Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT4969

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
02-05-2005
Zaaknummer
AWB 03/500
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Landbouwheffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/500 6 april 2005

5040 Landbouwheffing

Uitspraak in de zaak van:

Southern African Fruit Terminals (Europe) B.V., te Rotterdam, appellante,

gemachtigde: mr. A.H. Blok, advocaat te Utrecht,

tegen

de inspecteur van de belastingdienst/Douanedistrict Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: J.W.J. Swinkels, inspecteur in het Douanedistrict Rotterdam.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 24 april 2003, bij het College binnengekomen op 25 april 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 maart 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 12 september 2002, waarbij appellantes verzoek om terugbetaling van de in rubriek 2 nader omschreven rechten niet-ontvankelijk is verklaard.

Op 26 juni 2003 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 22 augustus 2003 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 september 2004 heeft het College verweerder naar aanleiding van het verweerschrift vragen gesteld.

Bij brieven van 1 respectievelijk 4 oktober 2004 heeft verweerder deze vragen beantwoord en een nader stuk overgelegd.

Op 26 januari 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigde hebben toegelicht. Namens appellante was tevens aanwezig A. De gemachtigde van verweerder werd bijgestaan door mr. P. Veringmeijer.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (Pb nr. L175, blz. 1), zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3069/86 van 7 oktober 1986 (Pb nr. L286, blz. 1), luidde als volgt:

“ 1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in andere bijzondere situaties dan die welke zijn bedoeld in de afdelingen A tot en met D, die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden.

De situaties waarin de eerste alinea kan worden toegepast, alsmede de daarbij in acht te nemen procedurevoorschriften, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 25. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

2. Terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten op grond van de in lid 1 aangegeven redenen wordt toegestaan op een daartoe, vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten door de met de inning belaste autoriteit zijn geboekt, bij het betrokken douanekantoor ingediend verzoek.

De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel toestaan dat deze termijn in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen, wordt overschreden."

Op 1 januari 1994 is Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Pb nr. L302, blz. 1; hierna: CDW) in werking getreden. In artikel 251, eerste lid, CDW is bepaald dat Verordening (EEG) nr. 1430/79 is ingetrokken. Artikel 239 CDW luidt als volgt:

“ 1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238

- welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;

- welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.

De douaneautoriteiten kunnen evenwel in naar behoren aangetoonde uitzonderingsgevallen toestaan dat deze termijn wordt overschreden.”

In de artikelen 899 tot en met 909 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Pb nr. L253, blz. 1; hierna TCDW), is toepassing gegeven aan artikel 239, eerste lid, CDW. Artikel 905 TCDW luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

“ 1. Wanneer de beschikkende douaneautoriteit, die een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uit hoofde van artikel 239, lid 2, van het Wetboek ontvangt, niet in staat is om op grond van artikel 899 te beslissen èn indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt de Lid-Staat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de periode van 24 november 1986 tot en met 22 juli 1987 heeft appellante, voorheen genaamd Dutch International Forwarding Office Goes B.V. te Schiedam, bij de douane te Rotterdam, met T1-documenten, twaalf aangiften ten uitvoer gedaan van in totaal 152.988 kg bevroren rundvlees zonder been, afkomstig uit Argentinië, Brazilië, Uruguay, Paraguay en Roemenië en met bestemming Italië.

- Bij uitnodigingen tot betaling (hierna: utb’s) van 26 februari 1988 heeft de inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Rotterdam wegens niet-zuivering van deze T1-documenten, appellante verzocht om in totaal f 262.000,80 aan invoerrechten,

f 173.420,40 aan omzetbelasting, f 1.300.672,10 aan landbouwheffingen en f 17.650,80 aan monetair compenserende bedragen te voldoen.

- De tegen deze utb’s gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 22 december 1989 afgewezen.

- Tegen laatstgenoemde besluiten is bij het College, voor de landbouwheffingen en monetair compenserende heffingen, bij de Tariefcommissie (thans: Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam), voor de invoerrechten, en bij de Belastingkamer van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, voor de omzetbelasting, beroep ingesteld.

- De desbetreffende colleges hebben deze beroepen op respectievelijk 7 september 1992, 1 februari 1993 en 11 september 1996 ongegrond verklaard.

- Bij verzoekschrift van 29 oktober 1992 heeft appellante met een beroep op artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 1430/79 verweerder verzocht primair de in 1988 geheven landbouwheffingen en monetair compenserende bedragen geheel terug te betalen (f 1.318.322,90) en subsidiair deze rechten gedeeltelijk terug te betalen (f 344.370,10).

- Bij besluit van 29 oktober 1993 heeft verweerder dit verzoek, conform de in dit besluit genoemde beschikking van de Europese Commissie (hierna: Commissie) van 10 september 1993, afgewezen.

- Bij verzoekschrift van 7 mei 2002, door verweerder ontvangen op 13 mei 2002, heeft appellante verweerder met een beroep op artikel 239 van het CDW verzocht om terugbetaling van de in 1988 geheven landbouwheffingen, monetair compenserende bedragen en invoerrechten (in totaal f 1.580.323,70).

- Bij besluit van 12 september 2002 heeft verweerder dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 23 oktober 2002 bezwaar gemaakt.

- Appellante is op 22 januari 2003 over haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 18 maart 2003, weergegeven in rubriek 3 van deze uitspraak, op het bezwaar beslist.

- Bij uitspraak van 27 september 2004 (nr. 03/01944 DK) heeft de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door appellante tegen laatstgenoemd besluit ingesteld beroep, voorzover dit betrekking heeft op het verzoek om terugbetaling van landbouwheffingen en monetair compenserende bedragen. Voor het overige heeft het Gerechtshof het beroep ongegrond verklaard.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit, waarbij appellantes bezwaar ongegrond is verklaard, is samengevat het volgende overwogen.

Verweerder stelt voorop dat hij zestien jaar na aanvang van de bezwaarprocedure niet meer beschikt over het dossier, zodat het voor hem onmogelijk is zich een goed oordeel daarover te vormen. Ingevolge artikel 52, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is de bewaartermijn zeven jaar.

Appellante heeft reeds in 1993 een verzoek om terugbetaling gedaan, toen op grond van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 1430/79. Buiten kijf staat dat de afwijzende beschikking van 29 oktober 1993 op dit verzoek aan appellante is toegezonden.

Verweerder ziet in de situatie dat appellante eerst in 2001 kennis nam van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van 7 september 1999 in zaak C-61/98 (De Haan), geen uitzonderingsgeval in de zin van artikel 239, tweede lid, CDW. Weliswaar werken arresten van het Hof van Justitie in beginsel ex tunc, maar het effectueren van hieruit voortvloeiende rechten kan afstuiten op het feit dat inmiddels een fatale beroepstermijn is overschreden en het bestreden besluit naar nationaal recht onaantastbaar is geworden.

Overigens is het arrest in de zaak De Haan op 7 september 1999 gepubliceerd, terwijl appellante er eerst in september 2001 van op de hoogte raakte. Ook hier is de termijn van een jaar, als genoemd in artikel 239 CDW, reeds overschreden.

Van een identieke casus als in de zaak De Haan is bovendien geen sprake.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

4.1 Het verzoek van 7 mei 2002 dient primair als een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 CDW te worden aangemerkt en subsidiair als een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 oktober 1993 tot afwijzing van het verzoek om terugbetaling van 29 oktober 1992.

4.2 In materieelrechtelijk opzicht baseert appellante zich met name op het arrest in de zaak De Haan, maar er kan ook worden gewezen op het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 7 juni 2001 in zaak T-330/99 (Rotermund; Jur. 2001, blz. II-1619) en het arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2004 in zaak C-222/01 (British American Tobacco Manufacturing). Appellantes positie komt materieelrechtelijk overeen met die van De Haan en is ter zake van het verzoek om terugbetaling zelfs gunstiger is dan die van De Haan: anders dan in de zaak De Haan was er geen medewerker van appellante bij de fraude betrokken, bestond reeds veel langer een verdenking (jegens Vriesveem Wibaco) en is een frauderende douaneambtenaar strafrechtelijk veroordeeld. Al deze omstandigheden brengen mee dat appellantes verzoek om terugbetaling dient te worden gehonoreerd.

4.3 Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat het hem niet vrij staat terug te komen van de beschikking van de Commissie die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 29 oktober 1993 tot afwijzing van het verzoek om terugbetaling van 29 oktober 1992. Verweerder werpt haar ten onrechte tegen dat zij tegen de aan dit besluit ten grondslag liggende beschikking van de Commissie geen beroep bij het Gerecht heeft ingesteld. Die mogelijkheid is haar onthouden, nu de beschikking van de Commissie haar nimmer is verstrekt. De voormalige gemachtigde van appellante heeft verweerder bij brief van

9 december 1993 om toezending van de beschikking gevraagd, maar hierop is nimmer antwoord gekregen.

Verweerder heeft zicht voorts ten onrechte beroepen op de formele rechtskracht van het besluit van verweerder van 29 oktober 1993. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 13 januari 2004 in zaak C-453/00 (Kühne & Heitz) blijkt dat een nationale bevoegdheid om van een eerder besluit terug te komen, een communautaire verplichting is. Vanwege de declaratoire werking van het Europese recht was verweerder verplicht het nieuwe verzoek van appellante, met inachtneming van de rechtsopvatting neergelegd in het in de zaak De Haan, inhoudelijk op toewijsbaarheid te onderzoeken. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de in het arrest genoemde voorwaarden om van een eerder besluit terug te komen, niet limitatief en exclusief moeten worden opgevat. Appellante kan, gelet op de toen geldende jurisprudentie, niet worden tegengeworpen dat zij tegen het besluit van 29 oktober 1993 geen rechtsmiddelen heeft aangewend.

4.4 Verweerder heeft vervolgens ten onrechte gesteld dat het verzoek van 7 mei 2002 te laat is ingediend. Verweerders stelling dat het verzoek had moeten worden ingediend binnen twaalf maanden na publicatie van het arrest in de zaak De Haan, vindt geen steun in het recht. Als er al een verjaringstermijn geldt, dient de verjaringstermijn van artikel 3:319 van het Burgerlijk Wetboek te worden toegepast. Voorts miskent verweerder dat de twaalfmaandentermijn zeer soepel werd en wordt toegepast, hetgeen reeds blijkt uit het feit dat ook het eerste verzoek van 29 oktober 1992 buiten de twaalfmaandentermijn is ingediend en door verweerder niettemin aan de Commissie is voorgelegd. Ook de Commissie en het Gerecht bekommeren zich niet om een eventuele overschrijding van de twaalfmaandentermijn. Vervolgens blijkt uit artikel 239, tweede lid, CDW niet dat na doorbreking van de twaalfmaandentermijn op enig moment een nieuwe termijn van twaalf maanden gaat lopen.

4.5 Verweerder heeft zich ten onrechte op bewijsnood beroepen. Alle relevante feiten waren verweerder immers bekend. Bovendien had verweerder zonodig bij appellante dan wel bij de Commissie om nadere inlichtingen en/of stukken kunnen vragen. De bewaartermijn van artikel 52 AWR was ten tijde van het verzoek op 7 mei 2002 nog niet verstreken, nu het Gerechtshof te ’s-Gravenhage eerst op 11 september 1996 uitspraak heeft gedaan over de utb’s.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College oordeelt allereerst over het ter zitting ingenomen standpunt van appellante dat het verzoek van 7 mei 2002 primair als een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 CDW moet worden aangemerkt en subsidiair als een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 oktober 1993 tot afwijzing van het verzoek om terugbetaling van

29 oktober 1992. Dit standpunt kan niet worden onderschreven, omdat het feitelijke grondslag mist. Zowel de aanhef als de inhoud van het verzoekschrift van 7 mei 2002 kan tot geen andere conclusie leiden dan dat appellante slechts een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 CDW heeft gedaan. Het verzoekschrift bevat geen enkel aanknopingspunt om het verzoek tevens aan te merken als een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 oktober 1993. Het besluit van 29 oktober 1993 en het voorafgaande verzoek van 29 oktober 1992 zijn in het verzoek van 7 mei 2002 zelfs in het geheel niet genoemd.

Dit brengt mee dat verweerder het verzoek van 7 mei 2002 terecht als een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 CDW heeft aangemerkt en dat thans de vraag voorligt of verweerder bij het bestreden besluit de niet-ontvankelijkverklaring van dit verzoek, althans voor wat betreft de landbouwheffingen en monetair compenserende bedragen, terecht heeft gehandhaafd. Het brengt tevens mee dat de door partijen ingenomen standpunten ter zake van de vraag of verweerder al dan niet verplicht is om van het besluit van 29 oktober 1993 terug te komen, onbesproken zullen blijven.

5.2 Vaststaat dat appellante haar verzoek om terugbetaling niet heeft ingediend binnen de in artikel 239, tweede lid, CDW, voorheen artikel 13, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1430/79, genoemde termijn van twaalf maanden. De uitnodigingen tot betaling zijn immers op 26 februari 1988 verzonden, terwijl het verzoekschrift van 7 mei 2002 door verweerder eerst op 13 mei 2002 is ontvangen.

5.3 Ingevolge artikel 239, tweede lid, CDW kunnen de bevoegde autoriteiten in naar behoren aangetoonde uitzonderingsgevallen toestaan dat de twaalfmaandentermijn wordt overschreden.

Het College ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit zijn standpunt, dat in het onderhavige geval van een uitzonderingsgeval in de zin van artikel 239, tweede lid, CDW geen sprake is, ten onrechte heeft gehandhaafd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Gesteld noch gebleken is dat er feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan appellante het verzoek niet binnen de twaalfmaandentermijn had kunnen indienen. Appellante heeft ter zitting desgevraagd verklaard niet te hebben kunnen achterhalen waarom niet binnen deze termijn om terugbetaling is verzocht.

Voorts had appellante ter zake van dezelfde uitnodigingen tot betaling op 29 oktober 1992 ook reeds een verzoek om terugbetaling ingediend. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 29 oktober 1993 afgewezen, onder verwijzing naar de beschikking van de Commissie van 10 september 1993. Appellante heeft tegen deze beslissingen geen rechtsmiddelen ingesteld. Het College vermag niet in te zien dat verweerder in 2002 bij zijn oordeel of sprake is van een uitzonderingsgeval in de zin van artikel 239, tweede lid, CDW in redelijkheid geen betekenis heeft kunnen toekennen aan het feit dat het om een tweede verzoek ging en op het eerste verzoek afwijzend is beslist zonder dat hiertegen rechtsmiddelen zijn aangewend. Dat verweerder het eerste verzoek van 29 oktober 1992 aan de Commissie heeft voorgelegd en destijds aldus kennelijk heeft aangenomen dat zich een uitzonderingsgeval voordeed, betekent niet dat verweerder rechtens gehouden was bij het tweede verzoek van 7 mei 2002 andermaal een uitzonderingsgeval aan te nemen.

Appellantes beroep op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak De Haan leidt niet tot een ander oordeel. In de zaak De Haan ging het erom of sprake was van een ‘bijzondere situatie’ in de zin van artikel 905, eerste lid, TCDW, voorheen artikel 13, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1430/79. Deze vraag dient, zoals in het bestreden besluit terecht is overwogen, te worden onderscheiden van de, in de onderhavige procedure voorliggende, vraag of er sprake is van een ‘uitzonderingsgeval’ in de zin van artikel 239, tweede lid, CDW. De vraag naar de ‘bijzondere situatie’ in de zin van artikel 905, eerste lid, TCDW is van andere aard en komt eerst aan de orde nadat de douaneautoriteiten de vraag of er een ‘uitzonderingsgeval’ in de zin van artikel 239, tweede lid, CDW is, bevestigend hebben beantwoord. Appellantes stelling dat haar positie overeenkomt met, en zelfs sterker is dan, die van De Haan, had dan ook van belang kunnen zijn in het geval verweerder haar een overschrijding van de twaalfmaandentermijn had toegestaan en het verzoek aan de Commissie had voorgelegd, maar noopt niet tot de conclusie dat verweerder rechtens gehouden was haar (opnieuw) een termijnoverschrijding toe te staan. Het College merkt hierbij nog op dat het verzoek om terugbetaling in de zaak De Haan, zoals uit de conclusie van advocaat-generaal Jacobs blijkt, binnen de twaalfmaandentermijn is ingediend.

Ten slotte is er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij zijn beslissing op het verzoek van 7 mei 2002 niet tevens heeft mogen meewegen dat, gelet op de toch al zeer lange tijd sinds het verstrijken van de twaalfmaandentermijn, appellante haar verzoek pas bijna tweeëneenhalf jaar na publicatie van het arrest in de zaak De Haan (4 december 1999 in het Publicatieblad van de EG, C 352, en 5 oktober 1999 in UTC, nr. 53) heeft ingediend.

5.4 Nu hetgeen appellante heeft aangevoerd ook overigens niet tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit leidt, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. E.J.M. Heijs en mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.

w.g. C.J. Borman w.g. R. Meijer