Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT2585

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-03-2005
Datum publicatie
29-03-2005
Zaaknummer
AWB 03/523
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/523 9 maart 2005

14350 Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Uitspraak in de zaak van:

Gebr. A Transportonderneming C.V., gevestigd te X, appellante,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 7 mei 2003, die diezelfde dag bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 april 2003.

Bij dat besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen een haar op grond van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot opgelegde speciale bijdrage ongegrond verklaard.

Op 23 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift en op 29 november 2004 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2004, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot (Stb. 2001, 556; hierna: Wet), welke op 2 november 2001 in werking is getreden, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Raadsverordening: Verordening nr. 718/1999 van de Raad van de Europese Unie van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PbEG L 90);

b. Commissieverordening: Verordening nr. 805/1999 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 april 1999 tot vaststelling van een aantal bepalingen ter uitvoering van de Raadsverordening (PbEG L 102/64);

c. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

(…)

e. fonds voor de binnenvaart: artikel 05.34 van de begroting van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 4

Onze Minister legt, overeenkomstig het terzake bepaalde in de Commissieverordening, speciale bijdragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van de Raadsverordening op en doet de uitgaven in het kader van artikel 3, vierde, vijfde en zesde lid, van de Raadsverordening.

Artikel 14

1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 29 april 1999, met uitzondering van de artikelen 6, 8, 9, 10 en 12, eerste lid, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

(…)"

In de in artikel 1 van de Wet bedoelde Raadsverordening (nr. 718/1999) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2

1. Deze verordening is van toepassing op vrachtschepen en duwboten waarmee beroepsvervoer of eigen vervoer wordt verricht en die zijn geregistreerd in een lidstaat of, indien zij niet geregistreerd staan, door een in een lidstaat gevestigde onderneming worden geëxploiteerd.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "onderneming" verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ambachtelijke of industriële economische bedrijvigheid uitoefent.

(…)

Artikel 3

1. Elke lidstaat waarvan de waterwegen in verbinding staan met die van een andere lidstaat en waarvan de vloot een tonnage heeft van meer dan 100 000 ton, hierna te noemen 'de betrokken lidstaat', richt in het kader van zijn nationale wetgeving en met zijn eigen bestuurlijke middelen een 'fonds voor de binnenvaart', hierna genoemd het 'fonds', op.

(…)

7. De betrokken lidstaten blijven het in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 1101/89 bedoelde fonds beheren totdat het in lid 1 bedoelde nieuwe fonds is opgericht.

Artikel 4

1. Voor het in de vaart brengen van onder deze verordening vallende schepen die nieuw, uit een derde land geïmporteerd, of van nationale waterwegen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), b) of c), afkomstig zijn, geldt als voorwaarde (de "oud voor nieuw"-regeling) dat de eigenaar van het in de vaart te brengen schip:

- ofwel zonder een slooppremie te ontvangen tonnage laat slopen volgens een zo genoemde "verhouding" tussen de oude en nieuwe tonnage, die door de Commissie wordt vastgesteld;

- ofwel in het fonds waaronder zijn nieuwe schip ressorteert, of in een door hem overeenkomstig artikel 5, lid 2, gekozen fonds, een speciale bijdrage stort die is vastgesteld op basis van genoemde verhouding, of indien hij minder tonnage sloopt dan vereist volgens genoemde verhouding, het verschil in tonnage tussen het nieuwe schip en de gesloopte tonnage betaalt.

2. De verhouding kan worden gedifferentieerd naar gelang van de marktsectoren: drogeladingschepen, tankschepen en duwboten.

(…)

3. De eigenaar van het schip moet zijn speciale bijdrage betalen of de oude tonnage laten slopen:

- op het moment dat de order voor de bouw van het nieuwe schip wordt geplaatst of de invoervergunning wordt aangevraagd, op voorwaarde dat het schip binnen twaalf maanden daarna in de vaart wordt genomen, of

- op het moment dat het nieuwe of geïmporteerde schip daadwerkelijk in de vaart wordt gebracht.

Deze keuze van het moment moet kenbaar worden gemaakt op het moment dat de order wordt geplaatst of de vergunning voor de invoer van het schip wordt aangevraagd.

Het als compenserende tonnage voor de sloop aan te bieden schip moet zijn gesloopt voordat het nieuwe schip in de vaart wordt gebracht.

(…)

4. Bij duwboten wordt het begrip tonnage vervangen door voortstuwingsvermogen.

5. De in lid 1 genoemde beperkingen gelden ook voor capaciteitsuitbreiding door (…) vervanging van motoren bij duwboten.

(…)

Artikel 5

1. Voor de in een van de betrokken lidstaten geregistreerde schepen wordt de speciale bijdrage betaald aan het fonds van de lidstaat waar het schip is geregistreerd.

(…)"

De in artikel 1 van de Wet bedoelde Commissieverordening (nr. 805/1999, tekst van 29 april 1999 tot 3 augustus 2000) luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 2

1. De grootte van de speciale bijdragen voor de verschillende typen en categorieën schepen wordt op basis van 70 tot 115 % van onderstaande tarieven bepaald:

(…)

- Duwboten:

180 EUR/kW, met een lineaire verhoging tot 240 EUR/kW voor een motorvermogen van 1 000 kW of meer.

(…)

Artikel 4

Met ingang van 29 april 1999 geldt voor het in de vaart brengen van schepen de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 718/1999 vermelde voorwaarde:

(…)

3. Voor duwboten wordt de verhouding vastgesteld op 0,75:1.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is eigenaar van het schip "B", dat te boek is gesteld met het brandmerk *. Dit schip was oorspronkelijk een sleepboot. Rond 1980 is het schip voorzien van een duwsteven.

- Blijkens een op 4 juli 1994 door het hoofd van de scheepvaartinspectie afgegeven Communautair Certificaat voor Binnenschepen (nr. **) is de "B" geregistreerd als een schip van het type "duwboot" met een totaal vermogen van de voortstuwingswerktuigen van 540 pk.

- Op 30 augustus 1999 is het binnenvaartschip "B" na de hermotorisering weer in gebruik genomen.

- Bij een op 13 oktober 1999 gehouden controle heeft de inspecteur van de Rijksverkeersinspectie vastgesteld dat met de "B" vervoerswerkzaamheden werden verricht zonder dat in verband met een wijziging van de geïnstalleerde motor voor dit binnenschip een geldige meetbrief was afgegeven, terwijl niet aan de 'oud-voor-nieuw'-verplichting was voldaan.

- Bij brief van 1 maart 2000 (kenmerk: RVI-MO-B/346) met als onderwerp "Oud-voor-nieuw regeling en terugstelling voortstuwingsvermogen" heeft verweerder appellante medegedeeld dat is gebleken dat de sleepduwboot "B" met een toename van voortstuwingsvermogen in hergebruik is genomen zonder dat aan de 'oud-voor-nieuw'-verplichting is voldaan. Alvorens tot het opleggen van een speciale bijdrage over te gaan, is appellante de mogelijkheid geboden binnen een termijn van twee weken bewijsstukken over te leggen, waaruit blijkt dat het maximale voortstuwingsvermogen van de nieuwe motor van de "B" is teruggesteld onder de daarvoor toepasselijke voorwaarden.

- Op 21 maart 2000 is het ten behoeve van de "B" afgegeven Communautair Certificaat voor Binnenschapen (nr. **) gewijzigd in de zin dat het vermelde totale vermogen van de voortstuwingswerktuigen 900 pk (= 662 kW) bedraagt.

- Bij brieven van 4 april 2000 en 13 april 2000 heeft appellante op verweerders brief van 1 maart 2000 gereageerd.

- Bij besluit van 4 april 2000 heeft verweerder appellante een speciale bijdrage opgelegd van ƒ 82.868,-- (€ 37.603,86). Bij de vaststelling van deze speciale bijdrage is verweerder ervan uitgegaan dat het voortstuwingsvermogen van de "B" ten opzichte van de oude motor is toegenomen met 221 kW.

- Tegen het besluit van 4 april 2000 heeft appellante bij brief van 13 april 2000 bezwaar gemaakt.

- Op 28 juni 2000 is appellante naar aanleiding van haar bezwaren door een ambtelijke commissie van verweerder gehoord.

- Bij brief van 25 oktober 2000 heeft appellante verweerder een aanvulling op het verslag van de hoorzitting d.d. 28 juni 2000 doen toekomen.

- Bij brief van 8 november 2001 heeft appellante de gronden van het bezwaar aangevuld, evenals bij brief van 12 juni 2002.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

In het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder - zakelijk weergegeven - het volgende overwogen en naar voren gebracht.

3.1 De speciale bijdrage is terecht opgelegd, omdat met de "B" duwwerkzaamheden zijn verricht en omdat door middel van vervanging van de motor capaciteitsuitbreiding van het voortstuwingsvermogen heeft plaatsgevonden.

Bij een controle op 13 oktober 1999 is geconstateerd dat met de "B" werd geduwd en aldus goederenvervoer in de uitvoering van eigen vervoer werd verricht. Tevens is geconstateerd dat een motor met een voortstuwingsvermogen van 780 kW was geïnstalleerd, terwijl in de meetbrief van de "B" een motor met een voortstuwingsvermogen van 441 kW stond vermeld.

In het afgegeven Communautair Certificaat voor Binnenschepen is de "B" als een duwboot aangeduid en in de bijlage van dit certificaat in sedert 21 maart 2000 opgenomen dat de "B" geschikt is om op de binnenwateren een samenstel te duwen.

Een Communautair Certificaat voor Binnenschepen wordt door de Scheepvaartinspectie afgegeven en is vergelijkbaar met een kenteken voor auto's. Alvorens zo'n certificaat wordt afgegeven, voeren deskundigen proeven met het schip uit. Criteria die de Scheepvaartinspectie voor het afgeven van een dergelijk certificaat hanteert, zijn opgenomen in het Binnenschepenbesluit.

3.2 Verweerder was bevoegd tot het nemen van zowel het primaire besluit als het bestreden besluit. Het fonds voor de binnenvaart is geen nieuw fonds, maar een voortzetting van het sinds 1989 krachtens Verordening (EEG) nr. 1101/89 in gebruik zijnde nationale sloopfonds. Dit fonds maakt onderdeel uit van de begroting van verweerders ministerie en verweerder geldt als beheerder van dit fonds.

Gelet op artikel 14 van de Wet heeft deze terugwerkende kracht tot 29 april 1999, de dag van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 718/1999. Er is dus geen sprake van onbevoegdheid aan de zijde van verweerder tot het nemen van genoemde besluiten.

3.3 Het moment waarop (het voortstuwingsvermogen van) een onder het bereik van Verordening (EG) nr. 718/1999 vallend binnenvaartschip in de vaart wordt gebracht of het moment waarop de order voor het vergroten van het voortstuwingsvermogen wordt geplaatst, is bepalend voor de hoogte van de op te leggen speciale bijdrage. In het onderhavige geval had op grond van artikel 4, derde en vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 718/1999 in maart 2000 de speciale bijdrage moeten zijn betaald. De berekening van de speciale bijdrage is terecht geschied volgens de verhoudingscijfers die in de in maart 2000 geldende Verordening (EG) nr. 805/1999 zijn opgenomen.

Het indienen van een bezwaarschrift schorst de inwerkingtreding van het besluit van 4 april 2000, waarbij de speciale bijdrage aan appellante is opgelegd, niet. Er is geen sprake van een bijzonder juridisch kader op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat bij het bestreden besluit een ander moment beslissend zou moeten worden geacht.

3.4 In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 805/1999 is vastgelegd dat het voortstuwingsvermogen van een duwboot wordt bepaald aan de hand van kW. Deze verordening is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

3.5 Artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) 718/1999 laat de eigenaar van een binnenvaartschip de vrijheid om aan de 'oud-voor-nieuw'-verplichtingen te voldoen door of tonnage te laten slopen, of een speciale bijdrage te betalen of door een combinatie van beide mogelijkheden. Dit artikel legt echter wel vast op welk moment de keuze voor de eigenaar van het binnenvaartschip moet worden gemaakt.

In het onderhavige geval is de "B" op 30 augustus 1999 weer in de vaart gebracht. Omdat ook na verweerders brief van 1 maart 2000 nog geen slooptonnage door appellante was aangemeld of daadwerkelijk was gesloopt, was de conclusie gerechtvaardigd dat appellante door betaling van een speciale bijdrage aan haar 'oud-voor-nieuw'-verplichtingen wenste te voldoen.

Na de heringebruikneming van de "B" is appellante de mogelijkheid geboden ter voldoening van haar 'oud-voor-nieuw'-verplichtingen alsnog compenserende slooptonnage of -kW's in te brengen. Appellante heeft van het geboden aanbod, in tegenstelling tot enkele andere ondernemingen aan wie een gelijkwaardig aanbod was gedaan, geen

gebruik gemaakt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep het navolgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

4.1 Niet duidelijk is of bij het bestreden besluit is beslist op het bezwaarschrift van 4 april 2000 tegen de brief van 1 maart 2000 of op het bezwaarschrift van 13 april 2000 tegen het besluit van 4 april 2000.

Indien op basis van het bestreden besluit in beroep alle aspecten van de onderhavige casus aan bod kunnen komen, behoeft in de uitspraak niet inhoudelijk op een eventueel niet tijdig nemen van een beslissing door verweerder op de ingediende bezwaarschriften te worden ingegaan.

4.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit geen oordeel gegeven over de na de hoorzitting in het aanvullende bezwaarschrift van 8 november 2001 naar voren gebrachte stelling dat Nederland in strijd met artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 718/1999 heeft verzuimd een 'fonds voor de binnenvaart' op te richten en dat om die reden verweerder niet als de ter zake van dat fonds bevoegde autoriteit kan worden aangemerkt.

Verweerder was dus niet bevoegd aan appellante de speciale bijdrage ter zake van de "B" op te leggen. Door op dit punt in het bestreden besluit niet in te gaan, lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek.

4.3 Verordening (EG) nr. 718/1999 is slechts van toepassing op vrachtschepen en duwboten, maar de "B" is noch het een noch het ander. Een sleepboot als de "B" valt buiten de verordening en komt ook niet onder het bereik ervan op het moment dat het schip wordt voorzien van een voorziening om te kunnen duwen. Meergenoemde verordening heeft enkel betrekking op duwboten in eigenlijke zin. De "B" is nog immer geschikt om te slepen.

Het ten aanzien van de "B" opleggen van 'oud-voor-nieuw'-verplichtingen is voorts in strijd met het discriminatieverbod en heeft een concurrentievervalsend effect. Andere vaartuigen die kunnen duwen, zoals bijvoorbeeld van een duwsteven voorziene motor(vracht)schepen, worden niet ter zake van een toegenomen motorvermogen in kW's met 'oud-voor-nieuw'-verplichtingen belast.

4.4 Verweerder heeft bij het bepalen van de hoogte van de opgelegde speciale bijdrage ten onrechte een verhouding 0,75:1 toegepast. Op grond van artikel 4 van de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende Verordening (EG) nr. 336/2002 van de Commissie van 22 februari 2002 had een 'oud-voor-nieuw'-verhouding van 0,125:1 moeten worden gehanteerd.

4.5 De door verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de opgelegde speciale bijdrage gehanteerde maatstaf, capaciteitsuitbreiding in kW, is niet reëel. De hermotorisering van de "B" heeft ertoe geleid dat in plaats van 3.375 m3 nu 4.500 m3 water kan worden verplaatst. Deze toename is echter niet evenredig met het aantal toegevoegde kW's van 221.

De toevoeging van 221 kW leidt, als gevolg van nieuwe eisen ter zake van de verhouding tussen te duwen m3 en kW's, slechts tot een effectieve capaciteitsuitbreiding van 50% en derhalve zou de hoogte van een eventueel op te leggen speciale bijdrage berekend moeten worden op basis van een toevoeging van 110,5 kW. De 'oud-voor-nieuw'-verhouding zou dan 0,125:1 zijn.

4.6 Ten onrechte heeft verweerder appellante niet de keuzemogelijkheid geboden in plaats van een speciale bijdrage te betalen oude kW's te laten slopen. Het slopen van compenserende tonnage of compenserende kW's heeft verweerder in andere zaken ook (ver) na het in gebruik nemen van een nieuw vaartuig toegestaan. Door dit in het onderhavige geval, zonder enig onderzoek naar de wenselijkheid daarvan, niet toe te staan, handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College volgt appellante niet in haar betoog dat verweerder niet bevoegd was te besluiten tot het opleggen van de speciale bijdrage ten laste van appellante.

In artikel 14, eerste lid, van de Wet is bepaald dat bepalingen van de Wet, voor zover deze in het onderhavige geval van belang zijn, terugwerken tot en met 29 april 1999. Op 29 april 1999 is Verordening (EG) nr. 718/1999 in werking getreden.

Uit de preambule van deze verordening en de Memorie van Toelichting bij de Wet volgt dat de instandhouding en voortzetting onder een andere naam van het op grond van Verordening (EEG) nr. 1101/89 opgerichte sloopfonds geldt als een van de doelstellingen van deze regelgeving. Aangezien uit de bepalingen van Verordening (EG) nr. 718/1999 rechtstreeks voortvloeit dat bij een vergroting van het voortstuwingsvermogen van een in Nederland geregistreerd binnenvaartschip op de eigenaar van dat schip de verplichting tot betaling van de speciale bijdrage aan het Nederlandse 'fonds voor de binnenvaart' rust en verweerder op grond van het bepaalde in artikel 1, onderdelen c. en e., van de Wet ten aanzien van dit fonds de bevoegde autoriteit is, was en is verweerder bevoegd tot het ten laste van appellante opleggen van een speciale bijdrage.

Dat verweerder in het bestreden besluit niet op zijn eigen bevoegdheid is ingegaan, vormt voor het College geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Vaststaat dat appellante verweerders bevoegdheid pas geruime tijd ná de hoorzitting in bezwaar aan de orde heeft gesteld. Niet kan worden ingezien dat verweerder verplicht was om in het bestreden besluit in te gaan op stukken die door hem na de hoorzitting in bezwaar waren ontvangen. De Algemene wet bestuursrecht beperkt immers in artikel 7:4, eerste lid, de termijn voor het indienen van nadere stukken tot tien dagen voor het horen.

5.2 Gelet op het afgegeven Communautair Certificaat voor Binnenschepen moet de "B", in lijn met het bepaalde in de uitspraak van het College van 26 november 2003 (AWB 03/497, LJ-Nummer: AO1037), als een duwboot in de zin van Verordening (EG) nr. 718/1999 worden aangemerkt. Dat de vermelding "duwboot" in dit certificaat ook niet onjuist is, wordt bevestigd doordat de "B" door een inspecteur van de Rijksverkeersinspectie daadwerkelijk duwend is waargenomen.

Anders dan appellante is het College van oordeel dat verweerder niet in strijd met het discriminatieverbod heeft gehandeld door de "B" op grond van een toegenomen voortstuwingsvermogen in kW's met 'oud-voor-nieuw'-verplichtingen te belasten. Andere typen binnenschepen die ook kunnen duwen worden immers eveneens met 'oud-voor-nieuw'-verplichtingen belast, enkel de hoogte daarvan wordt niet op grond van een toegenomen voortstuwingsvermogen in kW's berekend. Op dit onderscheid wordt hierna in paragraaf 5.4 nader ingegaan.

Aan appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat het College voorbij, nu dit beroep te algemeen is geformuleerd en op relevante punten onvoldoende concreet is onderbouwd. Zo heeft appellante ter zake van door haar als gelijke gevallen bestempelde schepen geen afschriften van Communautaire Certificaten voor Binnenschepen overgelegd, zodat op grond daarvan niet kan worden vastgesteld of de aangeduide binnenschepen al dan niet als duwboot zijn aangemerkt.

5.3 Zoals het College reeds in zijn hiervoor in paragraaf 5.2 aangehaalde uitspraak van 26 november 2003 heeft overwogen, dient de speciale bijdrage te worden betaald op het moment van het in de vaart brengen van een vernieuwd schip of van een toename van voortstuwingsvermogen van de motor van een duwboot. Op 30 augustus 1999 is de "B" met een toename van het voortstuwingsvermogen weer in gebruik genomen en verweerder heeft aldus bij de bepaling van de hoogte van de speciale bijdrage terecht de op 30 augustus 1999 geldende verhouding 0,75:1 toegepast.

Voor het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit rekening had moeten houden met de na het primaire besluit van 4 april 2000 doorgevoerde wijziging van de in artikel 4 van de Commissieverordening genoemde 'oud-voor-nieuw'-verhouding, acht het College geen grond aanwezig. Wijzigingen van deze verhouding die ná de peildatum van het in de vaart brengen van het nieuwe voortstuwingsvermogen van kracht worden, hebben geen invloed meer op de hoogte van het reeds verschuldigde bedrag. Het instellen van bezwaar of beroep brengt niet mee dat deze peildatum verandert en evenmin dat de op de peildatum geldende verhouding niet meer van toepassing zou zijn. Uit de Verordeningen waarbij de Commissieverordening is gewijzigd, en waarbij steeds is bepaald dat zij in werking treden op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, kan niet worden afgeleid dat de communautaire wetgever een dergelijke terugwerkende kracht heeft beoogd.

5.4 Dat een toename van het voortstuwingsvermogen van de "B" met 221 kW niet evenredig zou zijn met de toename van de hoeveelheid te duwen m3 water, brengt naar het oordeel van het College niet mee dat de ten laste van appellante opgelegde speciale bijdrage op een andere wijze zou moeten worden berekend dan aan de hand van de toename van voortstuwingsvermogen in kW's. Het College wijst er in dit verband op dat de communautaire wetgever in Verordening (EG) nr. 718/1999 de keuze heeft gemaakt ten aanzien van duwboten de speciale bijdrage te berekenen op grond van het toegenomen voortstuwingsvermogen in kW.

5.5 Het College is van oordeel dat verweerder de hoogte van de aan appellante opgelegde speciale bijdrage van € 37.603,86 conform de geldende regelgeving heeft bepaald. Het standpunt van appellante dat verweerder rekening had moeten houden met de effectieve capaciteitsuitbreiding van 50% vindt geen steun in de van toepassing zijnde verordeningen.

5.6 Het College volgt appellantes opvatting niet dat verweerder haar na het in de vaart brengen van het toegenomen voortstuwingsvermogen ter voldoening aan haar 'oud-voor-nieuw'-verplichtingen alsnog de mogelijkheid had moeten bieden compenserende tonnage of compenserende kW's te slopen, in welk verband appellante erop heeft gewezen dat verweerder andere eigenaren van binnenvaartschepen deze gelegenheid wel heeft geboden.

Het College overweegt in dit verband dat verweerder ter zitting heeft erkend in een aantal gevallen een uitzondering te hebben gemaakt op de regel dat uiterlijk bij het in de vaart nemen van een nieuw schip of van toegenomen voortstuwingsvermogen compenserend tonnage moet zijn gesloopt. Verweerder heeft bij deze gelegenheid tevens onbetwist gesteld een dergelijk aanbod ook aan appellante te hebben gedaan, maar dat appellante daarop niet binnen de daarvoor gestelde termijn in positieve zin heeft gereageerd. Deze feitelijke omstandigheid leidt het College tot het oordeel dat appellante zich niet nu alsnog met recht op het standpunt kan stellen dat zij niet in de gelegenheid is gesteld compenserend tonnage of compenserende kW's te slopen.

5.7 De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. J.A. Hagen en mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005.

w.g. C.J. Borman w.g. M.S. Hoppener