Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT1046

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-03-2005
Datum publicatie
18-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/101 en 04/102
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/101 en 04/102 4 maart 2005

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaken van:

VOF A, te X, appellante,

en

B, te Y, appellant,

gemachtigde van beide: H. van der Pol, te Tollebeek

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Özdemir, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brieven van 30 januari 2004, bij het College binnengekomen op 2 februari 2004, beroep ingesteld tegen aan hen gerichte besluiten van verweerder van 22 december 2003.

Bij deze besluiten zijn ongegrond verklaard de bezwaren van appellanten tegen verweerders besluiten van 31 mei 2002, waarbij hun aanvragen om ooipremie op grond van de Regeling dierlijke EG-premies werden afgewezen.

Bij schrijven van 1 maart 2004 heeft appellant B zijn beroep nader toegelicht en enkele stukken ingediend.

Op 16 juni 2004 heeft verweerder in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Op 21 januari 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij B en C met de gemachtigde zijn verschenen. Verweerder werd bij die gelegenheid vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 2467/98 van de Raad van 3 november 1998 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees (Pb L 312, blz 1) is bepaald:

"Artikel 5

1. Voorzover zulks nodig is ter compensatie van inkomensverliezen van schapenvleesproducenten in een verkoopseizoen in de Gemeenschap, wordt een premie toegekend.

(...)

6. (...)

De aan de producent uitgekeerde premie wordt berekend op basis van het aantal ooien (...) die op het bedrijf zijn gehouden gedurende een minimumperiode (...).

Artikel 29

Verordening (EEG) nr. 3013/89 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening."

In Verordening (EEG) nr. 3493/90 van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van de premie aan de producenten van schape- en geitevlees (Pb L 337, blz. 7), die tot 1 januari 2002 gegolden heeft, is bepaald:

"Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder:

1. producent van schape- en/of geitevlees: het individuele bedrijfshoofd, natuurlijke of rechtspersoon, die op het grondgebied van een zelfde Lid-Staat permanent het risico draagt van en/of in organisatorisch opzicht verantwoordleijk is voor het houden van tenminste tien ooien (...).

In Verordening (EEG) nr. 2700/93 van de Commissie van 30 september 1993 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de premie ten behoeve van schape- en geitevleesproducenten (Pb L 245, blz. 99) zoals nadien gewijzigd, is bepaald:

"Artikel 1

(...)

3. De periode waarvoor de producent de verplichting aan gaat het aantal ooien (...) waarvoor de premie wordt aangevraagd, op zijn bedrijf (...) te houden, is een periode van 100 dagen die ingaat op de laatste dag van de in lid 2 bedoelde periode voor de indiening van de aanvragen.

(...)

Artikel 3

Voor premie in aanmerking komende dieren

1. De in artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 3013/89 bedoelde premie is verschuldigd voor het aantal dieren (...) dat door de producent gedurende de in artikel 1, lid 3, bedoelde periode op zijn bedrijf moet worden gehouden.

(...)

Artikel 4.

1. De controles ter plaatse worden uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en het toegepaste permanent registratiesysteem voor de mutaties binnen het schapenbestand moet aan de bepalingen van artikel 4 van Richtlijn 92/102/EEG voldoen.

(...)"

Artikel 4 van Richtlijn 92/102/EEG van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en registratie van dieren van 5 december 1992 (Pb L 355, blz. 32) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 4

1. De Lid-Staten zien erop toe dat:

(...)

b) elke houder van schapen of geiten (...) een register bijhoudt waarin tenminste het aantal schapen en geiten vermeld is dat zich op een elk jaar door de bevoegde autoriteit vast te stellen datum op het bedrijf bevindt.

In dit register wordt tevens bijgehouden:

- het aantal vrouwelijke dieren op het bedrijf van meer dan twaalf maanden oud die voor die leeftijd gejongd hebben;

- de verplaatsingen (aantallen inkomende en uitgaande dieren) van schapen en geiten, minstens op basis van de stromen met vermelding van oorsprong en/of bestemming, de datum van die stromen en de merktekens.

(...)"

In Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb L 391, blz. 36), zoals nadien gewijzigd, is bepaald:

"Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en de premies is gewaarborgd.

(...)

3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:

- 10% van de steunaanvragen "dieren" (...)

5. (...)

Controles ter plaatse met betrekking tot premies voor dieren moeten betrekking hebben op alle dieren die in het kader van een steunregeling moeten worden gecontroleerd. Ten minste 50% van het minimumaantal controles moet worden verricht in de periode waarin de dieren op het bedrijf worden aangehouden. (...) De controles mogen alleen dan buiten de periode waarin de dieren moeten worden aangehouden, worden verricht, als de registers beschikbaar zijn die zijn vermeld in artikel 4 van Richtlijn 92/102/EEG (...).

Artikel 10 ter

1. Als bij de administratieve controle of uit de controle ter plaatse blijkt dat het aantal in de steunaanvraag aangegeven dieren verschilt van het geconstateerde aantal in aanmerking komende dieren, wordt, behalve in geval van overmacht en (...) de steun overeenkomstig lid 2 verlaagd.

2. Wanneer de aanvraag op ten hoogste 20 dieren betrekking heeft (...)

In andere gevallen wordt het steunbedrag verlaagd:

(...)

Indien het vastgestelde verschil groter is dan 20%, wordt geen steun verleend.

De (...) bedoelde percentages zijn percentages van het geconstateerde aantal."

Bij Verordening (EG) nr. 882/2001 van de Commissie van 3 mei 2001 tot afwijking van Verordening (EEG) nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer en van uitzonderlijke weersomstandigheden (Pb L 125, blz. 20) is onder andere bepaald:

"Artikel 2

1. In afwijking van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 kunnen de lidstaten hun programma's voor controles ter plaatse wijzigen. Daartoe kunnen zij meer in het bijzonder:

a) Controles ter plaatse in de betrokken gebieden uitstellen tot het tijdstip waarop de voor die controles uitgekozen bedrijven weer toegankelijk zijn:

(...)

f) zodra de veterinaire beperkingen zijn opgeheven, in de betrokken gebieden het aantal controles achteraf aan de hand van documenten, eventueel ook ter plaatse, verhogen.

(...)"

In de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) is ten tijde en voor zover hier van belang onder andere het volgende bepaald:

"Artikel 1.1

1.In deze regeling wordt verstaan onder:

(...)

producent: individueel bedrijfshoofd, natuurlijke of rechtspersoon (...) waarvan het bedrijf zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevindt en die (...) ten minste 10 ooien houdt;

(...)

Artikel 4.5

(...)

2. De producent is verplicht in zijn bedrijfsadministratie alle in deze regeling en door LASER voorgeschreven bewijsstukken te bewaren.

3. De bedrijfsadministratie wordt door de producent op eerste vordering aan de bevoegde ambtenaar van de AID ter inzage gegeven.

5. De producent bewaart de bedrijfsadministratie op zijn bedrijf ten minste drie jaar na afloop van het jaar waarin premie is aangevraagd.

Artikel 5.3

(...)

Indien ooien worden aangehouden op een plaats die niet behoort tot de vestiging, bedoeld in de bij of krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren vastgestelde regelen, worden de ooien overeenkomstig bedoelde regelen gemerkt en geregistreerd in het register.

5. De identificatieverplichting, bedoeld in het vierde lid, is van overeenkomstige toepassing wanneer gedurende de aanhoudperiode van vermenging van ooien sprake is die tot meerdere producenten behoren, met dien verstande dat tevens een extra kenmerk, dat duidelijk zichtbaar is, wordt aangebracht."

In het Besluit identificatie en registratie van dieren is bepaald:

"Artikel 2

1. Ter uitvoering van (...) richtlijn 92/102/EEG (...) wordt medewerking gevorderd van het bestuur van het Productschap Vee en Vlees."

In de op basis daarvan vastgestelde Verordening identificatie- en registratie schapen en geiten (veehouderij) 1998 is bepaald:

"Artikel 11

1. De ondernemer is verplicht om met inachtneming van de krachtens het zesde lid te stellen regels een bedrijfsregister bij te houden.

2. De ondernemer is verplicht in dit register terstond aan te tekenen:

a. jaarlijks: het totale aantal dieren dat op 1 januari in de vestiging aanwezig is:

b. het aantal vrouwelijke dieren dat ouder is dan 12 maanden of dat voor die leeftijd gejongd heeft:

c. de mutaties, met uitzondering van geboorten, onder vermelding van:

- het aantal dieren waarop de mutatie betrekking heeft;

- (...)

- de merknummers:

- de datum van de mutatie; en

(...)

Artikel 14.

De krachtens deze verordening ter beschikking komende gegevens mogen slechts gebruikt worden ten behoeve van de algemene gezondheidstoestand of van het welzijn van dieren, ter voorkoming van de verspreiding van smetstof of van de aanwezigheid van schadelijke stoffen in dieren en producten van dierlijke oorsprong dan wel ter bescherming van mens en dier, tenzij degene wiens gegevens zijn geregistreerd voor ander gebruik toestemming heeft verleend."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is een vennootschap onder firma. Vennoten zijn appellant B, en C.

- Appellante heeft op 6 februari 2001 premie aangevraagd voor het aanhouden van 286 ooien in UBN *

- Appellant heeft op dezelfde datum premie aangevraagd voor het aanhouden van 320 ooien in UBN **.

- De aanhoudperiode was van 8 februari 2001 tot en met 18 mei 2001.

- Op 19 december 2001 heeft de AID een controle bij appellante uitgevoerd.

- Bij besluiten van 3 december 2001 heeft verweerder de aanvragen goedgekeurd en premie toegekend voor de gevraagde aantallen ooien. Daarbij is aangetekend, dat het om een voorlopige goedkeuring ging omdat nog niet alle AID-onderzoeken waren afgehandeld.

- Bij besluiten van 31 mei 2002 heeft verweerder de aanvragen alsnog afgewezen. Hij heeft daarbij aan appellanten medegedeeld dat hun bedrijven gesplitst zijn met als doel de voorwaarden in de ooipremieregeling te omzeilen.

- Appellanten hebben daartegen bij brieven van 14 juni 2002, toegelicht bij brieven van 28 oktober 2002, bezwaar gemaakt.

- Op 21 november 2002 hebben appellanten hun bezwaren doen toelichten op een door verweerder georganiseerde hoorzitting. Daar is van de zijde van verweerder ter sprake gebracht dat appellanten tijdens de aanhoudperiode niet naar behoren hun bedrijfsregister hebben bijgehouden.

- Bij schrijven van 3 december 2002 hebben appellanten naar aanleiding van de op de hoorzitting tot hen gerichte uitnodiging enkele nadere stukken ingestuurd ter onderbouwing van hun stelling dat de noodzakelijke aantallen schapen wel degelijk zijn aangehouden.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder aangegeven niet langer vast te houden aan zijn stellingen inzake de bedrijfssplitsing.

Verweerder stelt zich nu op het standpunt, dat hij, omdat de controle in verband met de MKZ-uitbraak pas na de aanhoudperiode heeft kunnen plaatsvinden, aangewezen was op de door appellanten bijgehouden bedrijfsadministratie om te controleren of appellanten aan de op hen rustende aanhoudverplichtingen voldaan hebben.

a. Met betrekking tot appellante (besluit 02.4.1246)

De AID heeft bij de bedrijfscontrole op 19 december 2001 geconstateerd dat het bedrijfsregister/de bedrijfsadministratie van appellante niet volledig is bijgehouden. Op het mutatieformulier GD per 1 januari 2001 zijn 595 ooien opgegeven. Het bedrijfsregister is eerst de week voor de bedrijfscontrole ingevuld. Veel gegevens over verplaatsingen ontbreken. Er is geen helder onderscheid tussen de schapen van appellante en die van appellant. De AID heeft alle schapen aan appellante toegerekend. Hoeveel dat er waren kon echter slechts geschat worden. Verweerder heeft daaraan de conclusie verbonden dat appellante de bedrijfsadministratie niet conform artikel 4.5 van de Regeling heeft bijgehouden.

Verweerder heeft voorts uit het AID-rapport opgemaakt dat de schapen van appellante en die van appellant in de praktijk niet gescheiden gehouden werden. Daarmee is in strijd met artikel 5.3 van de Regeling gehandeld.

Het door appellante op 5 december 2002 opgestuurde bedrijfsregister wordt naar het oordeel van verweerder onvoldoende ondersteund door bonnen, nota's e.d. waardoor aantoonbaar is dat de schapen daadwerkelijk zijn aangehouden. Appellantes betoog dat uit een verklaring van de dierenarts dat op 2 augustus 2001 984 schapen en lammeren op het bedrijf aanwezig waren en de omstandigheid dat na 21 maart 2001 door het vervoersverbod geen schapen meer zijn vervoerd, de aanwezigheid van voldoende schapen kan worden afgeleid, acht verweerder onvoldoende bewijs.

Verweerder is daarom van mening dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat alle 286 ooien gedurende de aanhoudperiode zijn aangehouden. Evenmin is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de schapen gedurende de aanhoudperiode met oormerken onderscheiden waren van de schapen van appellant. Voorts stelt verweerder vast dat de bedrijfsadministratie niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Uit dit alles leidt verweerder af dat is niet is komen vast te staan dat appellante ten tijde van de aanhoudperiode 286 ooien aanhield en/of op de juiste wijze aanhield.

Uit het feit dat niet is komen vast te staan hoeveel schapen appellante heeft aangehouden leidt verweerder af dat het verschil tussen de geconstateerde en de in de aanvraag aangegeven dieren meer dan 20% bedraagt, zodat op grond van artikel 10 ter van verordening (EEG) nr. 3887/92, appellante niet voor premie in aanmerking kwam.

b. Met betrekking tot appellant (besluit 02.4.1245):

Bij de bedrijfscontrole op 19 december 2001 is geen mutatieformulier GD getoond. In het een week voor de controle ingevulde bedrijfsregister staan geen verplaatsingen gemeld. Belangrijke mutaties ontbreken in het register. In het register wordt geen onderscheid gemaakt tussen rammen en ooien.

Bij de op 5 december 2002 nader ingezonden stukken bevindt zich een verklaring van de dierenarts die op 2 augustus 2002 790 schapen en lammeren constateerde. Bij de afvoer van dode schapen wordt geen onderscheid gemaakt tussen ooien en lammeren. De schapen zijn feitelijk eigendom van appellante. Beide UBN's staan op naam van appellante. Appellant stelt zich op het standpunt dat ook zijn aanvraag als een aanvraag van appellante beschouwd moet worden. Het feit dat er twee UBN's zijn, wordt verklaard door de wens een zwoegervrije status op het UBN ** te kunnen behouden.

Verweerder concludeert dat niet is aangetoond dat het juiste aantal ooien is aangehouden en dat het aanhouden voor rekening van appellant geschied is of dat het om dieren gaat die eigendom zijn van appellant. Ook de vermenging van beide groepen schapen zonder duidelijke registratie en identificatie levert strijd op met artikel 5.3 van de Regeling.

Ook in het geval van appellant komt verweerder tot de vaststelling van een verschil tussen in de aanvraag opgegeven en geconstateerde dieren van meer dan 20%, zodat appellant niet voor premie ingevolge de Regeling in aanmerking komt.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten voeren primair aan het niet toelaatbaar te achten dat bij de beslissingen op bezwaar een totaal andere juridische grondslag wordt aangevoerd, dan bij de in bezwaar bestreden besluiten aan de orde was.

Subsidiair voeren appellanten aan dat zij bewijsstukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat voldoende schapen zijn aangehouden. Zij zijn bereid aanvullende bewijsstukken over te leggen en nader te bewijzen dat de schapen eigendom zijn van en zijn aangehouden voor rekening van de bedrijven van appellanten.

Met betrekking tot de constatering van de AID dat de schapen van de bedrijven van appellanten niet fysiek van elkaar gescheiden zijn, stellen zij zich op het standpunt dat deze gebaseerd is op een waarneming van na de aanhoudperiode, zodat daarin geen weigeringsgrond gevonden kan worden.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Met betrekking tot het argument van appellanten dat het niet zou zijn toegestaan om bij een beslissing op bezwaar aan een besluit een nieuwe juridische grondslag te verschaffen oordeelt het College dat, als een bestuursorgaan inziet dat een door hem gehanteerde grond om een aanvraag af te wijzen in bezwaar geen stand kan houden, dit bestuursorgaan vervolgens dient te beslissen hoe de aanvraag dan dient te worden afgedaan. Stuit het bestuursorgaan daarbij op een andere weigeringsgrond dan zal de aanvraag op de nieuwe grond in beginsel wederom afgewezen kunnen worden.

Een dergelijke besluitvorming mag de indiener van een bezwaarschrift niet overvallen.

Daarvan is in dit geval echter geen sprake. Tijdens de hoorzitting is de nieuwe afwijzingsgrond reeds aan appellanten voorgehouden en zij hebben de mogelijkheid gehad hun argumenten daartegen in te brengen.

5.2 In de vermelding van de ten deze toepasselijke regelgeving in de bestreden besluiten wordt verwezen naar de Verordeningen (EG) nr. 820/97, (EG) nr. 1254/1999 en (EG)

nr. 1760/2000. Genoemde verordeningen hebben echter uitsluitend betrekking op runderen en producenten van rundvlees en zijn dus op de hier aan de orde zijnde problematiek niet van toepassing.

Een bepaling, vergelijkbaar met artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999, inhoudende dat een dier slechts voor premie in aanmerking komt als het geïdentificeerd en geregistreerd is overeenkomstig de terzake geldende Europese regelgeving, is voor wat betreft het houden van schapen niet aan te wijzen.

5.3 De ten deze toepasselijke registratieplicht voor schapen is neergelegd in de Verordening identificatie en registratie schapen en geiten (veehouderij) 1998 van het Productschap Vee en Vlees.

Die houdt in dat schapen aanwezig in een vestiging, uitsluitend naar de hoeveelheid, aanwezig op 1 januari van enig jaar in de registratie vermeld hoeven te worden. Voorts dient het aantal op die datum aanwezige ooien vermeld te worden. Daarna slechts de mutaties, met uitzondering van geboorten, naar aantallen dieren. Er bestaat een modelregister, waarop deze gegevens kunnen worden ingevuld.

De ten deze relevante regelgeving houdt voor een producent geen andere of verdergaande administratieverplichting in.

Het College leidt daaruit af dat de verplicht bijgehouden administratie geen geschikt middel kan zijn om vast te stellen of aan een aanhoudverplichting voor ooien voldaan is. Slechts per 1 januari moet het aantal ooien vermeld worden. Voor iedere andere datum kan op basis daarvan niet vastgesteld worden hoeveel ooien aanwezig zijn, omdat een jong schaap door het jongen of door tijdsverloop tot een ooi kan worden, terwijl van de mutaties niet geregistreerd hoeft te worden of deze op rammen, ooien of jonge schapen betrekking hebben.

Gelet daarop ziet het College ook geen grond om, zonder daartoe strekkende wettelijke bepaling, aan het feit dat de verplichte registratie niet tijdig is bijgehouden, de consequentie te verbinden dat appellanten niet voor premie in aanmerking zouden komen.

5.4 Ingevolge de terzake geldende regelen hebben appellanten de plicht op zich genomen om over de periode van 8 februari tot en met 18 mei 2001 de in hun aanvraag genoemde aantallen ooien aan te houden en daarbij te voldoen aan alle daarmee gepaard gaande verplichtingen.

Op verweerder rust de taak om de nakoming van deze plicht te controleren en, als de controle niet tot andersluidende besluitvorming leidt, de daaraan verbonden premie uit te betalen.

Appellanten zijn derhalve niet verplicht aan te tonen, dat zij aan hun aanhoudplicht voldaan hebben. Zij dienen verweerder en diens controleambtenaren de gelegenheid te geven hun onderzoekingen te verrichten, hun de gevraagde inlichtingen te verschaffen en toegang te bieden tot alle beschikbare bewijsmiddelen.

In het licht hiervan heeft verweerder ten onrechte overwogen, dat - nu appellanten niet hebben aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat zij de in hun aanvraag genoemde aantallen ooien hebben aangehouden - verweerder zulks niet heeft kunnen vaststellen en dat de dieren daarom als niet geconstateerd moeten gelden, zodat op grond van artikel 10 ter van Verordening (EG) nr. 3887/92 de gevraagde premie geweigerd moet worden.

5.5 Uit de verklaringen van appellanten blijkt dat in 2001 slechts appellante eigenares was van de schapenhouderij die in twee UBN's werd uitgeoefend. De schapen werden voor haar rekening en risico gehouden. Zij was de producent als bedoeld in artikel 1.1 van Verordening (EEG) nr. 3493/90 en kon dus als enige ooipremie aanvragen.

Gelet daarop komt appellant voor ooipremie niet in aanmerking.

5.6 Nu appellante als de producent voor alle gehouden ooien moet gelden, kan, zelfs als bewezen zou kunnen worden dat zij ook tijdens de aanhoudperiode de ooien door elkaar heen gehouden zou hebben, haar het bepaalde in artikel 5.3, vijfde lid, van de Regeling niet worden tegengeworpen. Slechts als het om ooien van meerdere producenten gaat, dient een extra kenmerk te worden aangebracht.

5.7 Het vorengaande leidt ertoe dat het beroep van appellante, omdat het door haar bestreden besluit geheel op de hierboven als onjuist bestempelde overwegingen gebaseerd is, gegrond verklaard moet worden. Het aan haar gerichte besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

5.8 Het beroep van appellant is echter ongegrond, nu hij op grond van het in 5.5 overwogene niet voor premie in aanmerking komt.

5.9 Het College ziet termen verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante. Verweerder zal ook het door appellante betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van B ongegrond;

- verklaart het beroep van VOF A gegrond;

- vernietigt het door VOF A bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het door VOF A ingediende

bezwaarschrift beslist;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure, welke worden vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro) en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet

vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,-- (zegge:

tweehonderdtweeëndertig euro) aan haar vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. W.E. Doolaard en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2005.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.S. Hoppener