van de betreffende monsters door de RVV-dierenarts en het daaropvolgende vervoer van deze monsters naar ID-Lelystad B.V. contaminatie van deze monsters heeft plaatsgevonden.

Ondanks de inhoud van voormeld rapport heeft appellant vastgehouden aan zijn standpunt dat sprake is van contaminatie of dat verwisseling van monsters heeft plaatsgevonden. Hij heeft dit met name onderbouwd door erop te wijzen dat het door ID-Lelystad B.V. aan de monsters van inzending I met barcodenummer RAA0005462 toegekende DSU-nummer (578835) hoger is - en derhalve op een later moment is toegekend - dan het DSU-nummer (578763) dat aan de monsters van inzending II met barcodenummer RAA0005451 is toegekend, alsmede dat de testuitslagen van de door ID-Lelystad B.V. positief bevonden monsters bij de RVV als negatief voor mkz, en dus als zijnde niet-besmet, in de administratie zijn opgenomen.

Naar het oordeel van het College kan hetgeen appellant in dit verband heeft aangevoerd, geen afbreuk doen aan de in meergenoemd rapport neergelegde conclusie. Verweerder heeft naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat bij het opmaken van het secundaire dossier bij de RVV en de verwerking daarin van de van ID-Lelystad B.V. afkomstige gegevens, administratieve fouten zijn gemaakt waardoor de besmet bevonden monsters ten onrechte als negatief getest voor mkz zijn ingeboekt, alsmede dat de naderhand opgemaakte RVV-gegevens geen invloed hebben gehad op de besluitvorming.

Voorts acht het College de van de zijde van verweerder gegeven verklaring voor de wijze van toekenning van DSU-nummers door ID-Lelystad B.V. aan de van barcodestickers voorziene monsters van inzending I en inzending II een toereikende grond voor de conclusie dat de door appellant op grond van eerdergenoemde fouten vermeende contaminatie of verwisseling niet aannemelijk is te achten.

Verder ziet het College geen grond voor het door appellant ingenomen standpunt dat uit de omstandigheden dat de klinische onderzoeken van de evenhoevige dieren van B, en dat de afname, verpakking en verzending van de monsters naar ID-Lelystad B.V. niet volgens de in het Draaiboek mkz neergelegde procedures zijn verlopen, moet volgen dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Aangezien het bij het Draaiboek mkz gaat om een handleiding onderscheidenlijk verzameling aanwijzingen, kan het enkele feit dat daaraan niet volledig gevolg is gegeven, niet leiden tot de door appellant bepleite consequenties.

5.3.4 In verband met het vorenoverwogene is onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van contaminatie of verwisseling van de door ID-Lelystad B.V. besmet bevonden monsters. Evenmin is aannemelijk dat zich tussen het moment van afname van deze monsters op het bedrijf van B en de aanlevering daarvan bij ID-Lelystad B.V. onregelmatigheden hebben voorgedaan. Hetgeen appellant heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn beroep tegen het bestreden besluit kan derhalve niet slagen.

5.4 In de zaken AWB 02/392, 02/1824 en 02/1853, waarin het College op 18 januari 2005 uitspraak heeft gedaan (www.rechtspraak.nl, LJ-Nummer: AS3610) is de rechtmatigheid van besluiten die feitelijk en juridisch vergelijkbaar zijn met het thans bestreden besluit, betwist op gronden ontleend aan het gemeenschapsrecht. In evenvermelde uitspraak heeft het College het onderzoek heropend en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen ten aanzien van in die uitspraak geformuleerde vragen, waarvan het College de beantwoording noodzakelijk acht voor de beslissing in het hoofdgeding.

5.4.1 Het eerste onderwerp ter zake waarvan het College een prejudiciële beslissing heeft verzocht, houdt verband met de in die zaken ter discussie gestelde bevoegdheid van ID-Lelystad B.V. om laboratoriumonderzoeken ter opsporing van de aanwezigheid van mkz uit te voeren.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, eerste gedachtestreepje, gelezen in samenhang met artikel 13, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van richtlijn 85/511/EEG zien lidstaten erop toe dat de laboratoriumonderzoeken om de aanwezigheid van mkz op te sporen, worden verricht door een in bijlage B bij deze richtlijn genoemd nationaal laboratorium, alsmede dat het ter fine van onderzoek, diagnostiek en/of het vervaardigen van vaccins manipuleren van mkz-virussen alleen plaatsvindt in erkende inrichtingen en laboratoria die op de lijst in de bijlagen A en B bij deze richtlijn voorkomen.

Ten tijde van de mkz-crisis in 2001 was in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG voor Nederland als nationaal laboratorium dat met levend mkz-virus mocht werken, het Centraal Diergeneeskundig Instituut te Lelystad (hierna: CDI) aangewezen.

De laboratoriumonderzoeken waarvan de uitkomst tot de besmetverklaring van het bedrijf van B en tot de in die zaken genomen besluiten tot preventieve ruiming hebben geleid, zijn echter uitgevoerd door ID-Lelystad B.V. te Lelystad.

De door de betrokken appellanten in de hierboven vermelde zaken betwiste bevoegdheid van ID-Lelystad B.V. tot het verrichten van het laboratoriumonderzoek dat heeft geleid tot de beslissing van verweerder tot besmetverklaring met mkz van de evenhoevigen van B, heeft het College ertoe gebracht het Hof te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven met betrekking tot de interpretatie van bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG, gelet op het bepaalde in de artikelen 11 en 13 van deze richtlijn.

5.4.2 Indien de prejudiciële beslissing op de hiervoor aangeduide vraag met zich brengt dat aan de beslissing inzake de evenhoevige dieren op het bedrijf van B, de uitslag van laboratoriumonderzoek uitgevoerd door ID-Lelystad B.V. ten grondslag kon worden gelegd, heeft het College in die zaken het Hof vervolgens om een prejudiciële beslissing verzocht naar aanleiding van het geschilpunt of de Directeur RVV juist heeft gehandeld door bij het nemen van het besluit tot besmetverklaring van het bedrijf van B uitsluitend uit te gaan van de inhoud van een door de RVV van de zijde van ID-Lelystad B.V. ontvangen faxbericht van 28 maart 2001, zonder daarbij aandacht te besteden aan de onderliggende bevindingen van het door ID-Lelystad B.V. uitgevoerde laboratoriumonderzoek waarop deze conclusie inzake mkz-besmetting was gebaseerd.

5.4.3 De hiervoor weergegeven gronden die in meergenoemde zaken AWB 02/392, 02/1824 en 02/1853 zijn aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt van de betrokken appellanten, dat de jegens hen genomen beslissing op bezwaar onrechtmatig is (welke gronden zijn ontleend aan richtlijn 85/511/EEG), zijn in de onderhavige procedure niet door appellant aangevoerd. Deze gronden vallen buiten de grenzen van het geschil zoals dat ter beslissing aan het College is voorgelegd.

Bij het vaststellen van deze grenzen moet in aanmerking worden genomen het dwingend bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, in verbinding met artikel 8:69, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), inhoudende dat het College uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Ingevolge het bepaalde in het tweede en derde lid van laatstgenoemd artikel is het College gehouden ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen en is het College bevoegd, maar niet verplicht, ambtshalve de feiten aan te vullen.

Ter toelichting overweegt het College dat artikel 8:69 Awb als regel met zich brengt een beoordeling door de rechter van de geschilpunten die aan hem worden voorgelegd.

Onder de voorgeschreven ambtshalve aanvulling van rechtsgronden kan, zeer beknopt weergegeven, worden verstaan de juridische vormgeving door de rechter van de bezwaren die door de justitiabele(n) tegen een besluit van een bestuursorgaan zijn ingebracht. Van deze ambtshalve aanvulling van rechtsgronden moet worden onderscheiden de door de rechter toe te passen ambtshalve toetsing. Hierbij gaat het, kort gezegd, om de toepassing van regels van openbare orde, zoals voorschriften aangaande bevoegdheden van bestuursorganen, de bevoegdheid van de rechter zelf en ontvankelijkheden.

Geoordeeld moet worden dat voornoemde wettelijke voorschriften in de weg staan aan het in dit geding in aanmerking nemen van argumenten ontleend aan richtlijn 85/511/EEG. Het betreft hier immers argumenten die in dit geding niet aan de orde zijn gesteld, doch welke het College bekend zijn uit hetgeen in de hiervoor vermelde zaken door de daarbij betrokken appellanten was aangevoerd tegen besluiten die vergelijkbaar zijn met het thans bestreden besluit. Het in aanmerking nemen van bedoelde argumenten kan niet geschieden krachtens een ambtshalve aanvulling van rechtsgronden. Voorts zijn volgens nationaalrechtelijke maatstaven de aan de orde zijnde bepalingen van richtlijn 85/511/EEG niet van dien aard, dat zij moeten worden opgevat als voorschriften van openbare orde waaraan ambtshalve dient te worden getoetst.

5.4.4 In verband met het voorafgaande dient de vraag zich aan of het College op grond van het communautaire recht gehouden is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit van een nationaal bestuursorgaan, niet door procespartijen gehanteerde argumenten te betrekken die kunnen worden ontleend aan het gemeenschapsrecht. Hierbij gaat het om argumenten die vallen buiten de grenzen van het voorgelegde geschil, zoals deze grenzen ingevolge eerdergenoemde wettelijke voorschriften moeten worden getrokken. In verband met deze vraag acht het College het van belang dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie het bij het ontbreken van een gemeenschapsregeling een aangelegenheid is van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht kunnen ontlenen. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die, welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden, en mogen de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie onder meer het arrest van het Hof van 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen, gevoegde zaken C-430/93 en C-431/93, Jur. blz. I-4705, punt 17; arrest van 15 september 1998, Edis, C-231/96, Jur. blz. I-3201, punt 34; arrest van 16 mei 2000, Preston e.a., C-78/98, Jur. blz. I-3201, punt 31; arrest van 17 juni 2004, Recheio - Cash & Carry SA, C-30/02, n.n.g., punt 17).

Aangezien op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, gelezen in samenhang met artikel 8:69 Awb, het College niet bevoegd is de gronden ontleend aan richtlijn 85/511/EEG, die door appellant niet zijn aangevoerd, ambtshalve in het geding te betrekken, brengt de in genoemde arresten geformuleerde gelijkwaardigheidseis evenmin een communautaire verplichting mee deze aan het gemeenschapsrecht ontleende argumenten ambtshalve bij de beoordeling van het bestreden besluit te betrekken. Evenmin zouden gronden ontleend aan nationale bepalingen die soortgelijk zijn als de aan de orde zijnde bepalingen van richtlijn 85/511/EEG, ambtshalve worden toegepast, omdat het niet betreft de bevoegdheid van verweerder, de bevoegdheid van het College of de ontvankelijkheid.

In verband hiermede komt aan de orde de betekenis van het communautaire effectiviteitsbeginsel. Hierbij dient de vraag zich aan of een bepaling die meebrengt dat de rechter niet bevoegd is argumenten te beoordelen die vallen buiten de grenzen van het geschil, buiten toepassing zou moeten blijven, omdat zij de uitoefening van rechten die voortvloeien uit de communautaire rechtsorde, nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Deze vraag moet worden onderzocht met inachtneming van de plaats van voornoemd artikel 8:69 Awb in de procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken van de procedure. Daarbij moet rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspraak ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (zie onder meer arrest Van Schijndel, reeds aangehaald, punt 17). Wat betreft de civiele procedure heeft het Hof het effectiviteitsbeginsel aldus geïnterpreteerd, dat het de nationale rechter niet verplicht ambtshalve een rechtsgrond in het geding te brengen, ontleend aan schending van gemeenschapsbepalingen, wanneer hij voor het onderzoek van dat middel de hem passende lijdelijkheid zou moeten verzaken door buiten de rechtsstrijd van partijen te treden en zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die, welke de partij die bij de toepassing belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (zie arrest Van Schijndel, reeds aangehaald, punt 22). Het bestuursprocesrecht verschilt in dit opzicht niet wezenlijk van het civiele proces. De onderhavige procedure bij het College verschilt echter wel van de procedure waarin de vragen die in het arrest Van Schijndel werden beantwoord, werden voorgelegd, doordat het College in zaken als de onderhavige in enige en hoogste instantie oordeelt. Daarbij komt dat artikel 8:69 Awb niet wezenlijk lijkt af te wijken van het procesrecht dat van toepassing is op de procedure voor het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg (zie bijvoorbeeld: beschikking van het Hof van 23 mei 1990, Asia Motor France/Commisie, C-72/90, Jur. blz. I-2181; arrest van het Hof van 7 juli 1970, Müllers/CES, 79/70, Jur. blz. 689; arrest van het Hof van 27 januari 2005, Guy Denuit, C-125/04, n.n.g.; arrest van het Hof van 10 mei 1960, BRD/Hoge Autoriteit, 19/58, Jur. blz. 481).

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van 24 oktober 1996 (Kraaijeveld e.a., C-72/95, Jur. blz. I-5403, met name punten 58 en 60) merkt het College op dat artikel 8:69 Awb niet voorziet in een bevoegdheid in die zin dat de bestuursrechter de vrijheid zou hebben al dan niet de grenzen van het geschil te respecteren of rechtsgronden aan te vullen. Zowel het eerste als het tweede lid van artikel 8:69 Awb betreffen een verplichting en geen discretionaire bevoegdheid.

Het arrest van het Hof van 1 juni 1999 (Eco Swiss, C-126/97, Jur. blz. I-3055) waarin werd geoordeeld dat artikel 85 EG-Verdrag (thans: artikel 81 EG) een fundamentele bepaling is die onontbeerlijk is voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap, in het bijzonder voor de werking van de interne markt, zodat indien een nationale rechter volgens de regels van zijn nationale procesrecht een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op grond van strijd met regels van openbare orde moet toewijzen, hij dat ook moet doen ingeval een dergelijke vordering is gebaseerd op schending van artikel 85 EG-Verdrag (arrest Eco-Swiss, reeds aangehaald, punten 36 en 37) geeft aanleiding voor de vraag of andere bepalingen van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder de bepalingen van richtlijn 85/511/EEG waaraan hierboven is gerefereerd, als bepalingen moeten worden gekwalificeerd waaraan een zodanig grote betekenis moet worden toegekend dat de nationale rechter deze bepalingen ambtshalve, zoals hiervoor gedefinieerd, moet toepassen. Deze vraag is eens te meer aan de orde, omdat uit het arrest van het Hof van 20 september 2001 (Courage, C-453/99, Jur. blz. I-6297) blijkt dat deze kwalificatie niet uitsluitend rechtens relevant is in de specifieke context van arbitrage. In deze benadering dient richtlijn 85/511/EEG bij wijze van prejudiciële beslissing te worden geïnterpreteerd teneinde te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen van richtlijn 85/511/EEG van openbare orde zijn, in die zin dat deze bepalingen ambtshalve in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Het College onderkent voorts dat de verplichting het door een richtlijn voorgeschreven resultaat te bereiken, kan meebrengen dat de rechter ook ambtshalve aan bepalingen van de betreffende richtlijn dient te toetsen (arresten van het Hof van 27 juni 2000, Océano Grupo Editorial e.a., gevoegde zaken C-240/98 tot en met C-244/98, Jur. blz. I-4941; van

21 november 2002, Cofidis e.a., C-473/00, Jur. blz. I-10875). Aangezien de in deze arresten aan de orde zijnde bepaling van gemeenschapsrecht de (relatieve) bevoegdheid van de rechter betreft zou deze bepaling wellicht kunnen worden gekwalificeerd als een bepaling van openbare orde die ambtshalve moet worden toegepast, maar de overwegingen van het Hof lijken een andere benadering dan die welke gevolgd is in het arrest Eco Swiss te suggereren, zodat ook deze relevant kan zijn voor de beslechting van het hoofdgeding. Hoewel richtlijn 85/511/EEG geen aanknopingspunt lijkt te bevatten voor een interpretatie die meebrengt dat de aan de orde zijnde bepalingen door de nationale rechter ambtshalve moeten worden toegepast acht het College het geraden deze vraag met het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof voor te leggen.

5.5 Gelet op hetgeen hiervoor in paragraaf 5.4.4 is overwogen, zal de zaak worden verwezen naar het Hof om bij prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de in die paragraaf geformuleerde vraag. Voor het geval deze vraag bevestigend wordt beantwoord, behoeft het College voor de beslechting van dit geschil antwoord op de hiervoor in paragraaf 5.4 aangeduide en in zijn beslissing van 18 januari 2005 (AWB 02/392, 02/1824 en 02/1853) nader gemotiveerde vragen. Ingevolge artikel 23 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie wordt de procedure voor het College in afwachting van de prejudiciële beslissing geschorst en zal het College iedere verdere beslissing in dit geding aanhouden. Het vorenoverwogene leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het College:

- heropent het onderzoek;

- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen ten

aanzien van de volgende vragen:

1. Verplicht het gemeenschapsrecht tot ambtshalve toetsing - dat wil zeggen toetsing aan gronden die vallen buiten de grondslag van het geschil - aan gronden die zijn ontleend aan richtlijn 85/511/EEG?

2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:

Heeft de ingevolge artikel 11, eerste lid, eerste gedachtestreepje, gelezen in samenhang met artikel 13, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van richtlijn 85/511/EEG op de lidstaten rustende verplichting erop toe te zien dat de laboratoriumonderzoeken om de aanwezigheid van mkz op te sporen worden verricht door een in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG genoemd laboratorium, rechtstreekse werking?

3a. Moet artikel 11, eerste lid, van richtlijn 85/511/EEG aldus worden uitgelegd, dat aan de omstandigheid dat de aanwezigheid van mkz wordt vastgesteld door een laboratorium dat niet is genoemd in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG, rechtsgevolgen moeten worden verbonden?

3b. Indien vraag 3a bevestigend wordt beantwoord:

Strekt artikel 11, eerste lid, van richtlijn 85/511/EEG tot bescherming van de belangen van justitiabelen, zoals appellant in het hoofdgeding? Zo neen, kunnen justitiabelen, zoals appellant in het hoofdgeding, een beroep doen op eventuele schending van de verplichtingen die voor de autoriteiten van de lidstaten uit deze bepaling voortvloeien?

3c. Indien het antwoord op vraag 3b meebrengt dat justitiabelen een beroep kunnen doen op artikel 11, eerste lid, van richtlijn 85/511/EEG:

Welke rechtsgevolgen moeten worden verbonden aan een vaststelling van de aanwezigheid van mkz door een laboratorium dat niet is genoemd in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG?

4. Moet bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG, gelet op het bepaalde in de artikelen 11 en 13 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat de vermelding in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG van het "Centraal Diergeneeskundig Instituut, Lelystad" ook betrekking kan of moet hebben op ID-Lelystad B.V.?

5. Indien uit de antwoorden op vorenvermelde vragen volgt dat de aanwezigheid van mkz kan worden vastgesteld door een laboratorium dat niet is genoemd in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG of dat bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG aldus moet worden uitgelegd dat de vermelding van het "Centraal Diergeneeskundig Instituut, Lelystad" ook betrekking kan of moet hebben op ID-Lelystad B.V.:

Dient richtlijn 85/511/EEG aldus te worden uitgelegd dat daarin is geregeld dat het tot besluiten bevoegde nationale bestuursorgaan gebonden is aan uitkomsten van onderzoek door een laboratorium dat is geplaatst op bijlage B bij richtlijn 85/551/EEG, dan wel, indien het antwoord op vraag 3a meebrengt dat het bestuursorgaan zijn maatregelen ter bestrijding van mkz ook mag baseren op de uitslagen verkregen door een laboratorium dat niet is geplaatst op bijlage B van richtlijn 85/511/EEG, op de uitslagen van laatstbedoeld laboratorium, of behoort de bepaling van het gezag tot de procedurele autonomie van de lidstaat en dient de rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is te onderzoeken of de regels dienaangaande gelden ongeacht of het laboratoriumonderzoek plaatsvindt op grond van een communautaire of nationaal rechtelijke verplichting, alsmede of de hantering van het nationaal rechtelijke procedurele kader die tenuitvoerlegging van de communautaire regels niet uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk maakt.

6. Indien het antwoord op vraag 5 meebrengt dat de binding van nationale autoriteiten aan de laboratoriumuitslag wordt geregeld door richtlijn 85/511/EEG:

Zijn nationale autoriteiten onvoorwaardelijk gebonden aan de uitslag van een door een laboratorium verricht mkz-onderzoek? Zo neen, welke beoordelingsmarge laat richtlijn 85/511/EEG deze nationale autoriteiten?

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.S. Hoppener