Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS5278

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
08-02-2005
Zaaknummer
AWB 03/901
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Wetsverwijzingen
Regeling dierlijke EG-premies 2.3
Regeling dierlijke EG-premies 2.4b
Regeling dierlijke EG-premies 4.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/901 2 februari 2005

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A-B, te C, gemeente D, appellante,

gemachtigde: mr. E.A. Buys, werkzaam bij Denkavit Nederland B.V.,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 30 juli 2003, bij het College binnengekomen op 31 juli 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 juni 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op bezwaren van appellante tegen een besluit van

13 juni 2002, genomen op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Bij brief van 30 september 2003 heeft appellante de gronden van het beroep aangevoerd.

Bij brief van 19 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 maart 2004 heeft appellante een conclusie van repliek ingediend, waarna verweerder bij brief van 27 mei 2004 een conclusie van dupliek heeft ingediend.

Op 29 oktober 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB nr. L160, blz. 21; hierna: Verordening (EG) nr. 1254/1999) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. De premie wordt, binnen nader vast te stellen nationale maxima, toegekend bij het slachten van in aanmerking komende dieren of de uitvoer daarvan naar een derde land.

Voor de slachtpremie komen in aanmerking:

a) stieren, ossen, koeien en vaarzen van ten minste acht maanden;

b) kalveren van meer dan één en minder dan zeven maanden oud met een slachtgewicht van minder dan 160 kilogram,

op voorwaarde dat zij gedurende een nader te bepalen periode door de producent zijn gehouden.

(…)

Artikel 21

Om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van dit hoofdstuk, moet een dier geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000."

In Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB nr. L391, blz. 36; hierna: Verordening (EEG) nr. 3887/92) was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 11

1. De in deze verordening bepaalde sancties gelden onverminderd extra sancties waarin op nationaal niveau is voorzien."

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB nr. L327, blz. 11; hierna: Verordening (EG) nr. 2419/2001) was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 44

Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

2. De in deze titel bepaalde kortingen en uitsluitingen zijn ook niet van toepassing op die onderdelen van de steunaanvraag ten aanzien waarvan het bedrijfshoofd de bevoegde instantie schriftelijk mededeelt dat de aanvraag fouten bevat of niet langer juist is, tenzij het bedrijfshoofd in kennis is gesteld van het voornemen van de bevoegde instantie bij hem een controle ter plaatse te verrichten of deze instantie het bedrijfshoofd reeds over onregelmatigheden in de betrokken aanvraag heeft ingelicht.

De in de eerste alinea bedoelde mededeling van het bedrijfshoofd heeft een aanpassing van de steunaanvraag aan de feitelijke toestand tot gevolg.

Artikel 45

Correcties en aanvullingen van de in het gecomputeriseerde gegevensbestand ingevoerde gegevens

1. Ten aanzien van runderen waarvoor steun wordt aangevraagd, is artikel 44 vanaf het tijdstip van de indiening van de aanvraag van toepassing op fouten en nalatigheden in verband met de in het gecomputeriseerde gegevensbestand opgenomen gegevens.

Artikel 47

Cumulatie van sancties

1. Kortingen en uitsluitingen op grond van deze verordening worden los van elkaar en afzonderlijk toegepast.

2. Onder voorbehoud van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2988/95 van de Raad gelden de in deze verordening bepaalde kortingen en uitsluitingen onverminderd andere in gemeenschaps- of nationaalrechtelijke voorschriften bepaalde sancties."

In Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB nr. L204, blz. 1; hierna: Verordening (EG) nr. 1760/2000) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden. (…)

Artikel 22

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de naleving van deze verordening te garanderen. De betrokken controles staan los van de controles die de Commissie op grond van artikel 9 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 kan uitvoeren.

Door een lidstaat aan een veehouder opgelegde sancties staan in verhouding tot de ernst van de overtreding. Een sanctie kan, in voorkomend geval, inhouden dat de verplaatsingen van dieren naar of van het bedrijf van de betrokken houder worden beperkt.

(…)"

In de Verordening identificatie en registratie runderen 1998 van het Productschap Vee en Vlees (hierna: de PVV-verordening) was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 12

1. De houder, met uitzondering van de vervoerder, is verplicht de in artikel 4, derde lid en de in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 820/97 bedoelde gegevens (…) nauwkeurig en volledig in het register aan te tekenen.

2. (…)

Artikel 13

1. De houder, met uitzondering van de vervoerder, is verplicht binnen een periode van 3 werkdagen aan de dienst melding te doen van de in artikel 12, eerste lid, van deze verordening (…) bedoelde gegevens.

2. (…)"

In de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2.3

(…)

2. Terzake van het slachten of uitvoeren naar een derde land van een rund dat op de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, blijkens de gegevens uit het I & R-register tenminste acht maanden oud is, wordt op daartoe strekkende aanvraag overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en verordeningen 1254/1999 en 2342/1999 aan producenten premie verstrekt.

Artikel 2.4b

(…)

2. Aanvragen voor premie ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir worden ingediend door melding van de slacht overeenkomstig de bepalingen van de PVV-verordening door het betrokken abattoir aan het I & R-register.

Hoofdstuk 4A. Bepalingen met betrekking tot premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid

(…)

Artikel 4.9

1. Geen premie wordt verstrekt voor runderen ten aanzien waarvan de producent de op hem, krachtens de PVV-verordening, rustende bepalingen met betrekking tot de melding aan het I&R-register van de geboortedatum, de datum van aanvoer op, of afvoer van zijn bedrijf of de datum van slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, niet binnen 25 dagen is nagekomen, voorzover de desbetreffende meldingsplicht op of na 1 januari 2000 is ontstaan.

2. De premie wordt verminderd met 25% voor runderen ten aanzien waarvan de producent de op hem, krachtens de PVV-verordening, rustende bepalingen met betrekking tot de melding aan het I&R-register van de geboortedatum, de datum van aanvoer op, of afvoer van zijn bedrijf of de datum van slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, niet tijdig doch wel binnen 25 dagen nadat de betrokken gebeurtenis heeft plaatsgevonden, is nagekomen, voorzover de desbetreffende meldingsplicht op of na 1 januari 2000 is ontstaan."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 1 februari 2001 heeft verweerder van appellante een deelnameformulier ontvangen waarin zij zich heeft aangemeld voor de slachtpremieregeling.

- Bij besluit van 24 juni 2002 heeft verweerder appellante bericht dat de aanvragen die namens haar voor het slachtpremiejaar 2001 zijn ingediend, zijn beoordeeld. In totaal 260 runderen zijn geheel of gedeeltelijk premiewaardig bevonden, hetgeen leidde tot een toekenning van premie van ƒ 11.978,00, terwijl 105 runderen niet-premiewaardig zijn bevonden.

- Bij brief van 23 juli 2002 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt. Het bezwaar richtte zich in het bijzonder op de kortingen op en de uitsluitingen van premie.

- Bij besluit van 19 augustus 2002 heeft verweerder het besluit van 24 juni 2002 gecorrigeerd en 15 dieren die eerder niet-premiewaardig waren verklaard, alsnog volledig premiewaardig bevonden, en heeft hij tevens een ander dier niet-premiewaardig verklaard. Dit leidde tot een nabetaling van ƒ 795,00.

- Op 1 april 2003 is appellante omtrent haar bezwaren gehoord.

- Nadat tussen partijen nog enige correspondentie had plaatsgevonden, heeft verweerder op 19 juni 2003 het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren deels niet-ontvankelijk verklaard, namelijk voor zover deze betrekking hadden op de uitsluiting van premie voor dieren die in het besluit van 19 augustus 2002 alsnog premiewaardig waren bevonden. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Ten aanzien van één rund is vastgesteld dat als aanvoerdatum 3 oktober 2000 is geregistreerd, terwijl als datum van melding hiervan in het I&R-register 31 oktober 2000 is geregistreerd. Ten aanzien van een groep andere runderen is vastgesteld dat eveneens als aanvoerdatum 3 oktober 2000 is geregistreerd, terwijl als datum van melding hiervan in het I&R-register 12 oktober 2000 is geregistreerd. Bij al deze runderen is de melding van aanvoer niet tijdig gedaan binnen de door de PVV-verordening gestelde termijn, doch wel binnen 25 dagen plus 5 verwerkingsdagen na datum van afvoer. Op grond van het bepaalde in artikel 4.9, tweede lid, van de Regeling is de premie met betrekking tot deze dieren terecht verminderd met 25%.

Wat betreft een ander rund is als aanvoerdatum 3 oktober 2000 geregistreerd en is als datum van de melding in het I&R-register 14 november 2000 geregistreerd. De melding van aanvoer is niet tijdig gedaan binnen de door de PVV-verordening gestelde termijn en evenmin in de kortingsperiode. Op grond van het bepaalde in artikel 4.9, eerste lid, van de Regeling is met betrekking tot dit dier terecht geen slachtpremie verstrekt.

Ten slotte zijn ten aanzien van een aantal runderen andere redenen voor korting of afwijzing opgegeven. Appellante heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat haar bezwaren zich daar niet tegen richtten, zodat verweerder hier in het bestreden besluit verder niet op is ingegaan.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat een te late melding van een aanvoer in het I&R-register reden kan zijn voor een korting op de slachtpremie of van een weigering daarvan. Volgens appellante dient de premiewaardigheid uitsluitend te worden beoordeeld aan de hand van de voorwaarden in de Verordeningen (EG) nr. 1254/1999 en (EG) nr. 2342/1999. Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 stelt alleen als eis dat een dier overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 moet zijn geïdentificeerd en geregistreerd. Appellante meent dat haar dieren hieraan voldoen, omdat zij zijn geïdentificeerd conform artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 (twee officiële oormerken) en zijn geregistreerd conform artikel 7, eerste lid, van die Verordening (de van belang zijnde gegevens zijn in het I&R-register opgenomen).

Appellante meent dat het de lidstaten niet vrij staat om aanvullende voorwaarden in het kader van de identificatie en registratie van dieren te stellen die van invloed zijn op de premiewaardigheid van de dieren. Voor de beoordeling of een dier in aanmerking komt voor slachtpremie, is niet relevant of een aanvoer in het verleden precies op tijd is gemeld. Indien de uiteindelijk gemelde gegevens in orde zijn, mag de premie niet meer worden geweigerd. Artikel 4.9 van de Regeling is daarom onverbindend wegens strijd met de Verordeningen (EG) nr. 1254/1999 en (EG) nr. 2342/1999.

Volgens appellante worden in andere lidstaten geen vergelijkbare nationale aanvullende voorwaarden ten aanzien van de premiewaardigheid van dieren gesteld.

Appellante brengt voorts naar voren dat in het I&R-register als datum van melding niet de datum wordt geregistreerd waarop een melding daadwerkelijk wordt gedaan, maar de datum waarop de verwerking van deze melding plaatsvindt. Er is daarom geen enkele borging dat een juiste datum van melding wordt vastgelegd. Dit probleem kan niet worden opgelost door vijf extra verwerkingsdagen te hanteren zoals verweerder doet. De in artikel 4.9 van de Regeling vermelde sancties voor het te laat verrichten van meldingen kunnen derhalve niet op basis van gegevens uit het I&R-register worden opgelegd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College overweegt naar aanleiding van de klachten van appellante over de betrouwbaarheid van het Nederlandse I&R-register dat deze met name betrekking hebben op het niet juist registreren van de datum van melding van aanvoer van dieren die in Nederland worden geïmporteerd en op het te laat registreren van meldingen van aan- en afvoer. Verweerder heeft erkend dat het I&R-register ten tijde van belang op beide punten niet volledig juist werkte. Voor wat betreft de geïmporteerde dieren is verweerder de betrokken bedrijven tegemoet gekomen door de onjuist geregistreerde datum niet aan een weigering van premie ten grondslag te leggen. Voor wat betreft het te laat registreren van meldingen, erin bestaande dat als melddatum de datum van verwerking van de melding werd geregistreerd in plaats van de werkelijke datum van melding, heeft verweerder de gedragslijn gehanteerd dat sancties alleen worden toegepast indien de vastgestelde termijnen, vermeerderd met vijf zogenaamde verwerkingsdagen, werden overschreden. Appellante heeft naar het oordeel van het College niet aannemelijk gemaakt dat het I&R-register, met de tegemoetkomingen door verweerder als vermeld, geen deugdelijke basis voor door verweerder te nemen beslissingen kan vormen. Het College is dan ook van oordeel dat het I&R-register ten tijde van belang en toegepast op de door verweerder vermelde wijze, een voldoende grondslag bood voor het thans bestreden besluit.

In dit geding kan er dan ook van worden uitgegaan dat alle betrokken runderen op 3 oktober 2000 op het bedrijf van appellante zijn aangevoerd, dat de meldingen van de aanvoer van de verschillende groepen runderen op 12 oktober 2000, 31 oktober 2000 en 14 november 2000 zijn geregistreerd, en dat de meldingen niet eerder dan op 7 oktober 2000, 26 oktober 2000 en 9 november 2000 hebben plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de in geding zijnde kortingen en uitsluiting van premie, die zijn gebaseerd op de gebruikmaking van het I&R-register op de wijze zoals hiervoor bedoeld, een correcte toepassing vormen van artikel 4.9 van de Regeling.

5.2 In geding is evenwel de vraag of verweerder, gelet op de geconstateerde onregelmatigheden bij de door appellante in het verleden gedane aanvoermeldingen aan de houder van het I&R-register, gerechtigd was de aanspraken van appellante op premies op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999 geheel of gedeeltelijk uit te sluiten.

5.3 Appellante heeft zich erop beroepen dat zij de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1254/1999 volledig heeft nageleefd, met inbegrip van de voorwaarde genoemd in artikel 21 dat, om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van hoofdstuk 1 van die verordening, een dier geïdentificeerd en geregistreerd moet zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000.

5.4 Dit stelt het College voor de vraag hoe artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 moet worden uitgelegd. In de visie van appellante is het voldoende dat de runderen zijn geïdentificeerd met oormerken en dat ze zijn geregistreerd in het I&R-register. Denkbaar is echter ook de verstrekkende interpretatie dat de voorwaarde dat een dier geïdentificeerd en geregistreerd moet zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000, inhoudt dat aan alle eisen van die verordening moet zijn voldaan, met inbegrip van de eisen ten aanzien van een tijdige melding van aan- en afvoergegevens als bedoeld in artikel 7 van laatstbedoelde verordening. Indien deze laatste verstrekkende interpretatie de juiste zou zijn, kan appellante voor de in geding zijnde runderen, waarvan vaststaat dat de aanvoermeldingen te laat hebben plaatsgevonden, in het geheel niet in aanmerking komen voor premie.

5.5 In dit verband kan worden opgemerkt dat, naar appellante heeft gesteld, noch Nederland noch andere lidstaten artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 op de hiervoor bedoelde manier toepassen. Aanvullende nationale voorschriften, zoals artikel 4.9 van de Regeling, zouden bij bedoelde verstrekkende interpretatie overigens ook overbodig zijn.

5.6 Voor de genoemde interpretatie pleit dat tijdige registratie van de verlangde gegevens binnen de Gemeenschap van groot belang wordt geacht en dat het daarom niet onzinnig zou zijn wanneer alleen communautaire steun wordt geboden aan producenten die alle op hen rustende identificatie- en registratievoorschriften nakomen.

5.7 Het College vraagt zich ten slotte af of de vraag naar de juiste interpretatie van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 ook moet worden bezien in het licht van de kortingen en uitsluitingen die zijn voorzien in de ten tijde van belang geldende Verordening (EEG) nr. 3887/92 (de artikelen 10 en volgende) en de daarop volgende Verordening (EG) nr. 2419/2001 (de artikelen 36 en volgende).

5.8 Aanvaarding van de hierboven bedoelde interpretatie zou het gevolg hebben dat iedere onregelmatigheid bij de registratie van gegevens, hoe gering ook, leidt tot een volledige uitsluiting van premie. Daarmee is de vraag aan de orde of artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bij deze interpretatie niet disproportioneel en daarmee onverbindend moet worden verklaard. De overschrijding van de termijn met één dag kan maanden of zelfs jaren later immers nog tot consequenties leiden, die in verhouding tot de ernst van de gepleegde overtreding uitermate zwaar kunnen zijn. Hoe belangrijk tijdige melding van de gegevens ook mag zijn op het moment dat de feiten zich voordoen, dit in verband met een snelle tracering van de herkomst van een dier, in het bijzonder in het belang van de voedselveiligheid en bij de uitbraak van een dierziekte, de ernst van het feit dat de melding in het verleden te laat is geweest, wordt in de loop van de tijd geringer, zeker wanneer het dier inmiddels al geruime tijd op het bedrijf aanwezig is zonder dat in de tussentijd dierziektes zijn uitgebroken.

Appellante heeft kennelijk hierop het oog, wanneer zij stelt dat het voor premiedoeleinden voldoende is dat het dier is geïdentificeerd en is geregistreerd. Doorredenerend zou overigens het andere uiterste zijn dat, zelfs indien een dier slechts één dag voor de slacht alsnog wordt geïdentificeerd en geregistreerd, aan de voorwaarde van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is voldaan, ook al is het dier al geruime tijd ongeïdentificeerd of ongeregistreerd op het bedrijf aanwezig. Dat andere uiterste doet zich overigens in deze zaak niet voor: hier gaat het om een overschrijding van de termijn met een dag tot enkele weken.

5.9 Indien artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 aldus moet worden uitgelegd dat iedere onregelmatigheid bij meldingen in het I&R-register tot een uitsluiting van slachtpremie moet leiden, is de volgende vraag of hierop ook de uitzonderingen, bedoeld in de artikelen 44 en 45 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, kunnen worden toegepast. Naar de letter verwijst artikel 44 alleen naar "de in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen".

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) heeft bij arrest van 1 juli 2004 (Gisela Gerken, C-295/02) voor recht verklaard dat artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, aldus moet worden uitgelegd dat in het geval van een steunaanvraag voor dieren die valt binnen de temporele werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 3887/92, en een onregelmatigheid vertoont ten gevolge waarvan krachtens artikel 10, tweede lid, sub a, van deze laatste verordening een sanctie moet worden opgelegd, de bevoegde autoriteiten met terugwerkende kracht artikel 44, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 moeten toepassen, op grond dat dit voor de betrokken handelingen minder streng is. Dit lijkt erop te duiden dat de woorden "in deze titel" ruim moeten worden toegepast, zodat artikel 44 ook toepassing zou kunnen vinden bij een eventuele uitsluiting bij overtredingen van Verordening (EG) nr. 1760/2000, op grond dat dit voor de betrokken handelingen minder streng is. Indien ook artikel 45, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 met terugwerkende kracht zou moeten worden toegepast, ziet het College zich gesteld voor de vraag of een juiste toepassing van dit artikel in verbinding met artikel 44 meebrengt dat een uitsluiting van premie voor de slacht niet van toepassing is bij een nalatigheid in verband met de melding van gegevens aan de houder van het gecomputeriseerde gegevensbestand, indien de doorgegeven gegevens, zoals in dit geval de aanvoerdata, feitelijk geheel correct zijn (en ook van meet af aan juist zijn geweest en derhalve nooit behoefden te worden gecorrigeerd). Als dit niet voor iedere nalatigheid geldt, is de vraag of het wel geldt in de situatie als in dit geding aan de orde, waarin de nalatigheid heeft bestaan uit het (enkele dagen of weken) te laat doorgeven van gegevens, terwijl de slacht geruime tijd later plaats vindt.

5.10 Naast de hiervoor genoemde vragen behoeft de door appellante opgeworpen vraag beantwoording, of het de lidstaten vrijstaat om in nationale wetgeving kortingen of uitsluitingen van premie te regelen in gevallen waarin een producent louter op basis van de communautaire regelgeving aan alle voorwaarden voor het recht op premie voldoet. Appellante heeft betoogd dat aldus niet gerechtvaardigde verschillen tussen producenten in de verschillende lidstaten kunnen ontstaan.

5.11 Verweerder heeft zich beroepen op artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 en ziet de nationale korting en uitsluiting van slachtpremies als door hem nodig geachte maatregel om de naleving van deze verordening te garanderen.

5.12 Het College staat derhalve tevens voor de vraag of artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een door een lidstaat nodig geachte maatregel om de naleving van deze verordening te garanderen mede mag inhouden de korting of uitsluiting van een communautair recht op slachtpremie. Verdedigd zou kunnen worden dat kortingen of uitsluitingen uitsluitend ter beoordeling van de communautaire wetgever staan en dat lidstaten enkel andersoortige maatregelen kunnen nemen, zoals administratieve of strafrechtelijke sancties.

5.13 In dit verband overweegt het College dat artikel 22 spreekt over door een lidstaat aan een veehouder opgelegde sancties die in verhouding moeten staan tot de ernst van de overtreding. De vraag is of het korten of uitsluiten voor communautaire slachtpremie wel in verhouding staat tot – zo zij niet al een geheel ander doel dienen dan – de ernst van overtredingen van identificatie- en registratieverplichtingen.

5.14 Het College heeft geconstateerd dat artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3887/92, evenals artikel 47, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aanvullende nationale sancties mogelijk maken. Ook hier rijst de vraag of onder dergelijke sancties mede kunnen worden begrepen kortingen en uitsluitingen van premie, of dat deze enkel andersoortige sancties kunnen inhouden.

5.15 Indien geoordeeld wordt dat de lidstaten aanvullende nationale sancties kunnen treffen die mede kunnen inhouden het toepassen van kortingen op en uitsluitingen van communautaire premies, ziet het College zich voor de vraag geplaatst of de communautair voorziene uitzonderingen op communautaire kortingen en uitsluitingen, van overeenkomstige toepassing zijn op nationale kortingen en uitsluitingen. In het bijzonder geldt dit de toepassing van de hiervoor reeds besproken artikelen 44 en 45 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, die mee zouden kunnen brengen dat, indien de juiste gegevens in het elektronisch register zijn opgenomen, kortingen en uitsluitingen niet meer aan de orde zijn.

5.16 Het College acht de beantwoording van de hiervoor opgeworpen vragen noodzakelijk om tot een beslechting van het geschil te komen. Aangezien de vragen niet eerder door het Hof van Justitie zijn beantwoord en de antwoorden niet zo evident zijn dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan, dient het College te besluiten deze vragen op voet van artikel 234 EG aan het Hof van Justitie voor te leggen met het verzoek om een prejudiciële beslissing.

5.17 Dit leidt het College tot de navolgende beslissing.

6. De beslissing

Het College:

- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over

de volgende vragen:

1. Dient artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 aldus te worden uitgelegd, dat iedere onregelmatigheid bij de naleving van Verordening (EG) nr. 1760/2000 ten aanzien van een dier leidt tot een volledige uitsluiting van slachtpremie voor dat dier?

2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, is artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 dan verbindend, in het bijzonder in verband met de daaruit voortvloeiende consequenties?

3. Zijn de artikelen 44 en 45 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van toepassing op onregelmatigheden bij de naleving van Verordening (EG) nr. 1760/2000?

4. Indien vraag 3 bevestigend wordt beantwoord, brengt dan een juiste toepassing van artikel 45 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 in verbinding met artikel 44 mee dat een uitsluiting van premie voor de slacht niet van toepassing is bij een nalatigheid in verband met de melding van gegevens aan de houder van het gecomputeriseerde gegevensbestand, indien de doorgegeven gegevens, zoals in dit geval de aanvoerdata, feitelijk geheel correct zijn (en ook van meet af aan juist zijn geweest en derhalve nooit behoefden te worden gecorrigeerd)? Als dit niet voor iedere nalatigheid geldt, geldt het dan wel in de situatie als in dit geding aan de orde, waarin de nalatigheid heeft bestaan uit het (enkele dagen of weken) te laat doorgeven van gegevens, terwijl de slacht geruime tijd later plaats vindt?

5. Dienen artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en/of artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 en/of artikel 47, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat bevoegd is om bij wege van nationale sanctie op de naleving van die verordening het communautaire recht op slachtpremie uit te sluiten of daarop kortingen aan te brengen?

6. Indien vraag 5 geheel of gedeeltelijk bevestigend wordt beantwoord, zijn dan de communautair voorziene uitzonderingen op communautaire kortingen en uitsluitingen, in het bijzonder de artikelen 44 en 45 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, van overeenkomstige toepassing op nationale kortingen en uitsluitingen?

7. Indien vraag 6 bevestigend wordt beantwoord, brengt dan een juiste overeenkomstige toepassing van artikel 45 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 in verbinding met artikel 44 mee dat nalatigheden in verband met de melding van gegevens aan het gecomputeriseerde gegevensbestand, en met name het te laat doorgeven van gegevens, niet kunnen leiden tot een uitsluiting van premie voor de slacht, indien de in het register opgenomen gegevens, zoals in dit geval de aanvoerdatum, feitelijk geheel correct zijn?

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. E.J.M. Heijs en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005.

w.g. J.A. Hagen w.g. R.P.H. Rozenbrand