Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS7076

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
22-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/244
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling stimulering biologische produktiemethode

Wetsverwijzingen
Regeling stimulering biologische productiemethode 1 en 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/244 16 februari 2005

5210 Regeling stimulering biologische produktiemethode

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. E.T. Stevens, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen .

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 23 maart 2004, bij het College binnengekomen op 24 maart 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 februari 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering haar subsidie te verlenen op grond van de Regeling stimulering biologische productiemethode.

Bij brief van 3 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 5 januari 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante is verschenen A, bijgestaan door de gemachtigde van appellante, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Regeling stimulering biologische productiemethode (hierna: de Regeling) is onder andere het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

f. landbouwbedrijf: in Nederland gevestigd bedrijf waarop blijkens de gegevens van de landbouwtelling of het bouwplan van het jaar van indienen van de aanvraag, een of meer van de navolgende produktierichtingen plaatsvindt:

1. akker- en vollegrondstuinbouw,

2. glastuinbouw of

3. fruitteelt;

(…)

Artikel 5

1. Een subsidie kan slechts worden verleend indien de aanvrager zich verplicht om gedurende een periode van vijf jaren:

a. het gehele landbouwbedrijf dan wel een of meer van de produktierichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, (…) te gaan voeren overeenkomstig het biologisch teeltplan of

b. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert op grond van een op 1 mei 2000 gesloten maatschapsovereenkomst een akkerbouwbedrijf te C.

- Blijkens een maatschapsovereenkomst, opgemaakt op 1 september 2002, is van dit bedrijf een gedeelte afgesplitst. Op dit gedeelte is de bedrijfsvoering op gangbare wijze voortgezet, het overige deel wordt aangewend voor akkerbouw volgens de biologische productiemethode.

- Appellante heeft op 27 september 2002 bij verweerder een aanvraag ingediend op grond van de Regeling. Zij heeft daarbij met betrekking tot het biologisch teeltplan een goedkeurende verklaring overgelegd van de stichting Skal, de controle-instelling die is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode.

- Bij besluit van 12 december 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het bedrijf op de datum van de aanvraag niet meer door de aanvrager werd geëxploiteerd.

- Hiertegen heeft appellante een bezwaarschrift ingediend.

- Appellante is op 24 september 2003 omtrent haar bezwaren gehoord.

- Bij brief van 11 december 2003 heeft verweerder de Algemene Inspectiedienst (AID) verzocht een onderzoek in te stellen naar de hoedanigheid van het bedrijf van appellante. In bijlage 2 bij het naar aanleiding van het verzoek opgemaakte verificatieverslag, gedateerd 29 januari 2004, wordt het volgende vermeld:

“ De feitelijke leiding voert A. A geeft desgevraagd aan dat beslissingen samen en in overleg worden genomen.

Het financiële risico wordt door beiden gedragen.

Binnen het bedrijf worden akkerbouwgewassen geteeld, of, zoals A het verwoordde: het voortbrengen van plantaardige producten.

Producten als stro en graan worden opgeslagen in de bedrijfsgebouwen op het adres D te C.

Eigenaren van de opslagruimte zijn A en zijn vrouw B.

Producten kunnen afzonderlijk van elkaar worden opgeslagen en zijn afzonderlijk bereikbaar. Op datum van controle was in de bedrijfsgebouwen een hoeveelheid losgestort graan opgeslagen, alsmede een hoeveelheid stro (in pakken).

Er worden geen bedrijfsmiddelen betrokken van het gangbare bedrijf.

Bedrijfsmiddelen voor het gangbare bedrijf worden betrokken van het biologische bedrijf.

Voor beide bedrijven worden gescheiden bedrijfsadministraties bijgehouden en worden er afzonderlijke boekhoudrapporten opgemaakt.

Beide bedrijven hebben een eigen mestnummer (…)

Beide bedrijven hebben een eigen bankrekeningnummer met een eigen te naam stelling, te weten ‘Bio’ en ‘Gangbaar’.”

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante gegrond verklaard voorzover zij het opheffen van de maatschap A en B betreffen en voor het overige ongegrond.

Verweerder heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen.

“ De feitelijke constateringen wijzen er op dat hier sprake is van één bedrijf met twee maatschappen, te weten de afzonderlijke productie eenheden. In deze opvatting word ik bovendien gesterkt op grond van uw uitlatingen tijdens de hoorzitting waarin u heeft aangegeven dat er ten aanzien van de gronden die onder de gangbare teelt vallen, het door u pachten van de gronden van uw vrouw fiscaal niet meer mogelijk is en er onderhandelingen lopen met Het Groninger Landschap. Daaruit blijkt naar mijn mening dat u niet de intentie heeft om twee bedrijven te voeren maar dat u de gronden die niet voor de regeling konden worden opgegeven, heeft ondergebracht in een andere maatschap. Ik concludeer dat slechts sprake is van een administratieve scheiding tussen de twee maatschappen, zodat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 5 van de Regeling en terecht de subsidie is afgewezen. In zoverre verklaar ik uw bezwaren ongegrond.

Ten aanzien van uw stelling in uw schrijven van 26 september 2003 dat LASER Dordrecht verklaard zou hebben dat - kortweg - een administratieve scheiding van bedrijven zou volstaan om in aanmerking te komen voor de regeling, merk ik op dat dit niet juist kan zijn. U heeft ook niet aangegeven wie dit tegenover u heeft verklaard maar dit kan in ieder geval niet een persoon zijn die toezeggingen kan doen op grond waarvan u verwachtingen mocht hebben omdat een dergelijke toezegging in strijd met de regeling is.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift - samenvattend weergegeven - betoogd dat wel sprake is van een feitelijke scheiding van het bio- en het gangbare bedrijf. Elk van beide bedrijven beschikt over een eigen MIFAS-boekhouding, een eigen Comwaes management programma, een eigen mestnummer, een eigen bankrekening, een eigen relatienummer en een eigen aangifte van perceelsregistratie/meitelling. Op beide bedrijven vindt controle en verrekening van werkelijk gemaakte uren plaats. Op het gangbare bedrijf vindt, anders dan op het bio-bedrijf, jaarlijks ingebruikgeving van gronden aan derden plaats. Er is sprake van een geheel andere bedrijfsvoering.

De door verweerder gebruikte argumenten zijn subjectief en suggestief. De wijze van opslag van de producten in de bedrijfsgebouwen staat ter beoordeling van Skal. Ten onrechte heeft verweerder betekenis toegekend aan het feit dat A heeft verklaard dat hij geen gronden meer van zijn vrouw kan pachten, aangezien het gaat om een fiscale aangelegenheid. De landerijen van B worden in maatschapsverband geëxploiteerd.

Ook het argument dat er niet de intentie is om twee bedrijven te voeren is subjectief en suggestief. Op de gronden die voor het gangbare bedrijf worden aangewend zullen in de toekomst wellicht structuurverbeteringswerkzaamheden plaatsvinden, waarvoor grond wordt aangevoerd die niet aan biologische kwaliteit voldoet. Om die reden is tot de splitsing besloten.

Door LASER is zowel aan appellante als in andere situaties aangegeven dat een administratieve scheiding voldoende is. Appellante wijst op een telefoonnotitie van een gesprek met de afdeling BRS van LASER Groningen waaruit dit blijkt en op een e-mail correspondentie tussen medewerkers van DLV Plant. Tevens zijn in vergelijkbare situaties, zoals in het geval van E, wel subsidietoekenningen gedaan.

Ter zitting heeft appellante nog nader uiteengezet dat aan het gestelde in het AID-rapport omtrent de opslag van producten te minder betekenis toekomt omdat zogenoemde parallelbouw door Skal niet wordt toegestaan. Indien een bepaald product biologisch wordt geteeld mag datzelfde product niet tevens in hetzelfde jaar op een gangbaar gevoerd bedrijfsgedeelte worden verbouwd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Uit artikel 5 van de Regeling vloeit voort dat op de producent aan wie een subsidie op grond van de Regeling wordt toegekend, de verplichting komt te rusten om het gehele landbouwbedrijf of tenminste een gehele productierichting te gaan voeren overeenkomstig het biologisch teeltplan. Appellante heeft gesteld dat zij twee bedrijven voert, één volgens de biologische productiemethode, waarvoor zij subsidie heeft gevraagd op grond van de Regeling, en één volgens de gangbare productiemethode.

5.2 Na kennisneming van de stukken en het verhandelde ter zitting is het College van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat, ondanks het bestaan van de twee maatschapsovereenkomsten, tussen de bio-productie en de gangbare productie een dusdanige verwevenheid bestaat dat van één bedrijf moet worden gesproken. Het College kent hierbij, anders dan appellante wil, betekenis toe aan de uitkomsten van het AID-onderzoek, in het bijzonder aan de bevindingen ten aanzien van de opslag van producten en aan de constatering dat de feitelijke bedrijfsvoering van zowel de bio-productie als de gangbare productie volledig plaatsvindt onder leiding van A. De omstandigheid dat, zoals appellante heeft gesteld, parallelbouw niet is toegestaan maakt dit niet anders, aangezien, naar door haar ook is erkend, in de bedrijfsgebouwen producten uit meer dan een groeiseizoen kunnen zijn opgeslagen. Voorts heeft verweerder de omstandigheid dat sprake is van een fiscale eenheid kunnen aanmerken als een indicatie voor het verweven zijn van bio- en gangbare productie.

5.3 Met betrekking tot de stelling van appellante dat verweerder bij haar en anderen het vertrouwen heeft gewekt dat een administratieve scheiding van biologische en gangbare productie zou volstaan om voor subsidie op grond van de Regeling in aanmerking te komen overweegt het College dat uit de door appellante ter ondersteuning van haar stelling overgelegde telefoonnotitie niet van een dergelijke toezegging blijkt. Bedoelde, door appellante opgemaakte, notitie geeft een verslag van een door appellante met een medewerker van de dienst LASER gevoerd gesprek over de mogelijkheid twee door dezelfde maatschap gevoerde bedrijven afzonderlijk te registreren in het BRS (Bedrijfs Registratie Systeem). Door de medewerker is er blijkens de notitie op gewezen dat de toets/controle op de vraag of sprake is van twee gescheiden bedrijven niet bij de BRS-inschrijving, maar bij de regelingsdeskundige ligt. De interne e-mail correspondentie van DLV-Plant biedt evenmin voldoende aanknopingspunt voor de conclusie dat van de kant van verweerder het vertrouwen is gewekt dat bij de toetsing aan artikel 5 van de Regeling in een situatie als die van appellante van twee gescheiden bedrijven wordt uitgegaan.

5.4 Ook appellantes betoog dat verweerder gehandeld heeft in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aangezien verweerder in een soortgelijk geval geen verwevenheid heeft aangenomen, treft geen doel. In bedoeld geval, dat ook niet rechtstreeks de toepassing van de Regeling betrof, was, blijkens het door appellante overgelegde besluit van verweerder, niet een bedrijfsvoering door dezelfde, in een maatschap verbonden, personen aan de orde.

5.5 Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5.6 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.B.L. van der Weele