Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS5237

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
08-02-2005
Zaaknummer
AWB 03/1506
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Registratie

amtbshalve

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 03/1506 2 februari 2005

3110 Registratie

amtbshalve

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

vertegenwoordigd door: B en C,

tegen

het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Westenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 29 december 2003, bij het College binnengekomen op 31 december 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 11 juni 2003.

Bij brief van 5 februari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 3 november 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (Stb. 2002, nr. 394; hierna het Instellingsbesluit) is onder andere het volgende bepaald:

“ Artikel 2

1. Er is een Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud.

2. Het hoofdbedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin wordt uitgeoefend:

a. het schilders- en afwerkingsbedrijf;

b. het stukadoors-, afbouw-, terazzo- en vloerenbedrijf.

(…)

Artikel 11

1. Het Bedrijfschap voor het Schilders- en Afwerkingsbedrijf en het Bedrijfschap voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf zijn opgeheven.

2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bedrijfslichamen verstaan: de in het eerste lid genoemde bedrijfschappen.

3. Onverminderd het feit dat de bedrijfslichamen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit zijn opgeheven, blijven de in de bijlage A vermelde, door de bedrijfslichamen vastgestelde verordeningen en andere besluiten van kracht tot de datum waarop de door het hoofdbedrijfschap inzake deze materies vastgestelde verordeningen en andere besluiten in werking zullen treden

(…). “

In Bijlage A behorende bij artikel 11 van het Instellingsbesluit is onder andere vermeld:

“ Verordeningen en andere besluiten van:

(…)

b. het Bedrijfschap voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo/Vloerenbedrijf:

1. Registratieverordening Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf (…).”

In de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud is onder meer het volgende vermeld:

“ Onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf wordt verstaan het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van de bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen.''

Bij de Verordening Registratie en inzage van boeken en bescheiden Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (hierna: de Verordening) van 22 april 2003, in werking getreden op 31 mei 2003 (PBO-blad 2003, nr. 37), is voorzover hier van belang het volgende bepaald:

“ Artikel 2

Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven waarin een in artikel 2 van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud bedoeld bedrijf wordt uitgeoefend.

Artikel 3

1. Er is een register van ondernemingen, waarin gegevens worden opgenomen ten behoeve van de vervulling van de taak van het hoofdbedrijfschap.

(…).

Artikel 10

Dit register treedt in de plaats van de registers die op grond van de Registratieverordening Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf: Afbouwbedrijf en de Registratieverordening Bedrijfschap Schilders- en Afwerkingsbedrijf zijn ingesteld.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 5 januari 2000 is appellant meegedeeld dat zijn bedrijf is geregistreerd als wand- en plafondbedrijf waarvoor het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf (hierna: het Bedrijfschap) is ingesteld.

- Bij besluit van 22 september 2000 heeft het Bedrijfschap het besluit tot registratie ingetrokken.

- Aan appellant is bij besluit van 4 december 2001 medegedeeld dat zijn bedrijf wederom ambtshalve is geregistreerd bij het Bedrijfschap.

- Tegen voornoemd besluit heeft appellant bij brief van 19 december 2001 bezwaar gemaakt, waarna het Bedrijfschap bij besluit van 18 februari 2002 het bezwaar ongegrond heeft verklaard.

- Bij brief van 20 maart 2002 heeft appellant beroep ingesteld tegen voornoemd besluit. Het College heeft op 26 februari 2003 (AWB 02/443) het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opdracht gegeven opnieuw op het bezwaar te beslissen. Het College heeft geoordeeld dat het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo/Vloerenbedrijf gelet op de tekst van de Registratieverordening die het bestuur van het Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf op 3 mei 1993 had vastgesteld, niet bevoegd was om over te gaan tot registratie van plafond- en wandbedrijven, die pas sedert het vaststellen van de Instellingsverordening van het Bedrijfschap op 15 januari 1999 onder de werkingssfeer vielen.

- Bij besluit van 11 juni 2003 heeft verweerder appellant geregistreerd als wand- en plafondbedrijf.

- Tegen voornoemd besluit heeft appellant bij brief van 19 juni 2003 bezwaar gemaakt.

- Op 11 november 2003 is appellant gehoord omtrent zijn bezwaar.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellants bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen.

“ Ten tijde van de brief van 22 september 2000 was er binnen het Bedrijfschap onduidelijkheid over de vraag of bedrijven die spanplafonds aanbrengen vallen onder de werkingssfeer. Omdat die discussie speelde, vonden wij het coulant om totdat er duidelijkheid was over die vraag, de desbetreffende bedrijven weer uit te schrijven. (…) Eind 2000 heeft het Bedrijfschap na raadpleging van de branche geconstateerd dat het aanbrengen van spanplafonds onder de werkingssfeer valt. Vervolgens bent u weer geregistreerd. De brief van 22 september 2000 geeft geen vrijwaring voor de toekomst, het is geen toezegging dat u nooit meer geregistreerd zult worden. Het is slechts een brief waarin wij u medegedeeld hebben dat wij thans geen aanleiding zagen om uw bedrijf te registreren. Nu zien wij die aanleiding wel.

(…) Wij zijn (…) op grond van artikel 2, lid 2 sub b van het Instellingsbesluit, van mening dat het aanbrengen van spanplafonds wel degelijk onder de werkingssfeer valt. De werkzaamheden voldoen aan de eisen, genoemd in de Nota van toelichting. Het zijn werkzaamheden die in opdracht van derden worden verricht en de betreffende werkzaamheden behoren tot de niet-constructieve afbouw. Door het vaststellen van de Handleiding registratie heeft het bestuur uitgemaakt dat het aanbrengen van spanplafonds, gemaakt van PVC, valt onder de werkingssfeer. Uit uw bezwaarschrift en uw mondelinge toelichting blijkt dat u deze werkzaamheden verricht, te weten het aanbrengen van spanplafonds ten behoeve van derden.”

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft onder meer het volgende aangevoerd.

Dat er bij het bedrijfschap, ten tijde van de brief van 22 september 2000, waarbij de registratie is ingetrokken, onduidelijkheid heerste over de vraag of het aanbrengen van spanplafonds onder de werkingssfeer viel, is aan appellant niet kenbaar gemaakt. In de brief van 22 september 2000 is volgens appellant eenduidig aangegeven dat appellants bedrijf niet onder de werkingssfeer valt. Sinds de intrekking van de registratie, hebben zich geen fundamentele wijzigingen in de zienswijze van verweerder voorgedaan. Het besluit tot intrekking is een weloverwogen besluit geweest, waaraan verweerder zich nu dient te houden. Verweerder heeft derhalve ten onrechte appellant opnieuw geregistreerd.

Daarnaast beroept appellant zich op de uitspraak van het College van 26 februari 2003, waarbij het besluit van het Bedrijfschap van 18 februari 2002 is vernietigd.

Appellant is tenslotte van mening dat zijn werkzaamheden niet onder verweerders werkingssfeer vallen. Tijdens de hoorzitting van 11 november 2003 bleek verweerder het begrip spanplafonds niet eens te kennen en verwarde hij het met systeemplafonds. Verweerder heeft pas na raadpleging van de branche besloten dat spanplafondbedrijfen ook dienen te worden ingeschreven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 11, derde lid, van het Instellingsbesluit bleef de Registratieverordening Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf na opheffing van het Bedrijfschap voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf van kracht totdat op 31 mei 2003 de Verordening in werking trad.

Artikel 10 van de Verordening houdt naar het oordeel van het College niet in, dat het bestaande register vanaf 31 mei 2003 als een register in de zin van de Verordening kan worden aangemerkt. De bepaling betekent dat vanaf genoemde datum het oude register zijn betekenis verliest en dat slechts aan de opname in het nieuwe register vanaf die datum enig betekenis toekomst.

Dat brengt met zich mee dat verweerder alle in het oude register opgenomen bedrijven aan een beoordeling moest onderwerpen en dat zij slechts in het nieuwe register konden worden opgenomen als verweerder had vastgesteld, dat zij voldeden aan het in artikel 2 van de Verordening neergelegde vereiste dat zij een onderneming drijven waarin een in het Instellingsbesluit bedoeld bedrijf wordt uitgeoefend.

Nu overigens geen overgangsrecht gegeven is betekent dit dat op 31 mei 2003 alle voorheen door verweerders rechtsvoorgangers genomen beslissingen over registratie feitelijk vervielen en hun betekenis verloren. Ook als zou moeten worden aangenomen dat het Bedrijfschap voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf niet zonder meer had mogen terugkomen van het in het besluit van 22 september 2000 neergelegde oordeel dat appellants bedrijf geen werkzaamheden uitoefent, waarvoor genoemd Bedrijfschap was ingesteld, kan zulks derhalve na 31 mei 2003 niet aan verweerder worden tegengeworpen, aangezien deze tot een nieuwe, eigen beoordeling van de daarbij spelende feitelijke en rechtsvragen geroepen is.

5.2 Aan de uitspraak van het College van 26 februari 2003, waarbij het College vaststelde dat de Registratieverordening Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf geen grondslag bood om een plafond- en wandbedrijf, als door appellant wordt uitgeoefend, te registreren, komt voor beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag of verweerder appellant op grond van de Verordening terecht geregistreerd heeft als een onderneming, waarin een in artikel 2 van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud bedoeld bedrijf wordt uitgeoefend, evenmin nog enige betekenis toe.

5.3 Blijkens de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit is het de bedoeling dat het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud onder andere de ondernemingen verenigt, die bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk activiteiten verrichten, gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse aanbrengen van plafond- en wandsystemen.

Verweerder heeft – na consultatie van vertegenwoordigers van de branche – geoordeeld dat het aanbrengen van spanplafonds, gemaakt van PVC, mede onder die werkingssfeer valt. Het College vindt geen grond om verweerder in het oordeel dat een spanplafond gekwalificeerd mag worden als een plafondsysteem, niet te volgen. Dat appellant zelf eerder aansluiting zou zoeken bij woningstoffeerders, is daarvoor onvoldoende.

5.4 Het feit dat appellant meent geen voordeel te genieten van de activiteiten van verweerder, doet er niet aan af dat op verweerder ingevolge de Verordening de plicht rust appellants onderneming te registreren.

5.5 Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5.6 Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen grond.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz