Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT3428

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
08-04-2005
Zaaknummer
AWB 04/352
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Registratie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 206 met annotatie van J.H. van der Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vierde enkelvoudige kamer)

No. AWB 04/352

3100 Registratie

Uitspraak op het verzet van:

Fennavera Beheermaatschappij B.V., te Heesch, appellante,

tegen

het hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, Rijswijk, verweerder.

1. Het verloop van de procedure

Op 29 april 2004 is ter griffie van het College ontvangen een bij verweerder ingekomen en door hem ter behandeling als beroepschrift aan het College doorgezonden brief van appellante, gedagtekend 19 april 2004. Door verweerder is deze brief voorzien van een inkomststempel d.d. 27 april 2004.

Het onderwerpelijke beroep is gericht tegen een op 11 maart 2004 verzonden besluit van verweerder, met het kenmerk 200403/75810. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7, juncto 6:8, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) eindigde de termijn voor het instellen van beroep tegen dit besluit op 22 april 2004.

Appellante is bij griffiersbrieven d.d. 6 mei 2004 en 7 juni 2004, ter levering van bewijs voor haar stelling dat het beroepschrift tijdig is verzonden, casu quo ter post bezorgd, in de gelegenheid gesteld afschrift van het bewijs van aangetekend verzenden van het beroepschrift aan het College toe te zenden. Van de tweede geboden gelegenheid heeft appellante bij brief van 16 juni 2004 gebruik gemaakt. In verband met onduidelijkheid van de fotocopie is appellante bij griffiersbrief d.d. 28 juni 2004 verzocht om het origineel van het bewijs van aangetekende terpostbezorging van haar beroepschrift aan het College toe te zenden. Dit schriftelijk bewijs is op 30 juni 2004 ter griffie van het College ontvangen.

Het College heeft het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard bij een op 26 augustus 2004 verzonden uitspraak, die is gewezen met toepassing van artikel 8:54 Awb.

Bij een op 6 oktober 2004 ter griffie ontvangen brief heeft appellante tegen deze uitspraak verzet gedaan.

2. De beoordeling van het verzet

Ingevolge het bepaalde bij artikel 6:7, juncto 6:8, eerste lid, Awb dient het beroep te worden ingesteld binnen 6 weken na de dag waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Voorts is in artikel 6:9, tweede lid, Awb bepaald dat bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.

Het College stelt vast dat de door appellante overgelegde sticker van TPG Post “aangetekend met handtekening retour” voor ontvangst is getekend door een medewerker van verweerder. Bedoelde medewerker heeft daarop een datum aangetekend, inhoudende: 2 (vervolgens een niet goed leesbaar cijfer dat een 6 of een 0 zou kunnen zijn) -04-2004.

Voorts heeft verweerder in het kader van de doorzending van het beroepschrift aan het College een verzamelkennisgeving gezonden van TPG Post, waaruit blijkt dat het beroepschrift op 24 april 2004 op het postkantoor Steenplaetsstraat 4 te Rijswijk (Zh) is ontvangen. Op deze kennisgeving heeft eerderbedoelde medewerker van verweerder getekend voor ontvangst.

Het College concludeert op grond van voormelde gegevens dat het, anders dan van de zijde van appellante is betoogd, uitgesloten moet worden geacht dat vorenomschreven sticker op 20 april 2004 is getekend voor ontvangst, en dat het ervoor moet worden gehouden dat het tekenen op 26 april 2004 heeft plaatsgevonden.

Voorts biedt eerdergenoemde verzamelkennisgeving hooguit steun voor de veronderstelling dat het beroepschrift op 23 april 2004 is verzonden. Mitsdien heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift, overeenkomstig artikel 6:9, tweede lid, Awb, voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd.

Het College overweegt tot slot dat niet gebleken is van enige grond die kan leiden tot het oordeel dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb.

Uit het voorafgaande volgt dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing:

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. S. van Noordt, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op

w.g. H.C. Cusell w.g. S. van Noordt