Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS5293

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-01-2005
Datum publicatie
08-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/158
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000

vergunning taxivervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 04/158 20 januari 2005

14914 Wet personenvervoer 2000

vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. A’s Taxi, te X, appellant,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigden: mr. L. Janse-Van der Vliet en mr. W.E. van Haveren, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 19 februari 2004, bij het College binnengekomen op 27 februari 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 januari 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant, gericht tegen de intrekking van zijn vergunning tot het verrichten van taxivervoer, ongegrond verklaard.

Op 31 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 9 december 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, alwaar appellant en de gemachtigden van verweerder hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

j. taxivervoer: personenvervoer per auto, anders dan bedoeld in onderdeel h, tegen betaling;

k. vervoerder: degene die (…) taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

(…)

Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

(…)"

Artikel 99

Het bestuursorgaan dat een vergunning heeft verleend, kan een vergunning volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels, wijzigen, schorsen of intrekken:

a. indien is gehandeld in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

b. indien niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 9, eerste lid, bedoelde eisen, tenzij een ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dat artikel is verleend.

(…)."

Artikel 26 van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) bepaalt onder meer het volgende:

" 1. De vervoerder die (…) taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

2. Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.

(…)"

In de Nota van toelichting bij artikel 26 van het Besluit is het begrip permanent en daadwerkelijk leidinggeven op de volgende wijze nader toegelicht:

"De eis van vakbekwaamheid beoogt door inbreng van de vakbekwame persoon een goede bedrijfsgang in de vervoersonderneming te waarborgen. Het predikaat "permanent" moet worden opgevat als een continue betrokkenheid bij het leidinggeven. De betrokkenheid mag niet incidenteel zijn. Indien het leidinggeven door de aard of grootte van de onderneming een voltijdse aangelegenheid is, betekent dit dat de vakbekwame niet slechts een gedeelte van de werktijd met daadwerkelijke leiding kan zijn belast. "Daadwerkelijk" geeft aan dat het om een inhoudelijke betrokkenheid bij het leidinggeven gaat. De functie van leidinggevende kan niet louter een formele status inhouden.

Zo kan een bestuurder van een rechtspersoon die als vervoerder geldt de vakbekwaamheid niet inbrengen indien de leiding over het vervoer feitelijk bij een ander berust. De werkzaamheden in het kader waarvan leiding wordt gegeven betekenen dat de vakbekwame inhoudelijk betrokken moet zijn bij beslissingen inzake uitbreiding van het bedrijf, het aangaan van financiële verplichtingen, het aan- en verkoopbeleid, de aansturing van personeel, het dagelijkse ondernemersbeleid, de relaties met de overheid, maar ook de strategie van het bedrijf op de vervoersmarkt. De uitleg van het begrip permanent leidinggeven vergt tevens dat de vakbekwame ten aanzien van deze werkzaamheden naar buiten vertegenwoordigingsbevoegd is.

Zonder een volmacht of mandaat om namens de vervoerder op te treden, kan de facto geen sprake zijn van leidinggeven als bedoeld in het onderhavige artikel."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft een procuratieovereenkomst gesloten met B.

- Op 6 december 2000 heeft verweerder van appellant een aanvraag om een taxivergunning ontvangen.

- Ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder op 6 februari 2002 van appellant een formulier "Verklaring inbreng vakbekwaamheid" (hierna: VIV) ontvangen, waarin diverse vragen zijn beantwoord omtrent de wijze waarop binnen de betreffende taxi-onderneming leiding zal worden gegeven.

- Verweerder heeft de gevraagde vergunning bij besluit van 4 maart 2002 voor onbepaalde tijd verleend. Blijkens de bij het besluit behorende bijlage wordt binnen de onderneming de vakbekwaamheid ingebracht door B als procuratiehouder.

- Bij brief van 16 januari 2003 heeft verweerder B verzocht om in het kader van een onderzoek naar de materiële invulling van de eis van vakbekwaamheid een formulier "Onderzoek Verklaring Inbreng Vakbekwaamheid" (hierna: het onderzoeksformulier) in te vullen en terug te sturen.

- Bij brief van 9 april 2003 heeft verweerder appellant medegedeeld dat hij voornemens is de verleende vergunning in te trekken. Omdat het onderzoeksformulier niet is geretourneerd, is verweerder tot de conclusie gekomen dat niet langer wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid. Appellant is in de gelegenheid gesteld schriftelijk dan wel mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen.

- Nadien heeft verweerder het onderzoeksformulier, ondertekend door appellant en B op 9 februari 2003, ontvangen.

- Op 7 mei 2003 heeft appellant mondeling zijn zienswijze op de voorgenomen intrekking naar voren gebracht.

- Bij besluit van 4 juni 2003 heeft verweerder de vergunning met ingang van 27 augustus 2003 ingetrokken.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 juli 2003 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 28 juli 2003 is aan appellant bericht dat de intrekking zal plaatsvinden zeven weken nadat op zijn bezwaar is beslist.

- Op 17 november 2003 is appellant gehoord op zijn bezwaarschrift. Tijdens de hoorzitting heeft appellant desverzocht verklaard dat hij sinds juli 2003 geen contact meer heeft met zijn procuratiehouder, maar dat zij tot en met juni 2003 veelvuldig contact hadden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt, ingenomen in het primaire besluit, gehandhaafd. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat binnen de onderneming van appellant niet meer kan worden gesproken van permanent en daadwerkelijk leiding geven door de procuratiehouder. De werkzaamheden van de vakbekwame persoon bestaan uit het controleren van de administratie, rittenstaten en het werkboekje. Deze werkzaamheden kunnen niet worden gezien als inhoudelijke betrokkenheid bij wezenlijke beslissingen betreffende de bedrijfsvoering van appellant. Voorts heeft appellant bij de hoorzitting aangegeven dat hij sinds juli 2003 geen contact meer heeft met zijn procuratiehouder. Vanaf juli 2003 is dus feitelijk geen sprake meer van enige betrokkenheid van de procuratiehouder. Gelet op deze omstandigheden, wordt binnen de onderneming van appellant niet meer voldaan aan de eis van vakbekwaamheid.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft betoogd dat geen sprake is van zorgvuldige besluitvorming. De intrekking brengt nadelige financiële gevolgen met zich, waardoor appellant zijn gezin niet meer kan onderhouden. Evenmin kan appellant iets worden verweten. Hij heeft alles gedaan de voor hem ongunstige situatie te keren. Verweerder had van zijn harde lijn moeten afwijken.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 99, tweede lid, van de Wet kan verweerder een vergunning voor het verrichten van taxivervoer intrekken, indien niet langer wordt voldaan aan één van de in artikel 9, eerste lid, van de Wet bedoelde eisen, waaronder onder meer is begrepen dat een vervoerder dient te voldoen aan de eis van vakbekwaamheid.

Aan de eis van vakbekwaamheid kan bij een eenmanszaak worden voldaan door de ondernemer of, indien hij zelf niet vakbekwaam is, door een vakbekwaam leidinggevende (procuratiehouder). Naar het College meermalen heeft overwogen, is het evenwel niet waarschijnlijk te achten dat een ondernemer die voornemens is in het kader van een eenmanszaak bepaalde werkzaamheden te gaan verrichten, een procuratiehouder belast met in het bijzonder de taak om aan de uitvoering van die werkzaamheden leiding te geven.

Bij eenmanszaken hanteert verweerder voorts het uitgangspunt dat binnen een onderneming, waarbij de ondernemer een taxivergunning heeft verkregen op basis van de inbreng van de vakbekwaamheid door een procuratiehouder, in ieder geval aan het vereiste van vakbekwaamheid wordt voldaan, indien de vakbekwaam leidinggevende feitelijk de bij de aanvraag opgegeven werkzaamheden verricht.

In dit geding staat ter beoordeling de vraag of verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat binnen de onderneming van appellant in de praktijk niet wordt gehandeld conform hetgeen bij de vergunningaanvraag is opgegeven en dat de werkzaamheden die B in de onderneming verricht niet kunnen worden aangemerkt als permanent en daadwerkelijk leidinggeven, zodat in de onderneming niet (langer) wordt voldaan aan het vakbekwaamheidsvereiste.

Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe allereerst dat, gezien het wettelijk bepaalde, aan verweerder niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, nadat hij een vergunning heeft verleend, op een later tijdstip te onderzoeken of de invulling van de werkzaamheden in de praktijk in overeenstemming is met het bij de aanvraag geschetste beeld en als zulks niet het geval is en evenmin sprake is van permanent en daadwerkelijk leidinggeven door de vakbekwame procuratiehouder, die vergunning in te trekken.

Weliswaar dient verweerder rekening te houden met gerechtvaardigde verwachtingen en belangen van een taxiondernemer, doch de werking van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel strekt niet zover dat verweerder een taxivergunning als de onderhavige, die een in beginsel onbeperkte geldigheidsduur heeft, niet zou mogen intrekken indien hij tot het oordeel komt dat het besluit tot vergunningverlening bij nader inzien rechtens onjuist is danwel dat niet meer wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.

Naar het oordeel van het College heeft appellant aan de - mede gelet op de overgelegde procuratieovereenkomst en de VIV, door verweerder ontvangen op 6 februari 2002, gebaseerde - vergunningverlening niet het te rechtvaardigen vertrouwen kunnen ontlenen dat deze niet voor intrekking in aanmerking zou kunnen komen. Nog daargelaten dat verweerder bij de vergelijking van de VIV en het onderzoeksformulier tot de conclusie heeft kunnen komen dat binnen de onderneming van appellant ook tot juni 2003 in de praktijk niet (meer) werd gehandeld conform hetgeen bij de vergunningaanvraag is opgegeven, heeft verweerder deze conclusie in ieder geval kunnen verbinden aan de omstandigheid dat de procuratiehouder zijn werkzaamheden per juli 2003 heeft gestaakt. Uitgaande met name van deze door appellant verstrekte informatie, is het College van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, anders dan bij de vergunningaanvraag nog aannemelijk werd gemaakt, aldus geen sprake is van permanent en daadwerkelijk leidinggeven door een vakbekwaam persoon als bedoeld in artikel 26 van het Besluit en de toelichting daarop.

De conclusie is derhalve dat verweerder op goede gronden tot intrekking van de aan appellant verleende taxivergunning is overgegaan.

Ten slotte is verweerder, door nader te besluiten eerst tot intrekking over te gaan zeven weken na de bestreden beslissing, in voldoende mate aan de belangen van appellant tegemoet gekomen. Dat de intrekking voor appellant ook vanaf dat moment nadelige financiële gevolgen kan hebben, ligt binnen zijn risicosfeer.

Het beroep van appellant dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. L. van Duuren