Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT2703

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-03-2005
Datum publicatie
29-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/256
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/256 11 maart 2005

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Het procesverloop

Op 26 maart 2004 heeft het College een beroepschrift van appellant ontvangen, waarmee deze beroep instelt tegen een op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) genomen besluit van verweerder van 9 maart 2004. Genoemd beroepschrift is aan het College doorgezonden door verweerder, die het op 25 maart 2004 ontvangen had.

Bij dit aan C B.V. te D gerichte besluit heeft verweerder beslist op een door E B.V. (voorheen C B.V.) ingediend bezwaarschrift van 10 februari 2003 betreffende terugbetaling van een over het jaar 2001 aan C B.V. uitbetaald bedrag aan akkerbouwsubsidie. Als gemachtigde van E B.V. trad A hierbij op.

Verweerder heeft bij brief van 28 april 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en vervolgens heeft hij op 1 november 2004 een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een telefoongesprek dat appellant op 8 november 2004 met de griffie heeft gevoerd heeft het College appellant bij griffiersbrief van 10 november 2004 bericht dat het door appellant ondertekende beroepschrift betrekking heeft op een aan C B.V. afgegeven beslissing en dat door appellant binnen de beroepstermijn van 6 weken geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat C B.V. dan wel E B.V. het beroep heeft ingesteld. Bijgevolg is het beroep ter griffie ingenomen als een beroep van appellant. In deze brief is appellant vervolgens meegedeeld dat tijdens de behandeling ter zitting voorshands uitsluitend de vraag aan de orde zou komen of appellant ontvangen kan worden in zijn beroep.

Verweerder heeft bij brief van 26 januari 2005 meegedeeld zich niet te zullen laten vertegenwoordigen tijdens de behandeling ter zitting van het beroep.

Appellant heeft bij ter griffie op 20 januari 2005 ingekomen faxbericht nadere stukken overgelegd.

Op 28 januari 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, bijgestaan door F, bedrijfsadviseur, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan tegen een besluit door een belanghebbende beroep worden ingesteld bij het College. Artikel 1: 2 van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende dient te worden verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Het College zal allereerst ingaan op de vraag of appellant als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het aan C B.V. afgegeven besluit.

2.2 Door appellant is, voor het eerst tijdens het telefoongesprek van 8 november 2004, betoogd dat het beroep geacht moet worden te zijn ingesteld door E B.V. (voorheen C B.V.). Hij wijst er daartoe op dat het bezwaarschrift destijds door hem als gemachtigde van E B.V. is ondertekend.

2.3 Uit de stukken blijkt dat appellant voor het jaar 2001 als akkerbouwer subsidie op grond van de Regeling heeft aangevraagd. Daarnaast heeft ook C B.V. voor andere percelen een aanvraag ingediend. De aanvraag van C B.V. is eveneens ondertekend door appellant, die blijkens zijn verklaringen voor eigen rekening en risico door C B.V. aan hem ter beschikking gestelde percelen placht te bebouwen. Appellant ontvangt de aan C B.V. toegekende subsidie.

Verweerder heeft uiteindelijk besloten C B.V. geen subsidie te verlenen, aangezien naast het bedrijf van A geen apart bedrijf van C B.V. zou bestaan. De reeds verleende subsidie is teruggevorderd.

Het door E B.V. ingediende, en door appellant als gemachtigde ondertekende, bezwaarschrift is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft ook tegen de op zijn aanvraag genomen beslissing bezwaar gemaakt. Tegen de daarop genomen beslissing is geen beroep ingesteld.

2.4 In het beroepschrift wordt onder meer het volgende gesteld:

“(…) Als ik van tevoren had geweten dat het verkrijgen van een akkerbouwsubsidie door gebruik akkerland niet mogelijk was had ik de aanvraag niet ingediend.

De AID heeft C B.V. gecontroleerd op 09-06-2000. Deze grondpercelen zijn opgemeten en de koopakte/aankoop grond en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel van C B.V. zijn gecontroleerd. Als men toen had meegedeeld dat C B.V. als bedrijf verwikkeld is met A was ik onmiddelijk gestopt en had verder geen granen voor akkerbouwsubsidie aangevraagd in C B.V. (…).

2.5 Het College heeft het aldus door appellant ingediende beroepschrift niet aangemerkt als een door C B.V. dan wel D B.V. ingediend beroep. Pas in het telefoongesprek van 8 november 2004 heeft appellant voor het eerst meegedeeld dat hij beoogde het beroep voor C B.V. in te dienen.

Deze na het einde van de beroepstermijn gedane mededeling kan er echter niet toe leiden, dat C B.V. dan wel D B.V. geacht kan worden tijdig beroep te hebben ingesteld. Daarbij acht het College het van belang dat appellant noch in C B.V. noch in E B.V. enige functie vervult en evenmin bij deze rechtspersonen in dienst is.

2.6 Het belang van appellant is niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Het beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.7 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2005.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas