Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS5145

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
07-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/120
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 04/120 25 januari 2005

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, kantoorhoudende te B, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van C, te D, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te ‘s-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 8 december 2003.

1. De procedure

Bij brief van 22 maart 2003 heeft appellant bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen E RA, wonende te D (hierna: betrokkene).

Bij uitspraak van 8 december 2003 heeft de raad van tucht beslist op de klacht.

Bij een op 5 februari 2004 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College.

De raad van tucht heeft bij brief van 9 maart 2004 stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA), doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brieven van 3 december 2004 en 6 december 2004 heeft betrokkene nog enige stukken in het geding gebracht.

Op 14 december 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Aldaar waren aanwezig appellant en de raadsman van betrokkene, mr. H.J. Blaisse, advocaat te Amsterdam.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onaanvaardbaar lang heeft gewacht met het indienen van de onderhavige tuchtklacht.

3.2 In twee uitspraken van 24 juni 2004 (03/700 en 03/701; www.rechtspraak.nl, LJN AP5962 en AP6223) heeft het College het algemeen kader geschetst voor de beoordeling van tijdsverloopverweren. In deze uitspraken is onder meer overwogen dat het College, gezien de omstandigheid dat in de Wet RA geen termijn voor het indienen van een klacht is opgenomen, gevoegd bij de door de wetgever beoogde laagdrempeligheid van het tuchtrecht, onder meer blijkend uit het feit dat het klachtrecht aan eenieder toekomt en dat aan het (indienen van) een klaagschrift geen (vorm)vereisten zijn gesteld, geen grond ziet voor het langs jurisprudentiële weg introduceren van een algemene rechtsplicht voor de indiener van een tuchtklacht tegen een accountant, zijn klacht op straffe van het niet inhoudelijk beoordelen daarvan binnen een bepaalde, redelijk te achten, termijn in te dienen.

3.2.1 In de uitspraken van 24 juni 2004 is voorts overwogen dat de beoordeling van de vraag of het tijdsverloop in een concreet geval al dan niet aanvaardbaar is, moet worden verricht met inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel, het verdedigingsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

3.2.2 Het College is in dit verband nader ingegaan op artikel 19 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994), waaruit voor een registeraccountant de verplichting voortvloeit de op zijn werkzaamheden betrekking hebbende stukken zeven jaar te bewaren. De ratio van deze verplichting is dat een accountant zich gedurende een bepaalde termijn zonodig kan verantwoorden voor de door hem verrichte werkzaamheden, waaronder het voeren van verweer tegen tuchtklachten mede dient te worden begrepen.

3.2.3 Naar het oordeel van het College kan aan het verdedigingsbeginsel in beginsel geen argument worden ontleend om een klacht die binnen zeven jaar na de verweten gedraging is ingediend, niet inhoudelijk te beoordelen. Hieraan doet niet af dat een registeraccountant zich wellicht minder goed kan verweren indien een tuchtklacht relatief laat wordt ingediend, bijvoorbeeld doordat zijn herinnering aan het gebeurde is vervaagd. Een dergelijke omstandigheid dient, mede gelet op de ratio van de bewaarplicht, in beginsel niet te leiden tot het achterwege laten van een inhoudelijke beoordeling van een klacht met betrekking tot werkzaamheden waarvoor de bewaarplicht geldt en die voor het verstrijken van de bewaartermijn is ingediend, maar kan in aanmerking worden genomen bij de bewijslastverdeling. Dit betekent overigens niet dat een binnen de bewaartermijn ingediende tuchtklacht te allen tijde inhoudelijk moet worden beoordeeld. Met name het vertrouwensbeginsel kan er onder bijzondere omstandigheden aan in de weg staan dat een tijdens de bewaartermijn ingediende klacht inhoudelijk wordt beoordeeld.

3.2.4 De ratio van de bewaarplicht brengt, omgekeerd, met zich dat inhoudelijke beoordeling van een tuchtklacht die pas na het verstrijken van de bewaartermijn wordt ingediend, in beginsel achterwege moet blijven. Een accountant hoeft na het verstrijken van de bewaartermijn naar het oordeel van het College in beginsel geen rekening meer te houden met de mogelijke indiening van een tuchtklacht, aangezien de verantwoordingsplicht die ten grondslag ligt aan de bewaartermijn door het verstrijken van deze termijn niet langer voortduurt en deze termijn allerminst als onredelijk kort kan worden aangemerkt. Hieruit volgt dat niet alleen het verdedigingsbeginsel, maar ook (en vooral) het rechtszekerheidsbeginsel in de weg staat aan inhoudelijke beoordeling van een na ommekomst van de bewaartermijn ingediende klacht. Dit kan uitzondering lijden in geval van een gedraging die een zeer ernstige inbreuk vormt op de eer van de stand der accountants, in het bijzonder indien deze misslag welbewust verborgen wordt gehouden.

3.2.5 Gezien het vorenoverwogene is bij de beoordeling van tijdsverloopverweren van belang of de bewaartermijn al dan niet is verstreken, met dien verstande dat de bewaartermijn een eerste aanknopingspunt is voor de beoordeling van verweren als hier aan de orde en niet kan worden aangemerkt als een algemeen geldende termijn voor het indienen van een tuchtklacht tegen een accountant. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan de maximale termijn voor het indienen van een klacht korter of langer zijn dan de bewaartermijn.

3.2.6 Dat bij het beoordelen van een beroep op tijdsverloop in eerste instantie wordt aangeknoopt bij de bewaartermijn, impliceert dat het tijdsverloop tussen de verweten gedraging en de indiening van de tuchtklacht van belang is en niet zozeer het interval tussen het moment waarop de klager met de gedraging bekend wordt en het tijdstip van indiening van de klacht.

3.3 Het College zal vervolgens het tijdsverloop in de onderhavige zaak vaststellen en beoordelen.

3.3.1 Niet in geschil is dat de klacht van appellant betrekking heeft op de door betrokkene opgestelde en ondertekende goedkeurende verklaringen van 28 april 1994 bij de jaarrekening 1993 en 26 oktober 1994 bij een tussentijdse balans en winst- en verliesrekening van C. Voorts staat vast dat appellant de klacht op 22 maart 2001 bij de raad van tucht heeft ingediend. Het tijdsverloop tussen de door appellant gewraakte gedragingen van betrokkene en het indienen van de klacht bedraagt derhalve minder dan zeven jaren en overstijgt de bewaartermijn niet.

3.3.2 Derhalve moet worden nagegaan of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het tijdsverloop niettemin onaanvaardbaar moet worden geoordeeld.

3.3.3 Het College acht het redelijk dat appellant alvorens een klacht in te dienen onderzoek heeft laten verrichten naar de feiten met betrekking tot de werkzaamheden van betrokkene voor C teneinde hierover (meer) duidelijkheid te verkrijgen. Het is begrijpelijk dat hij daar enige tijd voor nodig had, zeker gezien de complexiteit van de zaak. Evenwel zal een klager, naarmate hij later bekend wordt met een gedraging die in zijn ogen klachtwaardig is, met meer voortvarendheid een klacht moeten indienen, zulks met het oog op het gerechtvaardigde belang van de accountant niet tot in lengte van jaren met een tuchtklacht te worden geconfronteerd. Het College constateert in dit verband dat betrokkene lang heeft getalmd met het zetten van opeenvolgende stappen om uiteindelijk op 22 maart 2001 tot het indienen van de klacht te komen. Met name nadat Ernst&Young onderzoek had verricht naar de werkzaamheden van het kantoor van betrokkene voor C en hierover op 19 juni 1998 aan appellant had gerapporteerd, had appellant met de vereiste voortvarendheid dienen over te gaan tot het indienen van een tuchtklacht. Aangenomen moet immers worden dat appellant op dat moment voldoende op de hoogte was van de relevante feiten en omstandigheden om zijn bezwaren jegens betrokkene te kunnen staven. Daar komt bij dat appellant betrokkene op 22 december 1998 had laten weten dat hij een tuchtklacht zou indienen, in het geval betrokkene zou blijven weigeren de gevraagde tekst en uitleg te verschaffen, zodat ook in die zin een aanmerkelijk voortvarender optreden van hem had mogen worden verwacht. In ieder geval valt niet te billijken dat appellant, nadat betrokkene op 25 januari 1999 de door Ernst&Young opgeworpen vragen had beantwoord, tot 15 november 1999 wacht met het laten verrichten van een vervolg onderzoek (waarvan de bevindingen dateren van 14 februari 2000) en dat het vervolgens nog meer dan een jaar duurt alvorens appellant op 22 maart 2001 overgaat tot het indienen van de tuchtklacht.

In tegenstelling tot hetgeen appellant betoogt kan noch de omstandigheid dat hij zorgvuldig heeft willen handelen door betrokkene de gelegenheid te geven op het tweede rapport van Ernst&Young te reageren, noch het gedrag van betrokkene, strekken ter rechtvaardiging van het wachten met het indienen van de klacht tot 22 maart 2001. Appellant heeft immers een eigen verantwoordelijkheid om een tuchtklacht tijdig in te dienen.

Bovendien had het appellant van begin af aan duidelijk moeten zijn dat betrokkene noch zijn accountantskantoor actief zou meewerken aan de onderbouwing van een claim jegens hen door appellant inzage te geven in de controledossiers. Anders dan appellant betoogt, betekent dit niet dat hierdoor het werk van een (openbaar) accountant niet kan worden getoetst, nu daarvoor inzage in controledossiers niet noodzakelijk is.

3.3.4 Het voorgaande leidt het College tot de slotsom dat de raad van tucht het tijdsverloop tussen de gedragingen waarop de klacht betrekking heeft en het indienen van de tuchtklacht terecht onaanvaardbaar heeft geoordeeld. De raad van tucht heeft de tuchtklacht dan ook terecht niet inhoudelijk beoordeeld, zij het dat dit -zoals het College in eerdere uitspraken heeft overwogen- niet kan leiden tot een, niet in de Wet RA voorziene, niet-ontvankelijkverklaring. In die uitspraken heeft het College voorts overwogen dat, indien de raad van tucht terecht tot het oordeel is gekomen dat inhoudelijke beoordeling van een klacht achterwege moet blijven, geen aanleiding bestaat rechtsgevolg te verbinden aan de omstandigheid dat de raad van tucht die klacht niet-ontvankelijk in plaats van ongegrond heeft verklaard.

3.4 Het hiervoor overwogene leidt het College tot de conclusie dat het beroep moet worden verworpen.

De hierna te vermelden beslissing berust op titel IV van de Wet RA.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. J.L.W. Aerts en mr. D. Roemers in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Venekamp

902/01.08

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 's-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

A,

kantoorhoudende te X,

klager,

CONTRA:

E RA,

registeraccountant,

wonende te D,

verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. Blaisse, advocaat te Amsterdam.

1. PROCEDUREVERLOOP

1.1 De Raad van Tucht heeft kennis genomen van de gewisselde stukken, te weten de klacht van 22 maart 2001, het verweerschrift van 1 februari 2002 aangevuld bij nader verweerschrift van 8 mei 2002, de repliek van 26 september 2002 en de dupliek van 24 december 2002.

1.2 De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van Tucht van 29 september 2003, alwaar klager en mr. Blaisse voornoemd zijn verschenen.

Beiden hebben een pleitnota overgelegd.

2. VASTSTAANDE FEITEN

2.1 Klager is per 17 augustus 1995 aangesteld als curator in het faillissement van C te D, hierna: C, in welke hoedanigheid klager de onderhavige klacht heeft ingediend.

2.2 Verweerder is verbonden geweest aan F.

2.3 Vanaf 1991 heeft verweerder, dan wel hebben medewerkers van F onder verantwoordelijk van verweerder, accountantswerkzaamheden voor C verricht, in het bijzonder bestaande uit de controle van de jaarrekening. Door F zijn ook andere diensten verleend, zoals fiscale werkzaamheden en advieswerkzaamheden.

2.4 Bij de jaarrekening 1993 van C heeft verweerder per 1 maart 1994 een beoordelingsverklaring gegeven en vervolgens op 28 april 1994 een goedkeurende verklaring.

2.5 Per 30 september 1994 is een tussentijdse balans en winst- en verliesrekening opgesteld. Bij deze tussentijdse cijfers heeft verweerder op 12 oktober 1994 een beoordelingsverklaring gegeven en op 26 oktober 1994 een goedkeurende verklaring.

2.6 C is eind 1994 betrokken geweest bij een overname door een Engelse partij (G). Deze heeft een nieuwe directie benoemd.

2.7 De opdracht aan verweerder is in april 1995 door de nieuwe directie van C ingetrokken.

2.8 Aan C is op 28 juli 1995 surséance van betaling verleend. Deze is op 17 augustus 1995 ingetrokken, waarbij gelijktijdig het faillissement is uitgesproken.

2.9 In de loop van 1997 heeft klager met F gecorrespondeerd over een verzoek van klager om de controledossiers in te zien. F heeft zich daartoe onder voorwaarden bereid verklaard.

Naar aanleiding daarvan heeft een door klager ingeschakelde registeraccountant omstreeks medio 1997 onderzoek gedaan en aan klager gerapporteerd.

2.10 Verweerder is in april 1996 ziek geworden en is wegens de ziekte in april 1998 uit de maatschap van F getreden.

2.11 Bij brief van 19 juni 1998 heeft Ernst & Young Accountants, hierna: Ernst & Young, op verzoek van klager gerapporteerd naar aanleiding van een opdracht van klager van 25 november 1997, welke als volgt luidt:

"een onderzoek in te stellen naar de accountantswerkzaamheden inclusief verslaglegging (al dan niet met accountantsverklaring) door F in opdracht en voor rekening van C in de periode voorafgaande aan de surséance/faillissement (juli-augustus 1995) teruggaande tot begin 1994; meer in het bijzonder betreffende de goedkeurende accountantsverklaringen, die in de loop van 1994 verstrekt zijn.”

2.12 Bij brief van 22 oktober 1998 heeft klager aan F nadere stappen en een mogelijke procedure aangekondigd voor het geval een reactie naar aanleiding van de rapportage van Ernst & Young van 19 juni 1998 zou uitblijven.

2.13 Bij brief van 14 februari 2000 heeft Ernst & Young gerapporteerd naar aanleiding van een opdracht van klager van 15 november 1999 om aan de hand van de beschikbare informatie een overzicht op te stellen welke invloed de door C gemaakte correcties hebben gehad op het vermogen en het resultaat van C.

3. KLACHT

3.1 De klacht houdt in dat verweerder zeer ernstig en verwijtbaar is tekort geschoten in de uitoefening van de opgedragen taak, daar verweerder ten onrechte een goedkeurende verklaring aan de jaarrekening 1993 en de cijfers per 30 september 1994 heeft gehecht.

3.2 In de toelichting op de klacht heeft verweerder aangevoerd dat de bevindingen van het onderzoek van Ernst & Young leiden tot de gevolgtrekking dat het resultaat over 1993 niet had moeten worden vastgesteld op f. 512.445,00 negatief, maar f. 2.107.046,00 negatief heeft bedragen, alsmede dat het resultaat over de eerste drie kwartalen van 1994 in werkelijkheid niet f. 182.522,00 positief heeft bedragen, zoals vermeld in de tussentijdse cijfers, maar bijna f. 5.000.000,00 negatief.

Volgens klager heeft het er de schijn van dat de vennootschap zijn toevlucht heeft gezocht tot creatief boekhouden om potentiële investeerders over de streep te trekken om een belang te nemen in het bedrijf, alsmede geldschieters zand in de ogen te strooien met betrekking tot de werkelijke stand van zaken en heeft verweerder die gang van zaken gesanctioneerd en gelegitimeerd door het verlenen van een goedkeurende accountantsverklaring.

Klager stelt dat deze niet op een deugdelijke grondslag is gebaseerd.

4. VERWEER

4.1 De raadsman van verweerder voert verweer tegen de klacht op grond van een opdracht van F.

Verweerder is door zijn psychische toestand niet in staat zich in de onderhavige tuchtprocedure naar behoren te verweren. Om die reden wordt het verweer in deze tuchtprocedure noodgedwongen gevoerd door de raadsman.

4.2 Verweerder beroept zich op de niet-ontvankelijkheid van klager in zijn klacht. Verweerder beroept zich op het verstrijken van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, alsmede op schending van het rechtszekerheidbeginsel. Verweerder beroept zich erop dat de klacht niet eerder dan 5 ½ jaar nadat hij de bewuste werkzaamheden had beëindigd tegen hem is ingediend.

4.3 Verweerder beroept zich eveneens op artikel 6 EVRM (lid 3) in verband met het feit dat verweerder door zijn ziekte is geschaad in de mogelijkheden om zichzelf te verdedigen.

4.4 Verweerder bestrijdt de klacht op inhoudelijke gronden. Verweerder betwist de bevindingen uit de brief van Ernst & Young van 14 februari 2000 en bestrijdt dat hij bewust zou hebben meegewerkt aan “cooking the books”.

5. BEOORDELING VAN DE KLACHT

5.1 De raadsman van verweerder heeft gesteld dat hij noodgedwongen het onderhavige verweer voert omdat klager er wegens ziekte niet toe in staat moet worden geacht. Gelet op de door mr. Blaisse ingediende stukken moet het er voor worden gehouden dat hij, als raadsman van betrokkene, derhalve namens verweerder verweer heeft gevoerd, zodat de Raad de aangevoerde weren als weren van verweerder beschouwt.

5.2 Op grond van het bepaalde bij artikel 40 Wet op de Registeraccountants neemt de Raad een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar onder meer in behandeling op grond van een bij de Raad ingediende klacht.

Hoewel de wet geen termijn bepaalt, moet op grond van algemene in het Nederlands rechtsstelsel levende rechtsbeginselen, meer in het bijzonder het beginsel van de rechtszekerheid, worden aangenomen dat een registeraccountant er op mag vertrouwen dat hij zich na verloop van tijd, te beoordelen naar de omstandigheden van het geval, niet meer tuchtrechtelijk zal behoeven te verantwoorden voor zijn gedragingen. Zulks leidt er in dat geval toe dat het recht om zich over die gedragingen te beklagen is vervallen. Daarnaast kan tijdsverloop leiden tot verval van het recht om te klagen indien dat tijdsverloop leidt tot onaanvaardbaar nadeel voor de betrokken registeraccountant, in het bijzonder doordat gegevens die hij voor zijn verweer nodig heeft, inmiddels wettig zijn vernietigd.

Degene die over gedragingen van een registeraccountant wenst te klagen, dient dat derhalve te doen binnen een redelijke termijn na de betreffende gedragingen.

5.3 Voor de beoordeling van het beroep op niet-ontvankelijkheid acht de Raad het volgende van belang.

5.4 Klager heeft in zijn faillissementsverslag van 5 maart 1996 vermeld dat de accountant mogelijk onvoldoende had gecontroleerd. Gebleken is dat klager ter zake van de in het geding zijnde verklaringen, daterend van april 1994 respectievelijk oktober 1994, verweerder voor het eerst in maart 1996 heeft aangeschreven. Daarna heeft klager, naar aanleiding van zijn toenmalige bevindingen, met F gecorrespondeerd over inzage van de controledossiers. In juni 1998 verkreeg klager de eerste rapportage van Ernst & Young, waarin op basis van de in de boedel aanwezige stukken een inventarisatie van vragen aan de accountant is gemaakt. Klager heeft wegens het naar zijn mening uitblijven van beantwoording van de vragen eind 1998 aan F meegedeeld het indienen van een klacht te overwegen.

Klager heeft met het indienen van de onderhavige klacht gewacht tot maart 2001. De Raad is van oordeel dat gezien het voorgaande de klacht niet is ingediend binnen een redelijke termijn zoals hiervoor vermeld.

Aan dit oordeel doet niet af dat klager in januari 2000 nog een nadere rapportage van Ernst & Young heeft verkregen, die -in de visie van klager- de twijfels ten aanzien van de gegrondheid van de goedkeurende verklaringen enkel versterkte. Klager heeft al in maart 1996 vraagtekens gezet bij de controle van de cijfers en beschikte sinds medio 1998 over informatie die hem ertoe bracht een klacht tegen verweerder in het vooruitzicht te stellen.

Overigens heeft verweerder ook na verkrijging van de rapportage van januari 2000 nog ruim een jaar gewacht met het indienen van de klacht, hetgeen onder de vermelde omstandigheden reeds op zich als onredelijk lang talmen moet worden aangemerkt.

In het midden kan blijven dat klager zich niet heeft vergewist dat verweerder zelf van de voor klager onbevredigende ontwikkelingen op de hoogte is gebracht en evenmin van de dreiging van een klacht.

5.5 Volgens in het Nederlands recht levende rechtsbeginselen dient in die gevallen, waarin het recht tot het instellen van een rechtsmiddel is vervallen, de rechter te komen tot niet-ontvankelijkverklaring van degene die het rechtsmiddel niettemin instelt. De niet-ontvankelijkverklaring is een afwijzing om redenen buiten de zaak zelf gelegen.

Hoewel dit beginsel in het Nederlands recht niet steeds in uitdrukkelijke wettelijke regels is verankerd, moet worden aangenomen dat het beginsel ook in het tuchtrecht, waar het evenmin in uitdrukkelijke bepalingen geregeld is, (analoog) moet worden toegepast.

Het hiervoor overwogene brengt dan ook met zich mee dat klager in zijn klacht thans niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zijn recht zich over de gedragingen van verweerder te beklagen is immers vervallen. De omstandigheid dat de Wet op de Registeraccountants, in het bijzonder de artikelen 33, 34 en 40, niet uitdrukkelijk de niet-ontvankelijkverklaring vermeldt doch slechts een regel bevat aangaande de mogelijkheid van het opleggen van een maatregel bij gegrondverklaring van een klacht, kan naar het oordeel van de Raad aan het voorgaande niet afdoen. Het uitspreken van een ongegrondverklaring zou impliceren, althans sterk de indruk wekken, dat de klacht inhoudelijk door de Raad is onderzocht en ongegrond bevonden.

5.6 De onderhavige beslissing berust op de artikelen 33 en 40 Wet op de Registeraccountants en op de voormelde rechtsbeginselen.

6. BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te ’s-Gravenhage:

- verklaart klager in de klacht niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. B.P.H.M. van den Wildenberg, plv. voorzitter, drs. H. den Boer RA en W. de Bruijn RA, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, adj.-secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 december 2003 door

mr. Van den Wildenberg voornoemd.

adj.-secretaris plv. voorzitter