Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT2712

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-03-2005
Datum publicatie
29-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/68
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Zuiver schadebesluit

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/68 9 maart 2005

40010 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Zuiver schadebesluit

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. drs. W.A.H.M. de Haard, werkzaam bij Accon accountants en adviseurs te Arnhem,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: J. Hekkelman, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 26 januari 2004, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 december 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders afwijzing van appellants verzoek om vergoeding van schade.

Bij brief van 26 februari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 15 december 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder, bij gemachtigde, zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 4 december 1997 heeft appellant, als vennoot van de maatschap B, van het Sint Jacobs Godshuis te Haarlem een perceel landbouwgrond in eigendom verkregen, dat tot dat moment werd gepacht door C, vennoot van de maatschap D (hierna: D). Appellant heeft voorts op diezelfde dag van D de eigendom verkregen van een boerderij en een boomgaard. D heeft bij brief van 20 december 1997 aan LASER bericht dat hij het bedrijf per december 1997 heeft beëindigd.

- Op 3 februari 1998 heeft appellant bij LASER te Dordrecht geïnformeerd welke van de beide maatschappen, gelet op de overdracht van de boomgaard, voor subsidie op grond van de Uitvoeringsregeling EG-rooisubsidie 1998 (hierna: de Uitvoeringsregeling) in aanmerking kwam. Blijkens een verslag van de informatieverstrekking gedateerd op 2 november 1998 en opgemaakt door een medewerker van LASER is aan appellant door LASER medegedeeld dat appellant, noch D in aanmerking kwamen voor subsidie, omdat D het bedrijf met de boomgaard niet meer exploiteerde en appellant het bedrijf op 30 oktober 1997 niet exploiteerde.

- In het aanvraagformulier, waarmee D op 6 februari 1998 in verband met 7,09 ha te rooien perenbomen om subsidie op grond van de Uitvoeringsregeling verzocht, staat onder meer vermeld:

"De ondergetekende verklaart dat hij/zij bekend is met de voorwaarde dat als uitgangsdatum voor de bepaling van de omvang van het bedrijf 30 oktober 1997 wordt genomen. Op deze datum dient de aanvrager het te rooien areaal geëxploiteerd te hebben."

- Deze aanvraag is door verweerder bij besluit van 16 maart 1998 afgewezen, op de grond dat D in verband met de overdracht van het bedrijf per 4 december 1997 niet voldeed aan de voorwaarde van de Uitvoeringsregeling, te weten de definitie "Een producent of exploitant die voor eigen rekening en risico een appel- of perenboomgaard exploiteert".

- D en appellant hebben gezamenlijk bij brief van 19 maart 1998 bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit.

- In de op 3 juni 1998 genomen en uitsluitend tot D gerichte beslissing op bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard omdat D niet had aangetoond dat hij de boomgaard exploiteerde op het moment waarop de aanvraag werd ingediend.

- Het College heeft in zijn uitspraak van 31 mei 2000, nr. AWB 98/627, het beroep van D ongegrond verklaard en het bezwaar van appellant, na gegrondverklaring van het beroep, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) alsnog niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant bij verweerders besluit tot afwijzing van de subsidieaanvraag van D niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

- De gemachtigde van appellant heeft verweerder bij schrijven van 15 april 2002 om vergoeding van schade verzocht. In deze brief staat onder meer vermeld:

"Cliënt heeft in het verleden informatie ingewonnen bij Laser omtrent de indiening van een aanvraag rooisubsidie 1998. Door Laser is te kennen gegeven dat voor de aanvraag van de rooisubsidie het is vereist, dat de aanvrager op 30 oktober 1997 exploitant zou moeten zijn geweest van de boomgaard. Een invulformulier opgesteld door Laser bevestigde de bovenstaande informatie.

(…) Als bijlage treft u aan een notitie van uw medewerker bij de Directie Juridische zaken E. In dit schrijven wordt op advies van F werkzaam bij de Europese Commissie gesteld, dat voor de toekenning van een aanvraag het geenszins noodzakelijk is dat de aanvrager de betreffende boomgaard op 30 oktober 1997 diende te exploiteren. Opgemerkt dient in dit verband te worden, dat naast een onjuiste uitleg van artikel 2 lid 2 van de verordening ook door Laser onjuiste informatie is verstrekt op de aanvraagformulieren ten behoeve van de rooisubsidie 1998. Dit heeft tot gevolg dat de aanvraag door de exploitant, A had moeten worden ingediend.

Concluderend kan gesteld worden dat door de onjuiste toepassing van artikel 2 lid 2 van de verordening, cliënt schade heeft geleden, waarvoor ik Laser aansprakelijk stel. Laser dient de geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, te vergoeden. Daarnaast vordert onze cliënt de kosten gemaakt ten behoeve van de geraadpleegde deskundigen en de buitengerechtelijke kosten.

(…) "

- Op 10 oktober 2002 is appellant gehoord. Bij brief van 18 oktober 2003 heeft appellant nadere stukken ingediend.

- Bij brief van 23 juli 2003 heeft verweerder het verzoek om vergoeding van schade afgewezen.

- Hiertegen heeft appellant bij brief van 29 augustus 2003 bezwaar gemaakt.

- Op 10 december 2003 is appellant ter zake van zijn bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Ter zitting heeft verweerder nader uiteengezet dat het verzoek van appellant van 15 april 2002 diende te worden aangemerkt als een verzoek om een zuiver schadebesluit te nemen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de uitspraak van het College van 31 mei 2000 in rechte vast is komen te staan dat appellant niet-ontvankelijk was in zijn bezwaar tegen het besluit waarbij de aanvraag van D om rooipremie is afgewezen. Voorts heeft het College in die uitspraak volgens verweerder vastgesteld dat er geen sprake is geweest van verschaffing van onjuiste informatie waaraan vertrouwen kon worden ontleend, zodat het College in die procedure tot afwijzing van het verzoek om vergoeding van schade kwam. Gelet op deze uitspraak, kan het onderhavige verzoek om schadevergoeding niet worden ingewilligd, omdat er geen sprake is van enig besluit, en derhalve niet van enige rechtsverhouding, op grond waarvan aanspraak op een vorm van schadevergoeding bestaat. Bovendien stelt verweerder zich op het standpunt dat het appellants eigen beslissing is geweest om geen aanvraag in het kader van de Uitvoeringsegeling in te dienen. De door LASER erkende ongelukkige gang van zaken met betrekking tot de informatievoorziening doet daaraan niet af.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep onder meer het volgende aangevoerd.

Volgens appellant heeft verweerder het bezwaar ten onrechte afgewezen onder verwijzing naar de overwegingen van het College in de uitspraak van 31 mei 2000. Inhoudelijk had die uitspraak slechts betrekking op de gronden die D had aangevoerd tegen de afwijzing van de rooipremie. In onderhavige procedure staat echter niet eventuele door D geleden schade ter discussie, maar de door appellant geleden schade. Volgens appellant staat voldoende vast dat hij, als gevolg van de bij LASER ingewonnen informatie en verweerders verkeerde interpretatie van artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2467/97 ten onrechte geen aanvraag om rooipremie heeft ingediend, waardoor hij schade heeft geleden.

Subsidiair stelt appellant dat hij ten onrechte bij dezelfde afdeling van LASER bezwaar heeft moeten maken als die welke de primaire beslissing heeft genomen, zodat het bestreden besluit niet aan de eisen van recht en doelmatigheid voldoet.

Ter zitting heeft appellant voorts nog aangevoerd dat verweerder aansprakelijk is voor de schade die is geleden als gevolg van de onjuiste toepassing van het gemeenschapsrecht. Het effectiviteitsbeginsel brengt volgens appellant met zich dat de burger de mogelijkheid moet hebben om van zijn lidstaat schadevergoeding te krijgen, indien de lidstaat de effectuering van rechten, ontleend aan het gemeenschapsrecht, in de weg staat.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Het College stelt vast dat in onderhavig geval de oorzaak van de door appellant geleden schade niet is gelegen in een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar in het beweerdelijk verstrekken van onjuiste informatie door LASER, hetgeen als een feitelijk handelen moet worden aangemerkt. Dit betekent dat, gelet op de jurisprudentie inzake zelfstandige schadebesluiten, tegen de afwijzende beslissing van verweerder van 23 juli 2003 op het verzoek van appellant geen bezwaar en beroep open staat.

5.2. Het voorgaande leidt op zich tot de conclusie dat verweerder het bezwaar tegen zijn beslissing van 23 juli 2003 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

Aan zodanige conclusie staat het communautaire effectiviteitsbeginsel, waarop appellant beroep heeft gedaan, niet in de weg. Immers, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is het aan elke lidstaat om in het kader van het nationale aansprakelijkheidsrecht de gevolgen van de veroorzaakte schade ongedaan te maken. Bij gebreke van een gemeenschapsregeling ter zake is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen ten volle te beschermen. Daarbij mogen de formele en materiële voorwaarden die door de onderscheiden nationale wettelijke regelingen ter zake van schadevergoeding zijn vastgesteld, niet ongunstiger zijn dan die welke voor gelijksoortige nationale vorderingen gelden, en niet van dien aard zijn, dat zij het verkrijgen van schadevergoeding nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maken. (Zie onder meer arrest van het Hof van Justitie van 19 november 1991, Francovich, C-6/90 en C-9/90, Jur. 1991, blz. I-5357).

Appellant kan zich ter zake van zijn vordering tot de burgerlijke rechter wenden. Nu niet valt in te zien dat de bevoegdheidsverdeling tussen de burgerlijke en de bestuursrechter, zoals die voortvloeit uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Awb, het in een geval als het onderhavige verkrijgen van schadevergoeding nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, is aldus voldaan aan het effectiviteitsvereiste.

5.3. De slotsom is dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Voorts ziet het College in het voorgaande aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van appellant tegen de beslissing van 23 juli 2003 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, onder bepaling dat deze uitspraak met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb in de plaats treedt van het besluit van 17 december 2003.

Het College zal ingevolge artikel 8:71 van de Awb in het dictum vermelden dat een vordering tegen de beslissing van 23 juli 2003 uitsluitend bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

Het College acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door appellant in verband met het instellen van het beroep gemaakte proceskosten. De kosten worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrechtspraak bepaald op € 644,--, waarbij is uitgegaan van 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 17 december 2003;

- verklaart het bezwaar van appellant tegen de beslissing van verweerder van 23 juli 2003 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro),

onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,-- (zegge:

honderdzestien euro) vergoedt;

- vermeldt dat ter zake van het onderhavige geschil uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.J. Kuiper en mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005.

w.g. C.M. Wolters w.g. J.M.W. van de Sande