Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT3072

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-03-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
AWB 03/726
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzjinswet voor dieren

Regeling keuring en handel dierlijke producten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/726 17 maart 2005

11221 Gezondheids- en welzjinswet voor dieren

Regeling keuring en handel dierlijke producten

Uitspraak in de zaak van:

Coxon & Chatterton limited, gevestigd te Grantham, (United Kingdom), appellante,

gemachtigde: mr. AJ. Braakman, advocaat te Leiden,

tegen

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. Valenteijn, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 1 juli 2003, bij het College binnengekomen op 2 juli 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 mei 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen twee onderscheiden besluiten van 1 maart 2002 van de officiële dierenarts van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) ongegrond verklaard. Blijkens die besluiten zijn twee partijen eendenborst met herkomst China, na monstername positief bevonden op verboden dierbehandelingsmiddelen en in verband daarmee bestemd tot destructie.

Bij brief van 13 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 30 september 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de preambule, alsmede in de artikelen 1 en 5 van verordening 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990, houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Pb 1990, L 224, blz. 10; nadien gewijzigd (hierna: verordening (EEG) 2377/90)), is onder meer het volgende bepaald:

"Overwegende dat het aan voedselproducerende dieren toedienen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in van behandelde dieren afkomstige levensmiddelen residuen kan nalaten;

(…)

Overwegende dat het door wetenschappelijke en technische ontwikkelingen mogelijk is steeds kleinere hoeveelheden residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen op te sporen; dat het derhalve noodzakelijk is om voor alle soorten levensmiddelen van dierlijke oorsprong, inclusief vlees (…) maximumwaarden voor residuen vast te stellen voor farmacologisch werkzame substanties die in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik worden gebruikt;

Overwegende dat er ter bescherming van de volksgezondheid maximumwaarden voor residuen moeten worden vastgesteld in overeenstemming met de algemeen erkende beginselen op het gebied van de beoordeling van de veiligheid, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele andere wetenschappelijke beoordelingen van de veiligheid van de betrokken substanties die zijn uitgevoerd door internationale organisaties, met name de Codex Alimentarius, of, indien die substanties voor andere doeleinden worden gebruikt, door andere wetenschappelijke comités die in de Gemeenschap opgericht zijn;

(…)

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) "residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik": alle farmacologisch werkzame substanties (werkzame bestanddelen, excipientia of afbraakstoffen) en de metabolieten daarvan, die overblijven in levensmiddelen die worden verkregen van dieren waaraan het bewuste geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik is toegediend

b) "maximumwaarde voor residuen": het maximale residugehalte in of op levensmiddelen dat het gevolg is van het gebruik van een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik (uitgedrukt in milligram of microgram per kilogram vers produkt), dat de Gemeenschap als wettelijk toegestaan kan aanvaarden of dat als aanvaardbaar wordt erkend.

(…)"

"Artikel 5

Indien blijkt dat er voor een farmacologisch werkzame substantie die wordt gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, geen maximumwaarde voor residuen kan worden vastgesteld omdat residuen van de betrokken substanties in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, ongeacht de maximumhoeveelheid ervan, gevaar opleveren voor de gezondheid van de verbruiker, wordt die substantie opgenomen in een lijst in bijlage IV bij deze verordening. (…)

Het is in de gehele gemeenschap verboden de in bijlage IV vermelde substanties aan voedselproducerende dieren toe te dienen."

In bijlage IV bij verordening (EEG) 2377/90, zoals diverse malen gewijzigd, onder meer en voorzover hier van belang bij Verordening 1570/98 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 1998 tot wijziging van de bijlagen I tot en met IV bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 (Pb. 1998, L 205, blz 1 zijn als farmacologisch werkzame substanties, als bedoeld in artikel 5 van verordening (EEG) 2377/90, onder meer opgenomen: chlooramfenicol en furazolidon.

2.1.2 In Beschikking 93/13 van de Commissie van 22 december 1992 tot vaststelling van de procedures voor de veterinaire controles in de inspectieposten aan de grens van de gemeenschap bij het binnenbrengen van producten uit derde-landen (Pb.1993, L9, blz. 33, hierna: beschikking 93/13/EG) is het volgende bepaald:

"Artikel 4

1. Wanneer uit veterinaire controles blijkt dat de produkten zodanige tekortkomingen hebben dat zij niet op het grondgebied van de Gemeenschap mogen worden binnengebracht, beslist de bevoegde autoriteit, na raadpleging van de importeur of diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk dat de partij moet worden doorgezonden of vernietigd.

(…)

2.1.3 Richtlijn 97/78/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten uit derde landen die in de gemeenschap worden binnengebracht (Pb. 1998, L 24, blz. 9, hierna: richtlijn 97/78/EG), luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"(…)

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

(…)

Artikel 1

De lidstaten verrichten de veterinaire controles voor producten uit derde landen die op een van de in bijlage I vermelde gondgebieden worden binnengebracht overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn.

Artikel 2

1. Voor de toepassing van deze richtlijn gelden, voorzover nodig, de definities van artikel 2 van Richtlijn 89/662/EEG (…), en van artikel 2 van Richtlijn 90/425/EEG (…)

2. Voorts wordt verstaan onder:

(…)

k) "bevoegde autoriteit": de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is voor de verrichting van de veterinaire controles, of elke autoriteit waaraan de centrale autoriteit deze bevoegdheid heeft overgedragen."

Artikel 4

1. Elke partij wordt in de in artikel 3, lid 2, bedoelde grensinspectiepost veterinair gecontroleerd door het overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), onder de verantwoordelijkheid van de officiële dierenarts geplaatste personeel van de bevoegde autoriteit.

(…)

3. Elke partij wordt, ongeacht de douanebestemming, onderworpen aan een documentencontrole (…)

4. Met uitzondering van de in de artikelen 9 tot en met 15 bedoelde specifieke gevallen, verricht de officiële dierenarts:

a) een overeenstemmingscontrole van iedere partij (…)

b) een materiële controle van iedere partij (…)

Artikel 17

(…)

2. Wanneer de veterinaire autoriteit aan de hand van de in deze richtlijn bedoelde controles vaststelt, dat het product niet aan de invoervoorwaarden voldoet of dat een onregelmatigheid is begaan, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger:

a) ofwel het product vanuit dezelfde grensinspectiepost binnen een termijn van ten hoogste 60 dagen met hetzelfde vervoermiddel terug te zenden naar een met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats buiten de in bijlage I vermelde grondgebieden, voorzover hiertegen geen bezwaren bestaan in verband met de resultaten van de veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften of de veterinairrechtelijke voorschriften.

b) ofwel het product te vernietigen in de daarvoor bestemde inrichting zoals bedoeld in Richtlijn 90/667/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) die het dichtst bij de grensinspectiepost gelegen is, indien terugzending onmogelijk is of de onder a) bedoelde termijn van 60 dagen verstreken is, of indien de belanghebbende bij de lading daar onmiddellijk mee instemt.

In afwachting van de terugzending van de in dit punt bedoelde producten of van de bevestiging van de motieven voor de afwijzing, worden de betrokken producten onder toezicht van de bevoegde autoriteit op kosten van de belanghebbende bij de lading opgeslagen door de bevoegde autoriteiten.

(…)

Artikel 22

1. Indien op het grondgebied van een derde land een in Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap vermelde ziekte, een zoönose dan wel een andere ziekte of fenomeen uitbreekt of zich verspreidt, waardoor de gezondheid van mens of dier ernstig in gevaar kan worden gebracht, of indien zulks op andere ernstige veterinairrechtelijke gronden of in verband met de volksgezondheid gerechtvaardigd is, met name op grond van de vaststellingen van haar veterinaire deskundigen, of blijkens de in een grensinspectiepost verrichte controles, treft de Commissie eigener beweging of op verzoek van een lidstaat onverwijld naar gelang van de ernst van de situatie een van de onderstaande maatregelen:

- schorsing van de invoer uit het gehele grondgebied van het betrokken derde land of een gedeelte daarvan en, in voorkomend geval, van het derde land van doorvoer,

- vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de producten afkomstig uit het gehele grondgebied van het betrokken derde land of een gedeelte daarvan,

- opstelling, op basis van feitelijke constateringen, van voorschriften voor aangepaste controles, die een specifiek onderzoek naar het gevaar voor de gezondheid van mens of dier kunnen omvatten en, naar gelang van het resultaat van die controles, de verhoging van de frequentie van de materiële controles.

2. Wanneer bij een van de bij deze richtlijn vastgestelde controles blijkt dat een partij producten een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier neemt de bevoegde veterinaire autoriteit onmiddellijk de volgende maatregelen:

- beslag op en vernietiging van de betrokken partij,

- onmiddellijke kennisgeving aan de andere grensinspectieposten en aan de Commissie van de gedane vaststellingen en van de oorsprong van de producten, overeenkomstig Beschikking 92/438/EEG.

(…)"

Artikel 1, tweede lid van Richtlijn 95/53/EG van de Raad van 25 oktober 1995 tot vaststelling van de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding, Pb 1995, L 265, blz. 17 (hierna: richtlijn 95/53/EG)), luidt als volgt:

"Deze richtlijn geldt onverminderd meer specifieke communautaire voorschriften, met xinbegrip van met name de communautaire douanevoorschriften en veterinaire bepalingen."

Beschikking 2002/69/EG van de Commissie van 30 januari 2002 betreffende beschermende maatregelen ten aanzien van uit China ingevoerde producten van dierlijke oorsprong (Pb. 2002, L 30, blz. 50, hierna: beschikking 2002/69/EG), luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"(…)

Gelet op Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht, en met name op artikel 22, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt,

(1) Krachtens Richtlijn 97/78/EG moeten de nodige maatregelen worden vastgesteld ten aanzien van de invoer van bepaalde producten uit derde landen wanneer een potentieel ernstig risico voor de gezondheid van mens of dier opduikt of zich verspreidt.

(…)

(5) Bovendien zijn bij een door deskundigen van de Commissie uitgevoerd inspectiebezoek in China ernstige tekortkomingen aan het licht gekomen met betrekking tot de regeling inzake diergeneesmiddelen en de controle op residuen bij levende dieren en dierlijke producten, waardoor schadelijke residuen, waaronder chlooramfenicol, kunnen voorkomen in voor menselijke of dierlijke consumptie bestemde producten, wat bijgevolg een risico inhoudt voor de gezondheid.

(6) Bij het inspectiebezoek is ook gebleken dat de bevoegde autoriteiten van China de talrijke verbintenissen die zij hebben aangegaan en garanties die zij hebben gegeven aan de Commissie niet nakomen voorzover het gaat om de controle op residuen en stoffen die een gevaar kunnen betekenen voor de volksgezondheid en de diergezondheid.

(7) Bijgevolg moet de invoer van voor menselijke of dierlijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong uit China worden geschorst. Evenwel dient te worden voorzien in een afwijking voor darmen en voor visserijproducten met uitzondering van schaal- en schelpdieren, die worden gevangen en op zee worden ingevroren en van een definitieve verpakking voorzien, en die vervolgens rechtstreeks op het grondgebied van de Gemeenschap worden aangevoerd, aangezien voor deze producten het hierboven beschreven risico niet van toepassing is.

(8) Om de negatieve gevolgen voor het handelsverkeer zoveel mogelijk te beperken zonder het risicobeheer in gevaar te brengen, wordt bij deze beschikking gedurende een periode van zes weken de invoer in de Gemeenschap toegestaan van zendingen die China hebben verlaten vóór de inwerkingtreding van deze beschikking, op voorwaarde dat die zendingen intensief worden bewaakt en getest om de veiligheid te garanderen.

(…)

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Deze beschikking is van toepassing op alle voor menselijke consumptie of voor diervoeding bestemde producten van dierlijke oorsprong die uit China worden ingevoerd.

Artikel 2

1. De lidstaten verbieden de invoer van de in artikel 1 bedoelde producten.

(…)

Artikel 3

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 1, geven de lidstaten toestemming om tot en met 14 maart 2002 zendingen van dergelijke producten die China hebben verlaten vóór 31 januari 2002, toch in te voeren op voorwaarde dat uit de in lid 2 bedoelde bewaking blijkt dat de zendingen geen risico's inhouden voor de volksgezondheid.

2. In dit verband voeren de lidstaten de bij Beschikking 2001/699/EG vastgestelde tests uit bij alle producten van dierlijke oorsprong als bedoeld in lid 1 en voor andere residuen van diergeneesmiddelen, bestrijdingsmiddelen, contaminanten en verboden stoffen.

(…)"

2.1.4 In de bijlage bij beschikking van de Commissie 2003/181/EG van 13 maart 2003 tot wijziging van de beschikking 2002/657, wat betreft de vaststelling van minimaal vereiste prestatielimieten (MRPL's) voor bepaalde residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Pb 2003, L 71, blz 17, hierna: beschikking 2003/181/EG) is de minimale prestatielimiet voor furazolidon voor alle lidstaten vastgesteld op 1 µg/kg (=1ppb).

2.1.5 De Landbouwwet bepaalt - onder meer - het volgende

"Artikel 13

1. Onze Minister kan bij in de Staatscourant bekend te maken regeling de verplichting opleggen tot het betalen van een geldsom terzake van een of meer der in het tweede lid van dit artikel genoemde gedragingen. Een zodanige regeling wordt slechts vastgesteld:

a.(…)

b. ter uitvoering van verordeningen, richtlijnen, beschikkingen en aanbevelingen van de Europese Economische Gemeenschap, voorzover deze betrekking hebben op het gemeenschappelijk landbouwbeleid, voorzien in de tweede titel van het tweede deel van het verdrag tot oprichting van die Gemeenschap.

Artikel 19

1. Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13 vermelde doeleinden kan Onze Minister bij in de Staatscourant bekend te maken regeling regelen vaststellen ten aanzien van de in het tweede lid, onder b, van dat artikel genoemde gedragingen.

(…)

2. De in het eerste lid bedoelde gedragingen zijn:

a. (….)

b. het (…) voorhanden en in voorraad hebben, bewaren, opslaan, be- en verwerken, ge- en verbruiken, vervoederen, slachten, vervoeren, aanvoeren, veilen, ontvangen, afleveren, te koop aanbieden, kopen en vervreemden van produkten.

(…)

Artikel 46

Tegen een op grond van de artikelen 13, (…) 19 (…) genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De Regeling keuring en handel dierlijke producten strekt tot implementatie van de richtlijn 97/78/EEG.

Tevens strekt de Regeling tot uitvoering van - onder meer - de hiervoor weergegeven artikelen van de Landbouwwet.

De Regeling keuring en handel dierlijke producten, zoals onder meer gewijzigd op 20 juli 1999, luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 1.1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

partij: hoeveelheid producten van dezelfde aard waarvoor eenzelfde handelsdocument of certificaat zoals voorgeschreven in deze regeling geldt, die met hetzelfde vervoermiddel wordt vervoerd en die afkomstig is uit hetzelfde derde land of gedeelte van een derde land, dan wel, indien zij afkomstig is uit een lid-staat, uit dezelfde inrichting;

Hoofdstuk 2. Controlebepalingen

Afdeling 1. Verbodsbepalingen (artikel 2.1)

Artikel 2.1

(…)

2. Het brengen in Nederland van producten of ziekteverwekkers is verboden, voor zover dit niet reeds is verboden op grond van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling E.G.-verordening gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten.

(…)

Afdeling 4. Het brengen in Nederland, alsmede het inslaan, opslaan of uitslaan van producten uit derde landen (artikelen 2.16 tot en met 2.24a)

§ 2. Nadere voorschriften voor het brengen in Nederland van producten uit derde landen: aankomst en onderzoek op de inspectiepost en vervoer na onderzoek op de erkende inspectiepost (artikelen 2.17 tot en met 2.22)

Artikel 2.17

1. Elke partij, rechtstreeks afkomstig uit een derde land, wordt aangevoerd via een inspectiepost.

(…)

5. De partij wordt bij aankomst op de inspectiepost ter onderzoek aangeboden aan de keuringsdierenarts.

6. De keuringsdierenarts onderwerpt de voor Nederland of een lidstaat bestemde partij in de inspectiepost aan een documentencontrole, een overeenstemmingscontrole en een materiële controle overeenkomstig artikel 4, derde en vierde lid, van richtlijn 97/78/EG. (…)

(…)

Artikel 2.21

(…)

2. Ten aanzien van de partij is, in voorkomend geval, voldaan aan de op grond van artikel 22, eerste lid, tweede en derde gedachtestreepje, van richtlijn 97/98/EG dan wel op grond van andere regelgeving van de EG vastgestelde bijzondere voorschriften.

§ 3. Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorschriften voor het brengen in Nederland van producten uit derde landen (artikel 2.24)

Artikel 2.24

1. (…)

2. Indien aan de hand van de op grond van deze regeling uitgevoerde controles wordt vastgesteld dat een voor Nederland of een lidstaat bestemd product niet voldoet aan de op grond van deze regeling voor dat product gestelde voorschriften of dat een onregelmatigheid is begaan, besluit de minister in overleg met de belanghebbende bij de lading:

a. dat het product in ieder geval binnen 60 dagen nadat is geconstateerd dat niet aan de onderhavige regeling wordt voldaan vanuit de inspectiepost met hetzelfde vervoermiddel wordt teruggezonden naar een derde land indien veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen zich daar niet tegen verzetten;

b. indien terugzending als bedoeld in onderdeel a onmogelijk is of de in dat onderdeel bedoelde termijn is verstreken, dat de partij wordt vernietigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 97/78/EG;(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Begin februari 2002 heeft verzoekster twee partijen bevroren eendenborst, afkomstig uit China en aldaar begin december 2001 verscheept, met GPC-nummers 27620652 en 39720361 en voorzien van door de bevoegde Chinese autoriteit afgegeven gezondheidscertificaten, bij de inspectiepost van de haven van Rotterdam aangeboden voor invoer in de Europese Gemeenschap.

- Op basis van in richtlijn 97/78 voorgeschreven onderzoeken zijn monsterextracten van de onderhavige partijen eendenborst geanalyseerd op de aanwezigheid van residuen van diergeneesmiddelen. In de eerstgenoemde partij is de aanwezigheid van residuen van furazolidon vastgesteld (16 ppb) en in de tweede partij de aanwezigheid residuen van zowel chlooramfenicol (1,4 ppb) als furazolidon (49 ppb).

- Onder verwijzing naar de laboratoriumresultaten heeft de keuringsdierenarts van de RVV de genoemde partijen bij twee onderscheiden besluiten van 1 maart 2002 de vorenvermelde partijen bevroren eendenborst geweigerd voor invoer in de EU en tot destructie bestemd.

- Bij brief van 18 maart 2002 heeft appellante tegen voormelde besluiten bezwaar gemaakt.

- De voorzieningenrechter van het College heeft op 29 april 2002 een verzoek van appellante om ter zake een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen.

- De partij met CPG-nummer 39720361 is vernietigd op 29 oktober 2002 en de partij met CPG0- nummer 2760652 is vernietigd op 30 oktober 2002.

- Op 15 april 2003 is appellante naar aanleiding van haar bezwaarschrift door verweerder gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

De betreffende partijen waren blijkens de bijbehorende grenspassagecertificaten, bestemd voor invoer in de EU om in het vrije verkeer te worden gebracht. Dat brengt mee dat zij onder de jurisdictie van de EU vallen. Daaraan doet niet af dat zij niet zijn ingeklaard. Integendeel, de weigering van de douane de partijen vrij te geven vond zijn oorzaak in de toepasselijkheid van de Europese regelgeving.

De bestemming tot destructie van de litigieuze partijen eendenborst is gebaseerd op de Regeling keuring en handel dierlijke producten. Er bestaat geen ruimte in het kader van artikel 2.16 van de Regeling keuring en handel dierlijke producten een uitzondering te maken op het in artikel 2.1. neergelegde invoerverbod, aangezien op grond van artikel 2.21 van de Regeling ten aanzien van iedere partij moet zijn voldaan aan de op grond van artikel 22, eerste lid, tweede en derde gedachtestreepje van de richtlijn 97/78/EG vastgestelde voorschriften. Beschikking 2002/69/EG is op grond van deze bepaling vastgesteld en deze beschikking gebiedt de invoer van alle voor menselijke consumptie of voor diervoeding bestemde producten met herkomst China te weigeren, tenzij het betreft partijen, die China hebben verlaten vóór 31 januari 2002 en vóór 15 maart 2002 ter keuring zijn aangeboden, indien blijkt uit voorgeschreven tests dat deze partijen geen risico inhouden voor de volksgezondheid.

Iedere hoeveelheid van de in de bijlage IV bij verordening (EEG) 2377/90 opgenomen stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong levert blijkens artikel 5 van deze verordening een gevaar op voor de consument ervan. Omdat chlooramfenicol en furazolidon in deze bijlage zijn vermeld, is terugzending van de betreffende partij niet mogelijk, indien de aanwezigheid daarvan in welke hoeveelheid dan ook wordt vastgesteld. Voor deze stoffen geldt een zogenaamde nul-limiet.

Nadat beschikking 2002/69/EG was vastgesteld, heeft Nederland vele partijen vlees met herkomst China voor invoer geweigerd. China heeft daarop een invoerverbod voor dierlijke producten uit Nederland afgekondigd. Toen tevens bleek dat ten tijde van de invoer van de onderhavige partijen niet alle lidstaten analysemethoden hanteerden waarin de aanwezigheid van minder dan 5 ppb nitrofuranen in dierlijke producten kan worden aangetoond, heeft Nederland, na overleg te hebben gevoerd met de Chinese autoriteiten en met de Europese Commissie, na ampel beraad besloten uit China afkomstige partijen die vóór 15 maart 2002 ter keuring waren aangeboden voor terugzending in aanmerking te brengen wanneer ze minder dan 5 ppb nitrofuranen bevatten en niet tevens in de Bijlage IV vermelde andere stoffen bevatten. Deze beslissing is uitdrukkelijk beperkt tot partijen met een hoeveelheid nitrofuranen van minder dan 5 ppb, omdat alleen ten aanzien van deze stoffen in de lidstaten verschillen bestonden in de prestaties van analysemethoden.

De omstandigheid dat bepaalde partijen vlees onder het uitzonderingsregime van beschikking 2002/69/EG naar China zijn teruggezonden, leidt er echter niet toe dat de nul-limiet ten aanzien van furazolidon niet meer geldt. Artikel 22, tweede lid, van richtlijn 97/78/EG blijft onverkort van toepassing. Dit artikel is toepasselijk zodra de volksgezondheid in het geding is. Bij een vastgestelde overschrijding van de nul-limiet is dat steeds het geval. Dat de prestatielimiet voor furazolidon blijkens de bijlage bij beschikking 2002/657/EG, tot uitvoering van richtlijn 96/23/EG (Pb. 2002 L 221, blz 8) moet worden vastgesteld op 1 ppb, doet daaraan niet af. Dit begrip ziet niet op een maximum toelaatbaar gehalte, maar op "het minimale gehalte van een analyt in een monster dat aangetoond en bevestigd moet worden" en houdt aldus verband met de prestatie die met de analysemethode minimaal gerealiseerd moet worden. Wat hier overigens van zij, de onderhavige partijen bevatten meer dan 1 ppb furazolidon, zodat reeds om die reden artikel 22, tweede lid, van richtlijn 97/98/EG niet buiten beschouwing kan blijven.

Richtlijn 97/78/EG strekt ertoe te voorkomen dat dierlijke producten waarvan na controle door een lidstaat is gebleken dat zij besmet of bedorven zijn, op de markt beschikbaar blijven. Niet valt in te zien dat, gelet op de aard van de in geding zijnde belangen, een beperking tot de aanwezigheid op de EU-markt daarbij aangewezen zou zijn. Verweerder vindt steun voor deze opvatting in de uitspraak van het CBb van 11 mei 2000 (AWB 99/538).

Omdat uit veterinaire controles is gebleken dat de litigieuze partijen vlees residuen van chlooramfenicol en/of furazolidon bevatten, dienden zij, gelet op het bepaalde in artikel 2.24, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten, in samenhang met artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van richtlijn 97/78/EG, te worden geweigerd voor invoer en bestemd ter destructie. Dat volgt ook uit artikel 22, van richtlijn 97/78/EG, waarin dwingend wordt voorgeschreven dat een partij producten moet worden vernietigd indien deze een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier.

De in artikel 17, tweede lid, van richtlijn 97/78/EG voorziene mogelijkheid van terugzending van de partijen naar het land van herkomst is in verband met de resultaten van veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften, niet aan de orde, omdat hiertegen bezwaren bestaan in verband met de resultaten van de keuring en de gezondheidsvoorschriften. Het juridisch kader biedt geen andere mogelijkheid dan vernietiging van de partijen.

Voor de veterinaire autoriteit bestond dan ook geen verplichting tot het voeren van overleg als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van richtlijn 97/78/EG, of raadpleging als voorzien in artikel 4 van beschikking 93/13/EG. Indien aan de totstandkoming van de primaire beslissingen op dit punt een gebrek zou kleven, is dit overigens nog geen reden om thans terugzending van de betreffende partijen toe te staan.

Ten slotte heeft verweerder overwogen dat de betreffende partijen zijn aan te merken als hoog-risicomateriaal in de zin van de Destructiewet en dat in verband daarmee op de eigenaar/houder van dergelijk materiaal de wettelijke plicht rust deze af te staan aan tot destructie. Deze vaststelling vloeit rechtstreeks voort uit de wet en berust niet op enig voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat- het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Aan de primaire besluiten ligt ten grondslag de Regeling keuring en handel dierlijke producten. Deze regeling, en niet richtlijn 97/78/EG moet als uitgangspunt worden genomen voor de rechtvaardiging van de primaire besluiten. De Regeling keuring en handel dierlijke producten biedt geen ruimte om maatregelen te nemen, die geen betrekking hebben op "het brengen in Nederland" van producten uit derde-landen of die niet zien op de gezondheid van in Nederland woonachtige mensen of dieren.

Terugzending van de betreffende partijen eendenborst levert geen enkel gevaar op voor de gezondheid van in Nederland woonachtige mensen of dieren. Om die reden dient het bestreden besluit vernietigd te worden.

Het bestreden besluit is voorts niet gebaseerd op een interpretatie van de Regeling keuring en handel dierlijke producten, maar op een interpretatie van richtlijn 97/78/EG. Miskend wordt dat de nationale regelgeving doorslaggevend is voor de beslechting van het geschil.

Indien wel van richtlijn 97/78/EG moet worden uitgegaan, zijn de onderhavige partijen eveneens ten onrechte tot destructie bestemd. Aanvaarding van het principe dat de EU en, door middel van EU-regelgeving, de lidstaten de verplichting hebben om ervoor te zorgen dat alle levensmiddelen van dierlijke oorsprong die zich binnen hun rechtsmacht bevinden, worden vernietigd indien zij residuen bevatten van substanties, die voorkomen op de lijst van Bijlage IV bij verordening (EEG)2377/90 brengt met zich dat de wijze waarop dit principe in de praktijk wordt gebracht steeds dezelfde moet zijn.

Zolang Nederland wat betreft de toegestane toleranties een onderscheid maakt tussen de regimes bij invoer, doorvoer en uitvoer - en dat zal in elk het geval zijn tot 1 januari 2005, op welke datum richtlijn (EG) 2002/99 van de Raad van 16 december 2002, houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (Pb. 2003, L 18, blz. 11) moet zijn geïmplementeerd - kan de Richtlijn 97/78/EG niet worden geacht mede te zien op de bescherming van de consument buiten de EU.

Ook heeft appellante aangevoerd dat Nederland tot 30 maart 2002 door Nederland, niet alleen ten aanzien van furazolidon, maar ook ten aanzien van clooramfenicol geen nul-tolerantie heeft aangehouden, vanwege het bepaalde bij artikel 2, lid 1, onderdeel I van de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985, hetgeen heeft geleid tot terugzending van verschillende partijen producten waarin een zeker gehalte van deze stoffen was aangetroffen.

De redenering dat als doorzending naar een andere lidstaat niet mogelijk is, ook terugzending naar het land van herkomst niet tot de mogelijkheden behoort, is onjuist. Deze redenering leidt er onontkoombaar toe dat alle voor doorzending naar een andere lidstaat ongeschikt bevonden partijen moeten worden vernietigd, ook de partijen die ongeschikt zijn bevonden, maar niet vanwege de overschrijding van een gestelde nullimiet. Dat verdraagt zich niet met het bepaalde bij artikel 17, tweede lid, onder a en b van richtlijn 97/78/EG, dat juist de mogelijkheid opent dat producten worden teruggezonden als doorzending naar een andere lidstaat niet mogelijk is.

Gelet hierop en ook op de vaststelling van de minimum gehaltes voor chlooramfenicol en furazolidon in beschikking 2003/181/EG, die boven 0 liggen, meent appellante dat niet zo strikt de hand meer wordt gehouden aan de bij verordening (EEG) 2377/90 vastgestelde nullimiet.

Ook als richtlijn 97/78/EG mede van toepassing zou zijn, zouden in verband met artikel 22, lid 2, alle partijen die residuen bevatten van een stof die voorkomt op de lijst van Bijlage IV bij verordening (EEG) 2377/90, moeten worden vernietigd.

Het bestreden besluit kan ook in verband hiermee niet in stand blijven, aangezien het in de interpretatie van verweerder is gebaseerd op artikel 17, tweede lid, van richtlijn 97/78/EG, dat nu juist de mogelijkheid tot terugzending openlaat.

Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de EU buiten het kader van haar bevoegdheden treedt wanneer richtlijn 97/78/EG aldus moet worden geïnterpreteerd dat zij mede ziet op bescherming van consumenten buiten de EU. Bescherming van consumenten vormt niet één van de doelstellingen van het Verdrag. De beslissing om producten die residuen bevatten die voorkomen op de lijst bij Bijlage IV van de Verordening, te vernietigen, kan niet mede berusten op een onjuiste interpretatie van het toepassingsbereik van het EG-Verdrag.

Dit geldt a fortiori in gevallen waarin:

- de regelgeving van het land van herkomst geen nultolerantie aanhoudt en de gevonden residuen binnen de marges blijven die in het land van herkomst aanvaardbaar worden geacht en

- terugzending naar het land van herkomst in het licht van de Regeling keuring en handel dierlijke producten niet stuit op bezwaren van veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen met betrekking tot in Nederland woonachtige mensen of dieren, hetgeen in de onderhavige casus ook niet het geval is.

Appellante is van mening dat de communautaire regelgeving duidelijk is omtrent haar toepassingsbereik. Mocht over het toepassingsbereik van richtlijn 97/78/EG twijfel bestaan dan dient terzake een prejuciciële vraag aan het Hof van Justitie van de EG te worden voorgelegd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De bevoegdheid van het College.

Het College stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de rechtsgrondslag van de primaire besluiten heeft gewijzigd door zich alsnog te baseren op de Regeling keuring en handel dierlijke producten. Deze regeling is mede gebaseerd op artikel 19 van de Landbouwwet. Daarin is - onder meer - bepaald dat regelingen kunnen worden uitgevaardigd ter verwezenlijking van de in artikel 13, eerste lid, van de Landbouwwet vermelde doeleinden, waaronder tevens het gemeenschappelijk landbouwbeleid valt. Zoals uit de aanhef bij de Regeling keuring en handel dierlijke producten zoals deze op 20 juli 1999 is gewijzigd blijkt, strekt deze onder meer tot implementatie van richtlijn 97/78/EG, welke richtlijn weer gebaseerd is op artikel 43 EG-Verdrag (thans: 37 EG). De grondslag van de Regeling keuring en handel dierlijke producten is derhalve gelegen in de artikelen 13 en 19 van de Landbouwwet. Dat brengt mee dat het College, in verband met het bepaalde bij artikel 46 van de Landbouwwet, bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

5.2 De zaak ten gronde.

5.2.1 Niet in geschil is dat in de partij met GPC-nummer 27620652 de aanwezigheid van residuen furazolidon (16 ppb) is vastgesteld. Evenmin is in geschil dat in de partij met GPC-nummer 39720361 is vastgesteld de aanwezigheid van residuen chlooramfenicol (1,4 ppb) en residuen furazolidon (49 ppb). Beide partijen zijn ter keuring aangeboden met het oog op invoer in de Europese Gemeenschap. Door appellante is in dit stadium van de procedure niet langer betoogd dat beide partijen feitelijk nooit de EU zijn binnengebracht zodat zij niet onder de jurisdictie van de EU vallen. Appellante heeft voorts niet, althans niet gemotiveerd, bestreden de beslissing van verweerder de partijen ten invoer te weigeren vanwege de aanwezigheid van residuen chlooramfenicol en residuen furazolidon. Derhalve spitst het geschil zich toe op de vraag welke consequenties verweerder aan deze vaststelling heeft kunnen verbinden en met name of verweerder gehouden was de betreffende partijen te bestemmen ter vernietiging dan wel of verweerder appellante in de gelegenheid zou hebben moeten stellen de betreffende partijen terug te zenden. Hierbij komt het erop aan of verweerder op goede gronden heeft

geoordeeld dat veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, aanhef en onder a, Regeling keuring en handel in dierlijke producten, zich tegen terugzending naar China verzetten.

5.2.2 Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit betrekking heeft op partijen die vacuüm zijn verpakt en dat de bescherming van gezondheid van mens of dier in Nederland of in een andere lidstaat van de EU, zich niet verzet tegen terugzending van de betreffende partijen naar een gebied niet vermeld op bijlage I van richtlijn 97/78/EG. Bovendien heeft appellante ter zitting verklaard dat de partijen voorafgaand aan verscheping naar Rotterdam in China op de voorschreven wijze in het verkeer waren gebracht zodat moet worden aangenomen dat zij voldoen aan de in China geldende veterinaire- en gezondheidsnormen. Voorts heeft appellante verklaard dat de exporteur bereid was de partijen terug te nemen. Aangezien verweerder dit niet heeft weersproken gaat het College uit van de veronderstelling dat de veterinaire- en gezondheidsvoorschriften van in ieder geval het land van herkomst zich niet verzetten tegen herinvoer vanwege de omstandigheid dat in de partijen residuen van furazolidon en chlooramfenicol zijn aangetroffen. Derhalve kon gelet op de bereidheid van de exporteur de partijen terug te nemen, niet zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat terugzending was uitgesloten.

5.2.3 In deze omstandigheden staat het College voor de vraag of artikel 2.24, tweede lid, aanhef en onder a. van de Regeling keuring en handel dierlijke producten aldus moet worden begrepen, dat zij terugzending van een product dat niet voldoet aan de op grond van deze regeling voor dat product geldende voorschriften, uitsluit indien de veterinaire- of gezondheidsredenen die zich daartegen zouden kunnen verzetten, buiten Nederland respectievelijk de lidstaten van de Europese Unie, moeten worden gelokaliseerd. Anders dan verweerder meent, heeft het College deze vraag niet reeds beantwoord in zijn uitspraak van 11 mei 2000 (Congelados Macchiavello y Cia S.A., Awb 99/538). Uit deze uitspraak blijkt immers slechts dat de bescherming van de in Nederland of in een andere lidstaat gelokaliseerde belangen van veterinairrechtelijke aard of gezondheidsredenen niet noodzakelijk veronderstelt dat de afgekeurde partij (feitelijk) in de Europese Unie aanwezig is.

5.2.4 Het College is van oordeel dat artikel 2.24, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling keuring en handel zich enerzijds niet uitdrukkelijk verzet tegen de toepassing die verweerder aan deze bepaling heeft gegeven, maar anderzijds de interpretatie die door appellante wordt bepleit geenszins uitsluit. Omdat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie de nationale rechter bij de uitlegging en toepassing van het nationale recht ervan moet uitgaan, dat de staat de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit de betrokken richtlijn voortvloeiende verplichtingen en derhalve bij de toepassing van het nationale recht dit zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde alinea, EG te voldoen (zie onder meer arresten van het Hof van 13 november 1990, Marleasing, C-106/89, Jur. blz. I-4135, punt 8; van 16 december 1993, Wagner-Miret, C-334/92, Jur. blz. I-6911, punt 20; en van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., gevoegde zaken C-397/01 tot en met C-403/01, n.n.g. punt 112), dient bij de beoordeling van het beroep richtlijn 97/78/EG in acht te worden genomen. Dit eens te meer aangezien de Regeling keuring en handel dierlijke producten strekt tot tenuitvoerlegging van richtlijn 97/78/EG.

5.2.5 Blijkens artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, richtlijn 97/78/EG dient een product dat niet aan de invoervoorwaarden voldoet, te worden teruggezonden voorzover hiertegen geen bezwaar bestaat in verband met de resultaten van de veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften of de veterinairrechtelijke voorschriften. Deze bepaling lijkt een beperktere mogelijkheid te voorzien om terugzending uit te sluiten, dan artikel 2.24, tweede lid, aanhef en onder a., van de Regeling keuring en handel dierlijke producten. Genoemde bepaling van richtlijn 97/78/EG relateert de terugzending aan de inhoud van bepaalde voorschriften terwijl de Regeling keuring en handel in dierlijke producten terugzending uitsluit in verband met veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen ook als deze niet specifiek zijn neergelegd in een voorschrift.

De verwijzing naar gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften in artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, richtlijn 97/78/EG als grond voor uitsluiting van terugzending brengt mee dat voor de beoordeling van de stelling van appellante moet worden uitgelegd wat onder zodanige voorschriften moet worden verstaan. Daarbij is van belang of deze verwijzing betreft voorschriften die voor invoer in de lidstaten van de EU gelden dan wel voorschriften van een met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats buiten de in bijlage I van richtlijn 97/78/EG vermelde grondgebieden. In het bestreden besluit is verweerder kennelijk niet van laatstgenoemde interpretatie uitgegaan. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder met belanghebbende bij de lading een plaats die is vermeld op bijlage I van richtlijn 98/87/EG, is overeengekomen, laat staan heeft vastgesteld dat voorschriften die ter plaatse gelden, in de weg staan aan terugzending van de betreffende partijen. Verweerder heeft in dit verband gewezen op artikel 22, tweede lid, richtlijn 97/78/EG en lijkt derhalve de voorschriften die in de EU van toepassing zijn, als maatgevend te hebben aanvaard. Hoewel deze interpretatie niet onaanvaardbaar is te achten meent het College dat niet vanzelfsprekend is dat door de communautaire wetgever vastgestelde normen voor producten die in de Gemeenschap in het vrije verkeer worden gebracht, ook toegepast moeten worden bij de beslissing om producten die niet in de gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht, terug te zenden, terwijl de regelgeving die van toepassing is op de met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats, voorziet in een ander niveau van bescherming van de volksgezondheid. Derhalve bestaat over deze interpretatie niet zodanige zekerheid, dat kan worden gemeend dat hierover redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan. Derhalve is het College verplicht deze vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen.

5.2.6 Het systeem van artikel 17 richtlijn 97/78/EG impliceert dat niet steeds een product dat niet aan de invoervoorwaarden voldoet, van de mogelijkheid van terugzending naar een met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats buiten de in bijlage I bij richtlijn 97/78/EG vermelde grondgebieden wordt uitgesloten. Derhalve zal moeten worden vastgesteld of de met betrekking tot de onderhavige partijen verkregen resultaten van de veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften of veterinairrechtelijke voorschriften zich verzetten tegen terugzending van deze partijen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 22, tweede lid, richtlijn 98/87/EG de verplichting meebrengt, zonder dat verweerder de bevoegdheid heeft anderszins te besluiten, de betreffende partijen te vernietigen. Laatstgenoemde bepaling schrijft voor dat, indien bij een van de bij richtlijn 97/78/EG vastgestelde controles blijkt dat een partij producten een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier, de bevoegde veterinaire autoriteit onmiddellijk besluit tot beslag op en vernietiging van de betreffende partij. Dat de betreffende partijen, waarin residuen van chlooramfenicol en furazolidon zijn vastgesteld, een gevaar voor de volksgezondheid vormen ontleent verweerder aan artikel 5 verordening (EEG) 2377/90.

De juistheid van deze interpretatie is niet zonder twijfel, reeds omdat - zoals blijkt uit de beslissing op bezwaar - na overleg met de Chinese autoriteiten en met de Commissie na ampel beraad is besloten dat partijen vlees met herkomst China die voor 15 maart 2002 ter keuring zijn aangeboden voor terugzending in aanmerking komen, indien zij minder dan 5 ppb nitrofuranen bevatten en niet tevens andere stoffen vermeld in bijlage IV van verordening (EEG) 2377/90.

Indien artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a richtlijn 97/78/EG, gelezen in samenhang met artikel 22 van deze richtlijn en artikel 5 verordening (EEG) 2377/90, meebrengt dat verweerder geen andere keuze heeft dan een partij producten waarin een residu van een stof vermeld in bijlage V van verordening (EEG) 2377/90 is aangetroffen, te bestemmen voor vernietiging, zou de na overleg met onder meer de Commissie overeengekomen gedragslijn, niet met deze verplichting verenigbaar zijn. Reeds hierom kan het College niet vaststellen dat de thans door verweerder bepleite interpretatie van artikel 17 richtlijn 98/78/EG zonder redelijke twijfel is, zodat ook deze vraag ingevolge artikel 234, derde alinea, EG aan het Hof van Justitie moet worden voorgelegd.

In verband hiermee dient de vraag zich aan of artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, richtlijn 98/78/EG strekt tot bescherming van de belangen van het derde land waar de partij na terugzending zal worden ingevoerd, ook indien dit belang niet tevens de bescherming van een belang dat in de lidstaten van de EU kan worden gelokaliseerd, impliceert. De benadering die door verweerder wordt voorgestaan, brengt mee dat deze bescherming plaats vindt op het niveau dat is neergelegd in communautaire regelgeving, zoals in casu verordening (EEG) 2377/90, hoewel het beschermingsniveau van het betreffende derde land wellicht lager is. In dit verband meent het College dat in de rechtspraak van het Hof aanwijzingen kunnen worden gevonden dat het vrij verkeer tussen de lidstaten door één lidstaat niet mag worden beperkt omwille van een belang dat in een andere lidstaat moet worden gerealiseerd (arrest van het Hof van 10 mei 1995, Alpine Investments, C-384/93, Jur. Blz. I-1141, punt 43), terwijl de benadering in het arrest Werner wellicht iets ruimere bevoegdheid biedt voor een beperking met het oog op de positie van een derde land, maar desalniettemin ook de aanwezigheid van een eigen belang van de lidstaat die de export naar een derde land beperkt, benadrukt (arrest van het Hof van 17 oktober 1995, Werner, C-70/94, Jur. blz. I-3189, met name punten 25 en 26).

5.2.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de zaak worden verwezen naar het Hof van Justitie om bij prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de hierna geformuleerde vragen. Ingevolge artikel 23 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie wordt de procedure voor het College in afwachting van de prejudiciële beslissing geschorst en zal het College iedere beslissing in dit geding aanhouden. Het vorenoverwogene leidt tot de volgende beslissing.

6. Beslissing

Het College:

- heropent het onderzoek;

- verzoekt het Hof van Justitie een prejudiciële beslissing te geven omtrent de volgende vragen:

1. Moet artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van richtlijn 97/78/EG, aldus worden geïnterpreteerd dat het bezwaar tegen terugzending van een partij die niet aan de invoervoorwaarden voldoet, is gelegen in het niet voldoen aan de communautaire voorwaarden voor invoer dan wel in de voorwaarden die gelden op de met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats gelegen buiten de in bijlage I van de richtlijn 97/98 EG vermelde grondgebieden?

2. Moet artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van richtlijn 97/78/EG, gelezen in samenhang met artikel 22, tweede lid, van richtlijn 97/78EG en met artikel 5, van verordening (EEG) 2377/90 aldus worden geïnterpreteerd dat deze bepaling in alle gevallen waarin na één van de bij richtlijn 97/78/EG voorziene controles blijkt dat een partij producten een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier, imperatief de vernietiging van de betreffende partijen dierlijke producten voorschrijft?

3. Moet artikel 22 van richtlijn 97/78/EG in samenhang met artikel 5, verordening (EEG) 2377/90 aldus worden geïnterpreteerd dat de enkele omstandigheid dat in een partij een residu van een stof vermeld in bijlage V van verordening (EEG) 2377/90 is aangetroffen, meebrengt dat de betreffende partij een zodanig gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier dat terugzending is uitgesloten?

4. Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, moet 17, tweede lid, van richtlijn 97/78/EG, aldus worden uitgelegd dat het tevens strekt tot bescherming van de belangen van het derde land waar de partij na terugzending zal worden ingevoerd, ook als dit belang niet tevens de bescherming impliceert van een belang dat lidstaten van de EU kan worden gelokaliseerd?

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005

w.g. H.C. Cusell w.g. A. Bruining