Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT3653

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-03-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
AWB 04/306
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 04/306 25 maart 2005

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, B en C, te D,

appellanten, gemachtigde: C,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: drs. B.M. Vogt, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Op 14 april 2004 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 maart 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellanten hebben gemaakt tegen de beslissing op de aanvraag van A op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

Verweerder heeft op 24 juni 2004 een verweerschrift ingediend.

Op 11 februari 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1593/2000, luidt voor zover hier van belang:

“ Artikel 1

(…)

3. Onverminderd de specifieke bepalingen in het kader van de in lid 1 bedoelde regelingen, wordt in deze verordening verstaan onder:

- "bedrijfshoofd": de individuele landbouwproducent, natuurlijke of rechtspersoon dan wel groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap;

- "bedrijf": het geheel van de produktie-eenheden dat door het bedrijfshoofd wordt beheerd en zich bevindt op het grondgebied van een Lid-Staat;

- "perceel landbouwgrond": een ononderbroken stuk grond waarop één enkel gewas wordt geteeld door één enkel bedrijfshoofd. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 12 de uitvoeringsbepalingen vast betreffende specifieke wijzen waarop percelen landbouwgrond worden gebruikt, met name de bepalingen betreffende mengteelt en gemeenschappelijk gebruikte

oppervlakten.”

Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 1

1. Bij deze verordening wordt ten behoeve van producenten van akkerbouwgewassen een stelsel van areaalbetalingen ingesteld.

(…)

Artikel 2

1. In de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen kunnen onder de in deze verordening aangegeven voorwaarden een areaalbetaling aanvragen.

(…)”

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidt voor zover hier van belang:

"Artikel 6

Voorwaarden met betrekking tot de steunaanvragen "oppervlakten"

1. Een steunaanvraag "oppervlakten" moet alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of op de steun aanspraak kan worden gemaakt, en met name:

a) de identiteit van het bedrijfshoofd,

(…)

Artikel 12

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast."

Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is, voorzover ten tijde hier van belang, onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

j. producent: individuele landbouwondernemer in de Europese Gemeenschap, natuurlijke of rechtspersoon of samenwerkingsverband van natuurlijke of rechtspersonen, die op zijn bedrijf voor eigen rekening en risico akkerland met akkerbouwgewassen inzaait met de bedoeling deze gewassen te oogsten;

k. bedrijf: geheel van productie-eenheden dat door de producent wordt beheerd en dat zich bevindt op het Nederlandse grondgebied;

(…)

Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de

raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 2419/2001, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

Artikel 9

1. Na sluiting van de aanvraagperiode, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld, kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van verordening 2419/2001.

(…)

4. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten in geval van een door LASER erkende kennelijke fout na de in het eerste lid bedoelde datum worden verbeterd.

(...)"

In de Regeling vaststelling indieningsperiode 2002 aanvraag oppervlakten (Stcrt 2002, nr. 60) is als periode voor het indienen van een aanvraag voor een subsidie op grond van de Regeling vastgesteld de periode die loopt van 1 april 2002 tot en met 15 mei 2002.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 29 april 2002 heeft verweerder een formulier "Gecombineerde opgave 2002 voor landbouwtelling, gebruik gewaspercelen en aanvraag oppervlakten" ontvangen. Dit formulier is op naam gesteld van: “A”. In dit formulier is onder de rubriek “gegevens bedrijfshoofd(en)/-leider” opgegeven dat er op het betreffende bedrijf sprake is van één (vrouwelijk) bedrijfshoofd, geboren in 1923 en dat dit een rustend agrariër betreft, zijnde een bedrijfshoofd van 50 jaar of ouder die zijn/haar bedrijf grotendeels heeft beëindigd en voordien het merendeel van de inkomsten ontleende aan het eigen agrarische bedrijf. Voorts is in dit formulier onder de rubriek “arbeidskrachten” geen opgaaf gedaan van door één of meerdere bedrijfshoofden verrichte land- en tuinbouwwerkzaamheden en is aldaar opgegeven dat er binnen het bedrijf in de relevante periode arbeid is verricht door één kind van het bedrijfshoofd en dat voor minder dan tien uur per week. Op het in dit formulier opgenomen overzicht gewaspercelen zijn twee percelen maïs, samen groot 3.89 ha, opgegeven voor een bijdrage op grond van de Regeling.

- Bij brief van 2 oktober 2002 heeft verweerder A bericht dat de door haar ingediende aanvraag onvolledig en/of onjuist is ingevuld omdat de in het formulier opgegeven gebruikscodes van de grond (in gebruik genomen landbouwgronden) niet zijn toegestaan in combinatie met de opgegeven bijdragecode.

- Op 15 oktober 2002 heeft C verweerder schriftelijk bericht dat de betreffende bijdragecodes verkeerd waren ingevuld en dat de beide percelen bij de aanvrager in eigendom zijn. Hierbij heeft C tevens medegedeeld dat hij dit op 11 oktober 2002 eveneens heeft medegedeeld aan een medewerkster van verweerders telefonische helpdesk.

- Bij besluit van 18 november 2002 heeft LASER de aanvraag voor akkerbouwsteun afgewezen onder de overweging dat er in de aanvraag geen percelen zijn opgegeven voor akkerbouwsteun.

- Bij brief van 6 december 2002 heeft C bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het bezwaarschrift is een notariële akte overgelegd waaruit blijkt dat A, B en C de betreffende twee percelen op 23 juni 1995 in gezamenlijke eigendom hebben verkregen op grond van een met hun ouders (E, geboren op 2 juli 1919 en

F, geboren 20 mei 1923) gesloten koopovereenkomst.

- Op 16 april 2003 is C telefonisch gehoord naar aanleiding van het bezwaar.

- Bij brief van 24 april 2003 heeft C de gronden van het bezwaar aangevuld en heeft hij verweerder aanvullende stukken doen toekomen.

- Op 29 september 2003 hebben appellanten hun bezwaar ten kantore van verweerder mondeling toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit - gericht aan A - heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

“ Blijkens de akte, welke is gepasseerd op 23 juni 1995, zijn de heer C, mevrouw B en u gezamenlijk eigenaar van de gronden, aangenomen dat de akte betrekking heeft op de percelen die u heeft opgegeven. Blijkens de machtiging is de heer C gemachtigd de gronden te beheren. Blijkens de volmacht van de Rabobank is de heer C tevens gemachtigd voor de bankrekening van mevrouw F.

Uit het voorgaande kan de intentie worden afgeleid dat u gezamenlijk het bedrijf wenst te voeren, waarbij de heer C het bedrijf vertegenwoordigt. U dient voor deze constructie echter wel alle drie als producent in de zin van de Regeling op te treden.

Aangezien u als daadwerkelijke aanvrager optreedt, dient in ieder geval ú producent in de zin van de Regeling te zijn. Blijkens de ingediende bescheiden en het aangevoerde, lijkt uw rol in de bedrijfsvoering echter meer een papieren constructie te zijn dan dat uzelf daadwerkelijk producent zou zijn.

Uw naam staat weliswaar op de aanvraagformulieren, en aan u wordt van de bankrekening van mevrouw F geld overgemaakt om de aanslag Landinrinchtingsrente te kunnen voldoen en u ontvangt - tezamen met de heer C en mevrouw B - huur voor de grond van mevrouw F. Ook stort u de ontvangen subsidie van LASER op de bankrekening van mevrouw F teneinde de subsidie te delen met de heer C en mevrouw B. Echter, naast het voorgaande is niet aangetoond dat uw betrokkenheid in de bedrijfsvoering verder reikt dan dit.

U bent onder de gegeven omstandigheden derhalve niet degene die voor eigen rekening en risico de bedrijfsvoering op zich heeft genomen, en u kunt dan ook niet als producent in de zin van de Regeling worden aangemerkt. Wie wél als producent kan/kunnen worden aangemerkt zijn de heer C, mevrouw B en u tezamen. De Aanvraag oppervlakten 2002 had derhalve op naam moeten staan van u drieën, niet van u alleen.

Uit het door u aangevoerde, alsmede door u aangeleverde documenten en de overige feiten en omstandigheden is mij mitsdien niet gebleken dat de bedrijfsvoering en het gebruik en beheer van de productiemiddelen en bedrijfsgebouwen uitsluitend en alleen bij u liggen. Ten gevolge hiervan is mij niet gebleken dat u voor eigen rekening en risico het bedrijf exploiteert. U bent daarom niet aan te merken als producent in de zin van de Regeling en was dan ook niet gerechtigd een subsidieaanvraag in te dienen. Uw aanvraag is derhalve terecht afgewezen.”

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellanten hebben de betrokken percelen in 1995 van hun ouders gekocht en het bedrijf wordt sedertdien door hen gezamenlijk beheerd. Dat de aanvraag op naam van A is gesteld, is vermoedelijk het gevolg van het feit dat zij het bedrijf in 1995 bij verweerder heeft aangemeld en vervolgens het relatienummer heeft verkregen. Er is destijds voor aanmelding door A gekozen omdat zij de oudste van de drie kinderen is en zij de meest aangewezen persoon leek om hen te vertegenwoordigen.

Voorts zijn er in de periode van 1995 tot en met 2001 nimmer problemen geweest met de subsidieaanvragen. In al deze jaren hebben zij op (nagenoeg) dezelfde wijze als in het jaar 2002 premie aangevraagd en verkregen zonder enige opmerking van verweerder dat er iets niet in orde zou zijn met de tenaamstelling van het bedrijf.

Tenslotte heeft verweerder het probleem van de tenaamstelling van de aanvraag pas in een zeer laat stadium aan de orde gebracht en hebben zij zich hierdoor niet adequaat kunnen voorbereiden op de hoorzitting. Bovendien heeft verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit nagelaten hen te adviseren de tenaamstelling van de aanvraag te wijzigen, alhoewel zij reeds in een vroeg stadium contact hebben gehad met de telefonische helpdesk van verweerder en zij nadien nog twee maal zijn gehoord naar aanleiding van hun bezwaar.

5. De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil dat het beheer over het betrokken bedrijf bij appellanten gezamenlijk berust. Zodoende heeft verweerder terecht overwogen dat A niet als zelfstandig producent kan worden beschouwd.

Het betoog van appellanten dat zij in de periode van 1995 tot en met 2001 op naam van A premie hebben aangevraagd en verkregen zonder dat verweerder enige opmerking heeft gemaakt met betrekking tot de onjuiste tenaamstelling van die aanvragen, kan niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Hierbij is in aanmerking genomen dat de onjuiste tenaamstelling van de aanvragen in de periode 1995 tot en met 2001 voor verweerder niet zonder meer kenbaar was en appellanten verweerder pas bij brief van 6 december 2002 en de nadien door hen ingediende stukken op de hoogte hebben gesteld van het feit dat er ten aanzien van de betrokken percelen sprake was van meerdere eigenaren en de (overige) beheersverhoudingen op het betrokken bedrijf.

Dat verweerder in voorgaande jaren de aanvragen van A heeft gecontroleerd en vervolgens gehonoreerd op grond van enkel en alleen de door appellanten zelf verstrekte informatie, staat er niet aan in de weg dat verweerder de aanvraag van A voor het jaar 2002 toetst aan nieuwe gegevens, die inmiddels te zijner beschikking zijn gekomen. Evenmin beletten die omstandigheden verweerder bij de beslissing op die aanvraag voor het jaar 2002 op grondslag van deze gegevens terug te komen van zijn conclusie in voorgaande jaren, dat A valt aan te merken als zelfstandig producent.

Naar het oordeel van het College bestaat er voorts geen aanleiding voor de conclusie dat appellanten in hun belangen zijn geschaad omdat verweerder zich pas bij het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat A niet als zelfstandig producent valt aan te merken. Hierbij is in aanmerking genomen dat de feitelijke beheersverhoudingen op het bedrijf aan de orde zijn geweest ten tijde van het horen van appellanten naar aanleiding van het bezwaar en zij derhalve in de gelegenheid zijn geweest hun zienswijze dienaangaande naar voren te brengen. Bovendien wordt gememoreerd dat appellanten de bevindingen van verweerder ten aanzien van de beheersverhoudingen op het bedrijf, zoals weergegeven in het bestreden besluit, niet bestrijden en daarentegen volledig onderschrijven.

Ook de grief van appellanten dat zij door verweerder niet naar behoren in gelegenheid zijn gesteld om voorafgaand aan het bestreden besluit de tenaamstelling van de aanvraag te wijzigen, treft geen doel. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van Verordening (EG)

nr. 2419/2001 moet de steunaanvraag "oppervlakten" immers alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of op de steun aanspraak kan worden gemaakt, waaronder met name de identiteit van het bedrijfshoofd. Aldus maakt de tenaamstelling van de aanvraag, die de identificatie van het bedrijfshoofd inhoudt, integraal deel uit van de aanvraag en was wijziging van de tenaamstelling na 15 mei 2002 in principe niet meer mogelijk, terwijl verweerder niet eerder dan in oktober 2002 op de hoogte kon zijn van de eventuele noodzaak tot wijziging van de tenaamstelling. Van enige periode waarbinnen verweerder appellanten zonder meer had kunnen toestaan de tenaamstelling van de aanvraag te wijzigen is derhalve geen sprake.

Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat aan het bezwaar van appellanten thans slechts nog tegemoet kan worden gekomen indien wordt vastgesteld dat appellanten bij de “Gecombineerde opgave 2002” door de opgaaf van

A als producent een kennelijke fout hebben gemaakt. Immers in dat geval is blijkens het bepaalde in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 ook na afloop van de uiterste datum voor indiening van een aanvraag een wijziging daarvan mogelijk. Voormelde dwingendrechtelijke bepaling staat er aan in de weg dat verweerder na deze datum op andere gronden wijziging van een aanvraag accepteert.

Volgens vaste jurisprudentie van het College is slechts sprake van een kennelijke fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijke opgave kennelijk fout was, hetgeen het geval is wanneer uit de aanvraag zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

Het College is echter van oordeel dat de onderhavige aanvraag geen tegenstrijdigheden bevat en dat deze aanvraag als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig en niet inconsequent is ingevuld.

Hierbij dient in het bijzonder in aanmerking te worden genomen dat op het onderhavige formulier "Gecombineerde aanvraag 2002" onder de rubriek “gegevens bedrijfshoofd(en)/-leider” is opgegeven dat op het betreffende bedrijf één natuurlijk persoon het bedrijfshoofd is, hetwelk geheel in lijn zou kunnen zijn met de tenaamstelling van de aanvraag op “A”.

De omstandigheid dat bij de opgaaf van het bedrijfshoofd als geboortejaar het jaar 1923 is opgegeven, maakt, alhoewel dit achteraf het geboortejaar van de moeder van appellanten blijkt te betreffen, niet dat sprake is van een tegenstrijdigheid. In aanmerking genomen dat de tegenstrijdigheid uit de aanvraag zelf moet blijken en het formulier “Gecombineerde opgave 2002” geen vermelding van de (juiste) personalia van A bevat, heeft verweerder bij de eerste beoordeling van deze aanvraag uit mogen gaan van de juistheid van de opgegeven geboortedatum als ware dit de geboortedatum van A. Verweerder is niet gehouden de personalia van het opgegeven bedrijfshoofd te verifiëren met behulp van andere (registratie)systemen.

De omstandigheid dat, naar achteraf is gebleken, de aanvraag niet is ondertekend door degene op wiens naam die aanvraag is gesteld maar door C, kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een tegenstrijdigheid in bovenbedoelde zin. Hierbij is in aanmerking genomen dat bij de beoordeling van die handtekening niet op het eerste gezicht duidelijk is dat deze niet van A afkomstig kan zijn.

Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. C.M. Wolters en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2005.

w.g. J.A. Hagen w.g. R.P.H. Rozenbrand