Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT1014

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
18-03-2005
Zaaknummer
AWB 03/282
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet structurele sanering binnenvaart

Heffing/bijdrage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/282 23 februari 2005

14720 Wet structurele sanering binnenvaart

Heffing/bijdrage

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 4 maart 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 januari 2003.

Bij dat besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen een hem op grond van de Wet structurele sanering binnenvaart opgelegde speciale bijdrage ongegrond verklaard, en het bedrag van de speciale bijdrage nader vastgesteld op € 70.540,00.

Bij brief van 3 april 2003 heeft appellant het beroep gemotiveerd.

Bij brief van 9 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingestuurd.

Het College heeft het beroep behandeld ter zitting van 1 december 2004, alwaar partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet structurele sanering binnenvaart (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. raadsverordening: Verordening nr. 1101/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart (PbEG L 116),

b. commissieverordening: Verordening nr. 1102/89 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 27 april 1989 betreffende de werking van de raadsverordening (PbEG L 116),

(...)

d. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat,

(...)

Artikel 4

1. Onze Minister legt, overeenkomstig het terzake bepaalde in de commissieverordening, bijdragen als bedoeld in artikel 5, onderdeel b en c, op en draagt zorg voor de uitbetaling van uitkeringen als bedoeld in artikel 6, onderdeel a.

2. Onze Minister geeft met inachtneming van de raadsverordening en de commissieverordening voorschriften met betrekking tot het indienen van een aanvraag om een sloopuitkering alsmede het ontvangen van deze uitkering en geeft voorts uitvoering aan het bepaalde in artikel 8 van de raadsverordening."

In de in artikel 1 van de Wet bedoelde raadsverordening was onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 8

1. a) Gedurende een periode van tien jaar vanaf de inwerkingtreding van deze verordening, mogen op de in artikel 3 bedoelde binnenwateren geen onder deze verordening vallende nieuw gebouwde of uit een derde land ingevoerde of van de in artikel 2, lid 2, onder a) en b), bedoelde nationale binnenwateren afkomstige vaartuigen in gebruik worden genomen, tenzij:

- de eigenaar van het in de vaart te brengen vaartuig een tonnage gelijk aan anderhalf maal die van het nieuwe vaartuig laat slopen zonder daarvoor een sloopuitkering te ontvangen,

- of, indien hij geen scheepsruimte laat slopen, aan het fonds waaronder zijn nieuwe vaartuig ressorteert of dat hij overeenkomstig artikel 4 heeft gekozen, een speciale bijdrage betaalt die gelijk is aan de vastgestelde sloopuitkering voor een tonnage gelijk aan anderhalf maal die van het nieuwe vaartuig,

- of, indien hij een tonnage kleiner dan anderhalf maal die van het nieuw in de vaart te brengen vaartuig laat slopen, aan het betrokken fonds een speciale bijdrage betaalt waarvan het bedrag gelijk is aan dat van de sloopuitkering die op dat ogenblik overeenstemt met het verschil tussen anderhalf maal de tonnage van het nieuwe vaartuig en de gesloopte tonnage,

- in afwijking van de eerste alinea worden wanneer het drogeladingschepen als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 1102/89 betreft, met ingang van 1 april 1998 de woorden "anderhalf maal" vervangen door "een en een kwart maal".

Wanneer het gaat om duwboten wordt het begrip tonnage vervangen door voortstuwingsvermogen.Bij dit scheepstype is de verhouding tussen het voortstuwingsvermogen van een nieuwe duwboot en dat van de oude gesloopte duwboot in afwijking van de eerste alinea gelijk aan 1:1.

Vaartuigen van derde landen die op basis van een internationaal instrument maatregelen hebben genomen welke overeenstemmen met die van de onderhavige verordening, worden gelijkgesteld met vaartuigen van de Lid-Staten.

b) Voor de onder a) bedoelde vaartuigen, die, tussen de inwerkingtreding van deze verordening en de oprichting van het overeenkomstige nationale fonds, in de vaart worden gebracht op de in artikel 3 bedoelde wateren, wordt de door de eigenaar overeenkomstig het onderhavige lid, onder a), te betalen speciale bijdrage gestort op een door de nationale autoriteiten van de betrokken Lid-Staat aan te wijzen speciale rekening. De bijdrage wordt overgedragen aan het fonds zodra dit is ingesteld.

c) Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening kan de Commissie, indien de ontwikkeling van de vervoersmarkt zulks vereist, en na raadpleging van de Lid-Staten en de op communautair niveau representatieve binnenvaartorganisaties, de verhouding tussen de nieuwe tonnage en de onder a) bedoelde oude tonnage aanpassen.

2. De in lid 1 genoemde beperkingen gelden ook voor de uitbreiding van de capaciteit van de binnenvaart door verlenging van vrachtschepen of vervanging van motoren bij duwboten.

3. (…)

4. Het is verboden om een in de leden 1 en 2 bedoeld vaartuig in gebruik te nemen voordat de eigenaar voldaan heeft aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden. In geval van inbreuk op dit verbod mogen de nationale autoriteiten maatregelen nemen om te voorkomen dat het betrokken vaartuig aan het verkeer deelneemt.

(...)"

In de in artikel 1 van de Wet bedoelde commissieverordening was onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 5

1. Het bedrag van de sloopuitkering ligt voor de verschillende typen en categorieën schepen binnen een marge van 70 tot 115 % van de volgende waarden:

- droge-ladingschepen:

- motorvrachtschepen: 120 ecu/ton,

- vrachtduwbakken: 60 ecu/ton,

- sleepvrachtschepen: 43 ecu/ton;

- tankschepen:

- motortankschepen: 216 ecu/ton,

- tankduwbakken: 108 ecu/ton,

- sleeptankschepen: 39 ecu/ton;

- duwboten: 240 ecu/kW.

De bedragen van de sloopuitkeringen voor het jaar 1998 zijn als volgt vastgesteld:

- Droge-ladingschepen:

- motorvrachtschepen: 135 ecu/ton,

- vrachtduwbakken: 60 ecu/ton,

- sleepvrachtschepen: 47 ecu/ton.

- Tankschepen:

- motortankschepen: 243 ecu/ton,

- tankduwbakken: 108 ecu/ton,

- sleeptankschepen: 43 ecu/ton.

- Duwboten: 180 ecu/kW met een lineaire toename tot 240 ecu/kW voor een motorvermogen van ten minste 1 000 kW.

2. Voor schepen met een laadvermogen van minder dan 450 ton worden de in lid 1 bedoelde maximumbedragen van de sloopuitkeringen verlaagd met 30 %. Voor schepen met een laadvermogen van 450 tot 650 ton worden de maximumbedragen van de sloopuitkeringen verlaagd met 0,15 % voor elke ton dat het laadvermogen van het schip minder bedraagt dan 650 ton.

Voor schepen met een laadvermogen van 650 tot 1 650 ton nemen de jaarlijkse maximumbedragen van de sloopuitkeringen lineair toe van 100 tot 115 % voor schepen van 1 650 ton. Voor schepen met een laadvermogen van meer dan 1 650 ton blijven de maximumbedragen van de sloopuitkeringen gehandhaafd op 115 %.

3. (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

?- Appellant is eigenaar van het motorvrachtschip "Victory".

?- Op 24 november 1997 is namens appellant een fax met de volgende inhoud gestuurd naar de toenmalige Rijksverkeersinspectie (RVI) van verweerders ministerie:

"Geachte heer C,

N.a.v. ons telefonisch onderhoud van hedenmorgen inzake bovenstaande verlenging het volgende:

Ons voornemen is om voor de heer A v/h ms "Victory", off. scheepsnr. *, afm. 76,86 x 8,20 x 2,49 m. een nieuw midden- en voorschip te bouwen, zodat de nieuwe afm. worden 86 x 9,50 x 2,80 m.

Het oude voorschip zal gesloopt worden.

Aan u de vraag wat er aan oud voor nieuw betaald moet worden. Gaarne z.s.m. uw schriftelijk reactie hierop."

- In antwoord hierop heeft het Hoofd van de Afdeling binnenvaart van verweerders ministerie op 25 november 1997 een fax met de volgende inhoud verstuurd:

"Uit uw faxbericht, d.d. 24 november, begrijp ik dat u voornemens bent om voor de heer A, eigenaar van het ms "Victory" een nieuw voor- en middenschip te bouwen waarbij het oude voor- en middenschip zal worden gesloopt.

Uw vraag richt zich met name wat het bedrag van de speciale bijdrage is die door de eigenaar betaald moet worden.

I.c. is hier sprake van segmentsgewijze vernieuwing. Een en ander betekent dat de lengte van het oude voor- en middenschip in mindering gebracht kan worden van de nieuw gebouwde delen onder voorwaarde dat het oude deel of delen onder toezicht wordt of worden gesloopt. Zo redenerend zal een netto toename in lengte ontstaan van 86 meter (nieuw) minus 76,86 meter (oud) = 9,14 meter. Echter zal ook de diepte en breedte toenemen. Deze toename in diepte en breedte is van belang voor het verlengde gedeelte en zal meetellen in de hoogte van de speciale bijdrage.

Een bedrag van de speciale bijdrage kan ik op dit moment niet noemen. De Scheepsmetingsdienst zal de toename in tonnage van het verlengde gedeelte voor ons berekenen.

Ik wijs u nog op het feit dat de eigenaar zich verplicht minimaal 72 uur van te voren de Rijksverkeersinspectie informeert waar en wanneer de oude delen worden gesloopt. Tevens zal dan de controlerend ambtenaar vaststellen dat de inmiddels gescheiden delen afkomstig zijn van een en hetzelfde schip."

?- Op 27 oktober 1998 heeft appellant een telefoongesprek gevoerd met de heer D van de RVI. In dit telefoongesprek kwam ter sprake dat appellant aan zijn verplichtingen wilde voldoen door het slopen van een gelijkwaardig tonnage. D heeft op verzoek van appellant het te slopen compensatietonnage op ongeveer 180 ton berekend en dit aan appellant meegedeeld.

? Vervolgens heeft appellant een slooptonnage van 219 ton van het motorschip "Gute Fahrt" aangekocht en gesloopt.

?- Op 8 december 1998 heeft appellant de vernieuwde "Victory" in gebruik genomen.

?- Bij besluit van 8 september 1999 heeft verweerder aan appellant in verband met het in de vaart brengen na gedeeltelijke (segmentsgewijze) vernieuwing van de "Victory" een speciale bijdrage opgelegd van f 233.573,00.

?- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 september 1999 bezwaar gemaakt. Op 9 juni 2000 is appellant over het bezwaar gehoord.

?- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit is, zakelijk weergegeven en voor zover voor dit beroep van belang, het volgende overwogen en beslist.

De speciale bijdrage is berekend op basis van het huidige laadvermogen van de "Victory", zijnde 1528,566 ton, na verhoging met 1,25 op grond van artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 742/98, te verminderen met het laadvermogen van de "Victory" vóór de segmentsgewijze vernieuwing en het laadvermogen van de "Gute Fahrt". Deze berekening resulteert in een toename van het laadvermogen met 680 ton.

De aanvankelijke interpretatie van de Afdeling binnenvaart, dat de oud-voor-nieuwverplichting bij segmentsgewijze vernieuwing slechts geldt over het aantal meters dat het nieuwe segment langer is dan het vervangen segment, zou strijd opleveren met doel en strekking van de internationale regelgeving, zoals vastgelegd in de raadsverordening. Uit de toegevoegde tonnage, welke blijkt uit de nieuwe meetbrief, had appellant als ondernemer in de binnenvaart kunnen afleiden dat de verbouwing geenszins tot de eerder genoemde toename van laadvermogen met 180 ton zou kunnen leiden, daar dit tot gevolg zou hebben dat de werking van het belangrijkste instrument van de regeling, waarmee een ernstige verstoring van de binnenvaartmarkt door overcapaciteit kan worden voorkomen, teniet gedaan zou worden.

Ter gelegenheid van de heroverweging heeft een hernieuwde berekening plaatsgevonden van de speciale bijdrage. Gebleken is dat bij de oorspronkelijke berekening de lineaire verhoging van de coëfficiënten van de gesloopte tonnage buiten beschouwing is gelaten. Wanneer deze wel in aanmerking wordt genomen, moet de speciale bijdrage worden vastgesteld op f 155.499,00 ofwel € 70.540,00.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in beroep de volgende grieven tegen het bestreden besluit aangevoerd.

4.1 Anders dan het geval was in de zaak waarin het College op 22 mei 2002 uitspraak heeft gedaan (AWB 99/1047, LJN: AE3774) heeft bij de "Victory" wel sloop plaatsgevonden van het vervangen segment. Er is dan ook geen reden om de voor oud-voor-nieuwverplichtingen in aanmerking komende tonnage te relateren aan de tonnage van het nieuwe voor- en middenschip.

Aangezien artikel 8 van de raadsverordening aan capaciteitsuitbreiding door verdieping en verbreding van een schip geen oud-voor-nieuwverplichtingen verbindt, brengt zulks met zich dat de voor dergelijke verplichtingen in aanmerking komende tonnage gerelateerd dient te zijn aan de vermeerdering van de tonnage van het verlengde gedeelte, welke vermeerdering 9,10 m x 9,50 m x 2,07 m = 178,952 ton bedraagt. Met de oud-voor-nieuwverhouding van 1,25 komt dit neer op 223,69 ton. Nu het gaat om een toevoeging van minder dan 450 ton, moet dit op grond van artikel 5, tweede lid, van de commissieverordening met 30% worden verlaagd, zodat een te slopen tonnage resteert van 156,583 ton. Met de sloop van 219 ton van de "Gute Fahrt" heeft appellant derhalve aan zijn verplichtingen voldaan.

4.2 Het opleggen van een speciale bijdrage is in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, waarbij wordt verwezen naar de mededelingen van de kant van verweerders ambtenaren, waar appellant op mocht afgaan. Deze mededelingen zijn niet in strijd met artikel 8 van de raadsverordening, nu dit artikel geen verplichtingen oplegt voor verbouwingen, behoudens verlengingen.

4.3 Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat de oud-voor-nieuwverplichtingen onjuist zijn berekend. Verweerder heeft de factor 1,25 toegepast op de nieuwe tonnage, terwijl hij dat had moeten doen op het verschil tussen de nieuwe en de oude tonnage. Vervolgens had verweerder hierop de vermindering van artikel 5, tweede lid, van de commissieverordening moeten toepassen. Omdat de raadsverordening aan een verbouwing van een schip niet met zoveel woorden oud-voor-nieuwverplichtingen verbindt, moet bij een segmentsgewijze vernieuwing voor "het schip" worden gelezen "de uitbreiding van het laadvermogen".

4.4 Voor het geval het College zou oordelen dat het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand dient te worden gelaten, is appellant van mening dat hij alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld om naar keuze een speciale bijdrage te betalen of slooptonnen in te leveren op de voet van artikel 8, eerste lid, sub a, eerste gedachtestreepje, van de raadsverordening.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Volgens vaste rechtspraak van het College moet artikel 8 van de raadsverordening aldus worden uitgelegd dat, in het geval van een segmentsgewijze vernieuwing, waarbij een voor- en middenschip volledig worden vervangen door een nieuw voor- en middenschip, maar het achterschip in stand blijft, de voor oud-voor-nieuwverplichtingen in aanmerking komende tonnage gerelateerd is aan de tonnage van het nieuwe voor- en middenschip (uitspraken van 22 mei 2002, AWB 99/1047, LJN: AE3774 en van 15 oktober 2003, AWB 02/1763, LJN: AN8972). Of het vervangen segment al dan niet gesloopt is, is daarbij niet relevant – die omstandigheid speelt uitsluitend een rol bij de bepaling in hoeverre betrokkene aan zijn oud-voor-nieuwverplichtingen heeft voldaan.

Appellants eerste grief dient derhalve te worden verworpen.

5.2 Zoals uit het vorenstaande blijkt, zijn de mededelingen van de kant van verweerders ambtenaren niet geheel in lijn met artikel 8 van de raadsverordening. Het College ziet evenwel onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder, in verband met de door zijn ambtenaren gedane mededelingen, niet meer de oud-voor-nieuwverplichtingen mocht opleggen zoals hij heeft gedaan. Het College overweegt hiertoe allereerst dat de hier bedoelde verplichtingen binnen de Gemeenschap voor een ieder gelden die nieuwe schepen in de vaart brengt, waaronder begrepen moet worden degene die door een segmentsgewijze vernieuwing extra tonnage in de vaart brengt. Daarnaast acht het College van belang dat de in paragraaf 2.2 geciteerde fax van 25 november 1997 weliswaar vermeldt dat de toename in diepte en breedte van belang is voor het verlengde gedeelte en zal meetellen in de hoogte van de speciale bijdrage, maar niet met zoveel woorden vermeldt dat deze toename niet van belang is voor het gedeelte van het nieuwe voor- en middenschip dat in lengte overeenkomt met het vervangen voor- en middenschip en dus in zoverre niet zal meetellen bij de vaststelling van de oud-voor-nieuwverplichtingen. Van een behoedzaam marktdeelnemer die een beroep wil doen op een gerechtvaardigd vertrouwen, mag worden verwacht dat hij, wanneer dat voor hem van essentieel belang is, meer zekerheden van de overheid verlangt. Aan de fax van 25 november 1997 kon appellant derhalve niet het vertrouwen ontlenen dat hij minder zou hoeven te betalen dan uit een correcte toepassing van de verordeningen zou voortvloeien. Tenslotte kon appellant evenmin aan de op 27 oktober 1998 gedane telefonische mededelingen een zodanig vertrouwen ontlenen, reeds omdat dit telefoongesprek plaats vond ruim nadat appellant zijn investeringsbeslissing had genomen.

Ook de tweede grief moet derhalve worden verworpen.

5.3 Ook de derde grief wordt verworpen. Er is geen reden om bij segmentsgewijze vernieuwing een afwijkende berekening toe te passen, door voor "het schip" te lezen "de uitbreiding van het laadvermogen". Ter zitting heeft verweerder de door hem toegepaste berekening nader toegelicht. Het is het College gebleken dat de berekeningswijze, waaronder begrepen de in de verordening voorgeschreven lineaire verhoging en de toepassing van de factor 1,25, overeenkomt met hetgeen is overwogen in paragraaf 5.4 van de uitspraak van het College van 26 november 2003 (AWB 03/497, LJN: AO1037) en derhalve in overeenstemming is met de regelgeving ter zake.

5.4 Het bestreden besluit bevat geen bepaling over de wijze waarop appellant aan zijn oud-voor-nieuwverplichting moet voldoen. In het bijzonder bevat het besluit niet de bepaling dat appellant de mogelijkheid heeft of krijgt om alsnog slooptonnen in te leveren. Het is het College ook niet gebleken dat appellant verweerder hierom in bezwaar had verzocht. Het College kan het besluit daarom niet onjuist achten; verweerder behoefde hier ook niet ambtshalve op in te gaan.

Ook de vierde grief moet derhalve worden verworpen.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. J.A. Hagen en mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005.

w.g. C.J. Borman w.g. M.S. Hoppener