Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS7073

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-02-2005
Datum publicatie
22-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 04/1 10 februari 2005

11249 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam,

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: S.J. Bergeik, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 31 december 2003, bij het College binnengekomen op

5 januari 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant gericht tegen een besluit tot toekenning van schadevergoeding aan appellant ingevolge artikel 86 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd), voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

Bij brief van 3 februari 2004 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 2 april 2004 heeft verweerder een verweerschrift alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 30 november 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Partijen hebben bij monde van hun gemachtigde hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gwd is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

“ Artikel 86

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood;

b. produkten of voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt;

c. maatregelen krachtens het bepaalde in artikel 22, tweede lid, onderdeel f en g, zijn toegepast.

2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand;

b. voor zieke dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de waarde in gezonde toestand;

c. voor produkten en voorwerpen: de waarde op het moment van de maatregel,

(…).

Artikel 87

Alvorens dieren op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood of producten en voorwerpen op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt, danwel producten en voorwerpen op grond van artikel 22, tweede lid, onderdeel f, worden vernietigd of onschadelijk gemaakt (…) wordt de waarde daarvan vastgesteld.

Artikel 88

(…)

2. De in artikel 87 bedoelde waardevaststelling geschiedt door een beëdigd deskundige, welke wordt aangewezen door Onze Minister.

3. Indien Onze Minister of de eigenaar of diens gemachtigde geen genoegen neemt met de waardevaststelling verzoekt Onze Minister de kantonrechter (…) drie beëdigde deskundigen te benoemen, waaronder de krachtens het tweede lid aangewezen deskundige.

4. Indien over de waardevaststelling geen overeenstemming wordt bereikt, geldt het bedrag dat het gemiddelde is van de verschillende waarderingen.

(…)

Artikel 89

Terstond nadat de waarde is vastgesteld deelt Onze Minister aan de eigenaar het bedrag van de waardevaststelling mede.

(…)

Artikel 91

Schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen, als bedoeld in artikel 17 of 21, kan voor zover deze niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90 voor vergoeding in aanmerking komt, in door Onze Minister te bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit het Diergezondheidsfonds worden vergoed.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Naar aanleiding van de aanzegging van maatregelen als bedoeld in artikel 22 Gwd in verband met de bestrijding van de dierziekte Aviaire Influenza heeft op 28 maart 2003 op het leghennenbedrijf van appellant conform artikel 87 Gwd een taxatie plaatsgevonden van de waarde van de dieren, van het voer en van de overige besmette of van besmetting verdachte producten. Appellant heeft het formulier waarin de waarde is vastgesteld voor akkoord getekend.

- Op 29 maart 2003 is het bedrijf van appellant (preventief) geruimd.

- Bij besluit van 11 april 2003 heeft verweerder op grond van artikel 86 Gwd een tegemoetkoming in de schade vastgesteld van € 31.352,62, welke tegemoetkoming betrekking had op het pluimvee en de eieren.

- Bij besluit van 7 mei 2003 heeft verweerder op grond van artikel 86 Gwd een tegemoetkoming in de schade vastgesteld van € 4.510,13. Deze (nadere) vergoeding had betrekking op de producten en voorwerpen waarover appellant nog geen besluit en waarvoor hij nog geen betaling had ontvangen, alsmede op een dagvergoeding.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 16 juni 2003 bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 oktober 2003 zijn de gronden van dit bezwaar aangevuld.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder zich, voorzover hier van belang, op het standpunt gesteld dat volgens artikel 86 Gwd producten en voorwerpen slechts voor vergoeding in aanmerking komen als ze krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder g, Gwd onschadelijk zijn gemaakt. Het op het bedrijf van appellant aanwezige voer in de silo en de mest zijn niet meegenomen en dus niet onschadelijk gemaakt, zodat er geen aanleiding bestaat te besluiten tot een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 86 Gwd. De schade als gevolg van leegstand van het bedrijf van appellant komt evenmin voor een tegemoetkoming in aanmerking. Immers, het deel van de geleden schade van de maatregelen waarvoor de Gwd niet in een vergoeding voorziet, moet worden gerekend tot het normale bedrijfsrisico. Dit geldt tevens voor de kosten die appellant heeft gemaakt voor de afvoer en vernietiging van het voer en de mest.

Verweerder is voorts van mening dat, nu de volledige waarde van zowel de geruimde dieren als de onschadelijk gemaakte producten en voorwerpen zijn vergoed, er sprake is van een passende schadevergoeding.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor het in silo's opgeslagen voer dat na de ruiming is opgehaald en vernietigd, voor de kosten van de gedwongen opslag van mest en voor gederfde inkomsten. Appellant meent dat de Gwd wel degelijk een grondslag biedt voor een vergoeding dan wel tegemoetkoming in de geleden schade. Het onschadelijk maken van het voer en de mest en de hiermee gepaard gaande kosten, alsmede de gederfde inkomsten zijn het directe dan wel indirecte gevolg van de genomen besluiten op grond van artikel 22 Gwd. De geleden schade kan niet worden gerekend tot het normale bedrijfsrisico.

Subsidiair stelt appellant dat, indien de Gwd geen grondslag biedt voor een tegemoetkoming in de geleden schade, op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) naar evenredigheid een vergoeding zal moeten worden uitgekeerd. Immers, de schade kan niet worden gekwalificeerd als normaal bedrijfsrisico nu appellant zich tegen deze schade niet kon verzekeren. Bovendien is het aan de Staat der Nederlanden om zodanige wet- en regelgeving op te stellen dat het uitbreken van een dierenepidemie zoveel mogelijk wordt voorkomen. De financiële gevolgen van de onvoldoende wet- en regelgeving worden nu op appellant afgewenteld.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellant heeft zich in bezwaar en thans in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder hem ten onrechte geen vergoeding, althans een tegemoetkoming, heeft toegekend voor een aantal schadeposten die volgens hem het gevolg zijn geweest van de preventieve ruiming van zijn bedrijf in het kader van de bestrijding van Aviaire Influenza. Het betreft hier de waarde van het – vernietigde – in silo’s opgeslagen voer, alsmede de kosten van afvoer en vernietiging daarvan, de kosten van de gedwongen opslag van mest en de door hem gederfde inkomsten in de periode van gedwongen sluiting van zijn bedrijf.

5.2 Voor zover appellant van mening is dat verweerder op basis van artikel 86 Gwd tot toekenning van een tegemoetkoming had moeten overgaan overweegt het College dat dit artikel slechts een beperkte mogelijkheid biedt voor toekenning van een tegemoetkoming. De bedoelde beperking ziet enerzijds op de in het eerste lid van dit artikel beschreven situaties waarin een tegemoetkoming wordt toegekend en anderzijds op de in het tweede lid van dit artikel neergelegde, voor een tegemoetkoming in aanmerking komende schadeposten en de wijze waarop de tegemoetkoming voor deze verschillende schadeposten wordt berekend.

Naar het oordeel van het College volgt hieruit dat de door appellant gestelde schade niet voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van artikel 86 Gwd in aanmerking komt. Hiertoe heeft het College in aanmerking genomen dat, wat betreft het in silo’s opgeslagen voer, uit de stukken en het verhandelde ter zitting duidelijk is geworden dat de getroffen maatregelen niet mede betrekking hadden op dit voer, doch enkel op het reeds in het voedersysteem aanwezige voer. Het desbetreffende voer is door een voerleverancier op basis van een afspraak tussen LTO-Nederland en de Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie (Nevedi) bij het bedrijf van appellant opgehaald en vernietigd. De door appellant gestelde schadeposten ter zake van dit voer zijn derhalve niet het rechtstreeks gevolg van de aangezegde maatregelen.

Wat betreft de door appellant gemaakte kosten voor de gedwongen opslag van mest en de gederfde inkomsten in de periode van gedwongen sluiting heeft het College in aanmerking genomen dat deze schadeposten niet behoren tot de in artikel 86, tweede lid, Gwd genoemde schadeposten, zodat (reeds hierom) geen aanspraak bestaat op een tegemoetkoming op basis van dit artikel.

5.3 Voor zover appellant meent dat verweerder op andere basis dan artikel 86 Gwd, te weten op basis van artikel 91 Gwd, dan wel artikel 3:4, tweede lid, Awb, tot toekenning van een tegemoetkoming had moeten besluiten overweegt het College het volgende.

5.3.1 Gelet op het systeem van de wet als blijkend uit de artikelen 86 tot en met 89 Gwd is de toekenning van een tegemoetkoming op basis van artikel 86 Gwd het vervolg op de in de artikelen 87 tot en met 89 Gwd beschreven procedure volgens welke de waarde van de door een aanzegging van maatregelen als voorzien in artikel 22, eerste lid, onderdelen f en g, Gwd getroffen dieren, producten en voorwerpen wordt vastgesteld. Verweerder is er niet toe gehouden in het kader van een beslissing als bedoeld in artikel 86 Gwd eigener beweging te bezien of aanleiding bestaat op andere basis dan die in artikel 86 Gwd is gelegen, een tegemoetkoming in beweerdelijk geleden schade toe te kennen.

5.3.2 Overeenkomstig dit systeem behelst het primaire besluit de toekenning van een tegemoetkoming op basis van artikel 86 Gwd met als uitgangspunt de waarde die is vastgesteld in de in de artikelen 87 tot en met 89 Gwd beschreven procedure.

In bezwaar heeft appellant zich weliswaar op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte niet alle schadeposten bij de vaststelling van de tegemoetkoming heeft betrokken, doch daarbij heeft hij niet verzocht om toekenning van een tegemoetkoming op andere basis dan die in artikel 86 Gwd is gelegen. Een verzoek hiertoe valt ook niet uit het bezwaarschrift af te leiden. Gelet hierop heeft verweerder zich bij het bestreden besluit op goede gronden beperkt tot (her-)beoordeling van de aanspraken van appellant op een tegemoetkoming op basis van artikel 86 Gwd.

5.3.3 Gezien het vorenstaande kan hetgeen appellant heeft gesteld ter onderbouwing van zijn aanspraken op een tegemoetkoming op andere basis dan die in artikel 86 Gwd is gelegen, niet slagen.

Het College wijst appellant er in navolging van verweerder op dat het hem vrijstaat alsnog een verzoek om een tegemoetkoming als evenbedoeld bij verweerder in te dienen.

5.4 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op voet van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2005.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.M. Beishuizen