Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS5111

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
07-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/1012 en 04/1013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit biotechnologie bij dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

AWB 04/1012 en 04/1013 1 februari 2005

11245 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit biotechnologie bij dieren

Uitspraak in de zaak van:

Vereniging AVS Proefdiervrij, te 's-Gravenhage, verzoekster,

gemachtigde: mr. V.R. Wösten, juridisch adviseur te Amsterdam,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K.J. Oost, werkzaam bij verweerder,

aan dit geding neemt voorts als partij deel:

het Universitair Medisch Centrum Utrecht,

gemachtigde: mr. M.G. Roessingh, werkzaam bij de Staf Juridische Zaken van het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

1. De procedure

Verzoekster heeft bij brief van 30 november 2004, door het College ontvangen op 1 december 2004, een beroepschrift ingediend, gericht tegen het besluit van verweerder van 22 september 2004, dat op 21 oktober 2004 - onder meer in de Staatscourant - bekend is gemaakt. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 04/1012.

Bij voormeld besluit heeft verweerder aan Universitair Medisch Centrum Utrecht (hierna: UMC Utrecht) een vergunning verleend als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd).

Voorts heeft verzoekster bij brief van 30 november 2004, door het College eveneens ontvangen op 1 december 2004, een verzoekschrift ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat het besluit van verweerder van

22 september 2004 wordt geschorst. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer Awb 04/1013.

Bij brief van 20 december 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 januari 2005 heeft verzoekster een reactie ingediend op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2005, alwaar partijen zijn verschenen bij hun gemachtigde. Voorts zijn ter zitting verschenen A, werkzaam bij verzoekster, drs. R. Tramper, adjunct-secretaris van de Commissie Biotechnologie bij dieren (hierna: Cbd), en B, werkzaam bij het UMC Utrecht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gwd is voorzover van belang het volgende bepaald.

"Artikel 66

1. Het is zonder vergunning verboden:

a. het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie;

b. biotechnologische technieken bij een dier of een embryo toe te passen.

2. Op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid beslist Onze Minister, gehoord de Commissie biotechnologie bij dieren, bedoeld in artikel 69.

3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend indien naar het oordeel van Onze Minister:

a. de handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid of het welzijn van dieren en

b. tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan.

4. In de vergunning wordt bepaald voor welke handelingen zij is bedoeld.

5. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 67

(…)

2. Onze Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag en omtrent de behandeling daarvan.

Daarbij kan onder meer worden bepaald:

a. welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd alvorens een aanvraag in behandeling kan worden genomen;

(…)"

In de Regeling vergunning biotechnologie bij dieren (hierna: de Regeling) is - voorzover relevant - het volgende bepaald.

“Artikel 3

1. Een aanvraag voor een vergunning bevat tenminste de volgende informatie:

a. een uiteenzetting van de doelstellingen van de biotechnologische handelingen, zowel op korte als lange termijn;

b. een beschrijving van de toe te passen technieken, van de uit te voeren handelingen en het belang daarvan in wetenschappelijk en maatschappelijk opzicht, alsmede van de te gebruiken genen;

c. de soorten en aantallen dieren;

d. een verantwoording van de gekozen aanpak zoals aangegeven in de onderdelen b en c in relatie tot de in onderdeel a gegeven doelstellingen;

e. een beschrijving van de voorzieningen voor de dieren en hun bestemming na afloop van het onderzoek;

f. een inschattnig van verwachte positieve en negatieve effecten van de biotechnologische handelingen op de gezondheid, het welzijn en het functioneren van alle dieren;

g. een beschrijving van eventuele alternatieven voor de biotechnologische handelingen;"

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Het UMC Utrecht heeft onder dagtekening 13 januari 2004 een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 66, eerste lid, Gwd. Blijkens de aanvraag heeft het onderzoek als titel "Het ontstaan en de behandeling van eetstoornissen: de rol van neuropeptiderge systemen".

- Verweerder heeft terzake van de aanvraag advies gevraagd aan de Cbd.

- Bij brieven van 2 februari 2004 en 1 maart 2004 heeft het Cbd, via verweerder, UMC Utrecht verzocht om nadere informatie, die het UMC Utrecht bij brieven van

9 februari 2004 en 4 maart 2004 heeft verstrekt.

- Bij brief van 29 maart 2004 heeft het Cbd aan verweerder advies uitgebracht. Het Cbd heeft verweerder geadviseerd vergunning te verlenen onder een aantal in het advies geformuleerde voorschriften en beperkingen.

- Op 14 mei 2004 heeft verweerder een ontwerpbesluit, strekkende tot vergunningverlening, genomen en vervolgens ter inzage gelegd.

- Tijdens de hoorzitting van 15 juni 2004 is onder meer verzoekster terzake van mondelinge bedenkingen gehoord en bij brief van 29 juni 2004 heeft verzoekster haar schriftelijke bedenkingen tegen het ontwerpbesluit ingediend.

- Bij brief van 30 juli 2004 heeft het Cbd een reactie gegeven op deze bedenkingen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit is onder meer het volgende overwogen:

"1. Een vergunning als bedoeld in artikel 66, eerste lid, onderdelen a en b, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wordt verleend aan Universitair Medisch Centrum te Utrecht.

2. De vergunning wordt verleend voor de werkzaamheden omschreven in beperking 2 en zoals omschreven in de aanvraag van d.d. 13 januari 2004 met de aanvullingen hierop van d.d. 9 februari 2004 en d.d. 4 maart 2004 van het Universitair Medisch Centrum te Utrecht met inachtneming van de in deze vergunning opgenomen voorschriften en beperkingen.

(…)

Beperking 2

1. De onderhavige vergunning heeft uitsluitend betrekking op het navolgende, zoals beschreven in de aanvraag van d.d. 13 januari 2004 met de aanvullingen hierop van d.d. 9 februari 2004 en d.d. 4 maart 2004 van Universitair Medisch Centrum te Utrecht:

a) het vervaardigen van genetisch gemodificeerde muizen door micro-injectie van lentivirale deeltjes met siRNA's in de perivitelline ruimte van een bevruchte eicel;

b) daarbij wordt gebruik gemaakt van genconstructen die zijn samengesteld uit delen gebaseerd op:

? melanocortine receptoren, te weten MC-3 en MC-4;

? genconstructen uit het moleculaire standaardinstrumentarium (zie bijlage I bij het advies van de Commissie);

2. waarbij in het kader van deze vergunning bij de biotechnologische handelingen in totaal maximaal 240 muizen gebruikt mogen worden voor het genereren van 2 knock-down lijnen.

3. de biotechnologische handelingen bij dieren dienen binnen 18 maanden na dagtekening van het besluit te zijn verricht.

(…)

Voorschrift 6

Vergunninghouder dient na afloop van de 18 maanden verslag te doen van de bevindingen bij het genetisch modificeren van muizen met behulp van lentivirale deeltjes met siRNA's."

4. Het standpunt van verzoekster

In het verzoekschrift en ter zitting heeft verzoekster - samengevat - het volgende naar voren gebracht.

4.1 De grondslag van de aanvraag is verlaten omdat verweerder feitelijk slechts een zeer klein deel van het gevraagde heeft vergund. De vergunning is immers gevraagd voor een onderzoek van vijf jaar bij zowel muizen als ratten naar de rol van diverse receptoren bij het ontstaan en de behandeling van eetstoornissen, terwijl de vergunning is verleend voor het gedurende anderhalf jaar uitproberen van een nieuwe modificatietechniek bij muizen. Dit brengt naar de opvatting van verzoekster mee dat verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit niet over voldoende specifieke gegevens beschikte aangaande de betrokken belangen zoals genoemd in de Regeling.

4.2 Er ontbreekt een specificatie van de doelstelling(en) op korte en lange termijn, terwijl de genoemde doelstellingen bovendien van toepassing zijn op elk biotechnologisch onderzoek. Zwaarwegende belangen waarvoor het belang van de betrokken dieren in het kader van het “nee tenzij”-beginsel zouden moeten wijken, zijn onvoldoende aangetoond. Nu het thans vergunde betrekking heeft op een nieuwe techniek voor het genereren van proefdieren, valt naar de opvatting van verzoekster niet in te zien waarom daarvoor de feitelijk vergunde genen MC-3 en MC-4 nodig zijn, terwijl de schadelijke gevolgen van die genen en daarmee de omvang van de bezwaren voor de proefdieren niet inzichtelijk zijn.

4.3 Het maatschappelijk belang wordt onvoldoende benoemd om dit aspect in de besluitvorming mee te laten wegen. Voorts wordt een aantal elementen van de schade bij de dieren genoemd zonder de omvang daarvan nader vast te stellen. De vraag naar alternatieven is vanuit een te beperkt perspectief beantwoord, nu - slechts - is gekeken naar eventuele alternatieven voor het voorgenomen onderzoek met transgene dieren en niet voor alternatieve vormen van hulp aan patiënten met eetstoornissen. In dit verband verwijst verzoekster naar het door haar bij het beroepschrift overgelegde advies van de Gezondheidsraad, waarin wordt gesteld dat genetische factoren weliswaar een rol spelen bij het ontstaan van overgewicht, maar dat de invloed van omgevingsfactoren van doorslaggevende betekenis lijkt te zijn.

4.4 Tot slot is de strekking van voorschrift 6 onvoldoende bepaald. Niet duidelijk is immers aan wie verslag moet worden uitgebracht. Hoewel tegen dit - reeds in het ontwerpbesluit opgenomen - voorschrift geen bedenking is aangevoerd, kan deze grond in het kader van de onderhavige procedure(s) wel worden beoordeeld. Er bestaat geen wettelijke grondslag voor het ongegrond verklaren van een beroepsgrond uitsluitend vanwege de omstandigheid dat deze niet eerder als bedenking in de daarvoor bestemde fase naar voren is gebracht. Subsidiair stelt verzoekster dat gelet op de bijzondere plaats die algemene rechtsbeginselen binnen het bestuursrecht innemen, daarmee samenhangende beroepsgronden bezwaarlijk kunnen worden gepasseerd op de grond dat deze niet als bedenking zijn ingebracht.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 8:81, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbb), kan hangende het beroep bij het College, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb juncto artikel 19, eerste lid, Wbb kan, indien beroep bij het College is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, mits procespartijen hiervoor toestemming hebben gegeven. Ter zitting hebben partijen deze toestemming verleend.

Op grond van de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak kan worden gedaan, waartoe als volgt wordt overwogen.

5.2 Centraal staat de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit tot verlening van de vergunning als bedoeld in artikel 66, eerste lid, Gwd heeft kunnen besluiten.

Aan verzoekster moet worden toegegeven dat het onderzoek, zoals dat in de aanvraag uiteen is gezet, van - aanmerkelijk - grotere omvang en duur is dan hetgeen bij het bestreden besluit aan UMC Utrecht is vergund. Anders dan verzoekster stelt brengt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet mee dat de band tussen de aanvraag en datgene dat vergund is niet - meer - zou bestaan, of - zoals verzoekster het stelt - dat de grondslag van de aanvraag zou zijn verlaten.

Uiteindelijk doel van het aangevraagde is, zo blijkt uit de gedingstukken, om door middel van in vivo onderzoek inzicht te verwerven in de rol die neuropeptide receptoren spelen in de energiebalans, meer in het bijzonder in het ontstaan van eetstoornissen zoals obesitas en anorexia. Het UMC Utrecht heeft dienaangaande in de aanvraag uiteengezet dat de resultaten van deze - fundamenteel wetenschappelijke - hoofddoelstelling een bijdrage kunnen leveren aan de gezondheid voor de mens; soms direct door het ontstaan van een fenotype dat vergelijkbaar is met een aangeboren of erfelijke afwijking bij de mens en soms indirect omdat de genetisch gemodificeerde dieren modellen opleveren om nieuwe geneesmiddelen te ontwikkelen. Als maatschappelijk belang van het onderzoek heeft het UMC Utrecht vermeld dat bestrijding van op steeds grotere schaal voorkomende eetstoornissen (anorexia en obesitas) vanuit die optiek van belang is en dat er (nog) geen goede geneesmiddelen zijn ter bestrijding van die stoornissen, terwijl duidelijk is dat de hersenen een belangrijke rol spelen in de regulatie van de energiebalans. In haar reactie van 9 februari 2004 heeft het UMC Utrecht erkend dat culturele en omgevingsfactoren een belangrijke rol spelen bij eetstoornissen, doch zij heeft hierbij aangetekend dat de perceptie van deze factoren via de hersenen tot stand komt en dat neuropeptiden hierbij een essentiële rol spelen. Ten aanzien van de keuze voor de proefdieren is in de aanvraag uiteengezet dat de keuze voor de muis is ingegeven door het feit dat de technieken voor genetische modificatie voor dit dier het best zijn ontwikkeld. Voorts is aangegeven dat de efficiëncy om transgene ratten te maken recentelijk aanzienlijk is verhoogd door eencellige embryo’s via injectie van lentivirale partikels te infecteren met het transgen (de door UMC Utrecht aangevraagde techniek) en dat de rat (met name vanwege zijn grootte) in sommige gevallen een beter proefdier is dan de muis.

5.3 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat op advies van de Cbd de vergunning is verleend voor het eerste deel van het in de aanvraag uiteengezette onderzoek, te weten het uitproberen van de nieuwe techniek voor het vervaardigen van genetisch gemodificeerde muizen door micro-injectie van lentivirale deeltjes met siRNA's in de perivitelline ruimte van een bevruchte eicel. Achtergrond van de door de Cbd geadviseerde beperking van het thans vergunde onderzoek is blijkens de brief van de Cbd van 1 maart 2004 - kort gezegd - dat nog onvoldoende duidelijk is of de door UMC Utrecht te hanteren, in Nederland nieuwe, techniek voor het maken van de gewenste genetisch gemodificeerde dieren (ook ratten) werkt en of daarmee inderdaad kan worden bereikt dat minder proefdieren nodig zijn. Om die reden heeft de Cbd verweerder geadviseerd UMC Utrecht in eerste instantie vergunning te verlenen voor een beperkte periode en voor een beperkt aantal muizenlijnen teneinde UMC Utrecht in de gelegenheid te stellen met betrekking tot de te gebruiken techniek te komen tot een zogenoemd “proof of principle”, welk advies door verweerder bij het bestreden besluit is overgenomen.

5.4 Aldus beschouwd is het vergunde onderzoek een onderzoek naar de haalbaarheid van het bij de aanvraag uiteengezette onderzoek op lange(re) termijn, hetgeen meebrengt dat pas tot eventuele vergunningverlening voor vervolgonderzoek wordt overgegaan nadat de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek bekend zullen zijn. In dit kader is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook het vergunningvoorschrift 6, waarover hierna meer, te plaatsen. Anders dan verzoekster stelt is dan ook geen sprake van een weigering van een vergunning voor het meerdere dat UMC Utrecht heeft aangevraagd, doch veeleer van een opschorting van besluitvorming dienaangaande in afwachting van de resultaten van het thans vergunde onderzoek.

5.5 Het vorenstaande brengt mee dat toetsing van de verleende vergunning dient plaats te vinden tegen de achtergrond van het gehele onderzoek, zoals dat is aangevraagd.

In het licht van de aldus te verrichten toetsing en de in het kader van de aanvraagprocedure door UMC verschafte informatie kan de voorzieningenrechter appellante niet volgen in haar stellingname dat verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit over onvoldoende gegevens beschikte.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat, bezien in het licht van het totale voorgenomen onderzoek, de korte en lange termijn doelstelling door de aanvrager voldoende concreet zijn omschreven. Blijkens de gedingstukken moet als korte termijn doelstelling worden gezien het maken van muizen (en als de techniek voldoet ratten) waarmee de rol van neuropeptide receptoren bij de regulatie van de energiebalans kan worden onderzocht. Uit bedoelde stukken volgt tevens dat het begrijpen van de rol van neuropeptide receptoren bij de regulatie van de energiebalans en het, op basis van de aldus verworven kennis, ontwikkelen van nieuwe geneesmiddelen die van belang kunnen zijn bij de behandeling van patiënten met eetstoornissen als lange termijn doelstellingen kunnen worden beschouwd. Dit betreft het uiteindelijke doel van het voorgenomen onderzoek.

De grief van verzoekster dat een korte en lange termijn doelstelling ontbreken, mist in het licht van het vorenstaande feitelijke grondslag.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de zwaarwegende belangen die zijn gemoeid met onderhavig onderzoek door UMC Utrecht voldoende inzichtelijk zijn gemaakt. Bovendien heeft verweerder zich, in navolging van de Cbd en in het licht van de hiervoor genoemde korte en lange termijn doelstelling, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onderzoek zowel wetenschappelijk als maatschappelijk van zodanig belang is, dat dit opweegt tegen de mogelijke effecten op de gezondheid en het welzijn van de proefdieren en de aantasting van hun integriteit.

In dit verband acht de voorzieningenrechter tevens van belang dat, zoals verzoekster terecht aanvoert, de gevolgen voor de dieren van de door UMC Utrecht aangevraagde techniek niet met een grote mate van zekerheid kunnen worden vastgesteld, doch dat hierin mede een reden is gelegen de vergunning in omvang en duur te beperken.

Bij de beoordeling of wordt voldaan aan het “nee, tenzij”-beginsel dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter mede te worden gekeken naar de lange termijndoelstelling, nu het met behulp van nieuwe technieken maken van proefdieren immers geen doel in zich zelf is. Daargelaten de door verzoekster betwiste percentages van - mortaliteit bij - anorexia, heeft zij niet betwist dat (de gevolgen van) eetstoornissen in toenemende mate een ernstige bedreiging vormen van de volksgezondheid, terwijl uit het door haar overgelegde advies van de Gezondheidsraad blijkt dat ook genetische factoren bij obesitas een rol spelen.

Juist nu de wijze waarop de aanvrager de proefdieren wil genereren betrekkelijk nieuw is, heeft verweerder in navolging van de Cbd naar het oordeel van de voorzieningenrechter vanuit de door hem in acht te nemen zorgvuldigheid op goede gronden besloten vooralsnog te volstaan met het vergunnen van onderzoekshandelingen, waarmee met een beperkt aantal muizen de bruikbaarheid van deze methode bij wege van “proof of principle” zou kunnen worden aangetoond. Indien uit de voorgeschreven evaluatie blijkt dat de daarbij toe te passen techniek haalbaar is en zou blijken dat als gevolg van die techniek minder proefdieren nodig zijn, kan op basis daarvan verdere beslutivorming plaatsvinden.

Wel merkt de voorzieningenrechter in dit verband ten overvloede op dat gelet op de inhoud van het bestreden besluit niet - zonder meer - voor de hand lijkt te liggen eventueel door het UMC Utrecht te verrichten vervolgonderzoek toe te staan middels een wijziging van de thans verleende vergunning. Nu dit echter geen onderdeel vormt van het bestreden besluit is dit voor de beoordeling van het geschil niet van belang.

In aanmerking nemend hetgeen de Cbd omtrent de eenvoudig vast te stellen effectiviteit van de genetische modificatie heeft overwogen en het doel van het uiteindelijk beoogde onderzoek, heeft verweerder bij het bestreden besluit de daarbij genoemde genconstructen op goede gronden kunnen vergunnen.

De voorzieningenrechter kan verzoekster voorts niet volgen in haar stelling dat een aantal elementen van de schade bij de dieren wordt genoemd, zonder dat daarvan de omvang nader is vastgesteld. Blijkens de brief van UMC Utrecht van 9 februari 2004 en het advies van de Cbd is het verwachte gevolg van de thans vergunde genconstructen, die de MC3 en MC4-receptoren “downreguleren”, dat bij de proefdieren opstapeling van vet en overgewicht zal ontstaan. Juist de eenvoudige waarneembaarheid van deze verwachte gevolgen is voor verweerder reden geweest het thans vergunde onderzoek tot deze genconstructen te beperken.

Tevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat reële alternatieven niet voorhanden zijn. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat onderzoek in cel- en weefselkweken weliswaar waardevolle informatie oplevert over de rol van neuropeptide receptoren maar dat de effecten op eetgedrag en vetopslag uitsluitend kunnen worden bestudeerd in een geheel en relatief complex organisme als een zoogdier. Voorts heeft verweerder aangegeven dat weliswaar therapieën bestaan voor de behandeling van de eetstoornissen, doch dat aannemelijk is dat voor bepaalde groepen patiënten noch dieetaanpassingen, noch begeleiding en psychotherapie effect hebben, zodat de geneesmiddelen die uiteindelijk uit het beoogde onderzoek kunnen voortkomen een belangrijke farmacologische ondersteuning kunnen vormen bij de reeds beschikbare behandelingsvormen.

Met betrekking tot de grief van verzoekster dat voorschrift 6 van de verleende vergunning onvoldoende bepaald is, stelt de voorzieningenrechter voorop dat deze grief weliswaar niet in de bedenkingenfase naar voren is gebracht, maar dat deze niet raakt aan de inhoud van het vergunde, doch uitsluitend aan een procedurevoorschrift met het oog op eventueel vervolgonderzoek. Aldus valt niet in te zien waarom rechterlijke toetsing van dit voorschrift verweerder in zijn (verdedigings)positie zou schaden.

Met betrekking tot de inhoud van dit voorschrift merkt de voorzieningenrechter op dat dit gelet op het vergunde (haalbaarheids)onderzoek geen ander doel kan dienen dan een evaluatie, teneinde te beoordelen of - ook - het door UMC Utrecht beoogde vervolgonderzoek voor vergunningverlening in aanmerking komt. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat het voorgeschreven evaluatieverslag aan verweerder moet worden uitgebracht en met het oog op advisering bij eventuele verdere besluitvorming aan de Cbd zal worden voorgelegd, temeer nu het de Cbd is geweest die dit voorschrift heeft geadviseerd.

5.6 Gelet op het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat verweerder tot het verlenen van de vergunning onder de daarbij opgenomen beperkingen en voorschriften heeft kunnen besluiten.

Al het vorenwogene leidt tot het oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak bestaat voorts geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het hiertoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. P.M. Beishuizen