Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS5071

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
07-02-2005
Zaaknummer
AWB 03/575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Vergoeding vernietigde melk ex art. 86

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/575 25 januari 2005

11250 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Vergoeding vernietigde melk ex art. 86

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. J.H. van Vliet, advocaat te Wageningen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: G.J.L. Veth, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 21 mei 2003, bij het College binnengekomen op 22 mei 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 april 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante, gericht tegen de - met toepassing van artikel 91 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) vastgestelde - hoogte van de tegemoetkoming in de schade, ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 juni 2003 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 22 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift en de op zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 16 november 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij voornoemde gemachtigden zijn verschenen. Voorts is voor appellante C, directeur van appellante verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 21, eerste lid, Gwd besluit verweerder zo spoedig mogelijk tot het nemen van de door hem nodig geachte maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder d, Gwd kan de in artikel 21 bedoelde maatregel zijn het door het plaatsen van kentekenen besmet of van besmetting verdacht verklaren van gebouwen en terreinen.

Op grond van artikel 91 Gwd kan schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 17 of 21, voor zover deze niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90 voor vergoeding in aanmerking komt, in door verweerder te bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit het Diergezondheidsfonds worden vergoed.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 23 maart 2001 heeft verweerder alle geiten en varkens op het bedrijf van appellante met ingang van 23 maart 2001 als verdacht van mond- en klauwzeer aangemerkt. Overgegaan is tot plaatsing van kentekenen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder d, Gwd.

- Op het op 26 juni 2001 door verweerder ontvangen daartoe bestemde formulier heeft appellante verzocht om schadeloosstelling voor vernietigde melk over de periode van 24 maart 2001 tot en met 10 april 2001.

- Bij besluit van 16 juli 2001 heeft verweerder appellante een schadeloosstelling van

fl. 9.567,65 toegekend.

- In het kader van het uitbetalen van een schadeloosstelling voor vernietigde melk heeft verweerder bij besluit van 23 augustus 2001 appellante een definitieve schadeloosstelling van fl. 7.973,05 toegekend. Uit dit besluit blijkt dat verweerder de dagen van 21 maart 2001 tot en met 24 maart 2001 (hierna: de stand still periode) buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van de schadeloosstelling.

- Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellante bij brief van 26 september 2001 bezwaar gemaakt. Bij brief van 14 mei 2002 heeft appellante de gronden van het bezwaar aangevuld.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder het volgende aangevoerd.

Als gevolg van de verdachtverklaring heeft op grond van de maatregel van plaatsing van kentekenen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, Gwd een vervoersverbod van en naar het bedrijf van appellante van aangewezen producten en voorwerpen welke dragers van smetstoffen kunnen zijn, waaronder melk, gegolden. Dit betreft een maatregel als bedoeld in artikel 21 Gwd, zodat verweerder, terzake van schadeloosstelling gebruik kon maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 91 Gwd. In onderhavig geval heeft verweerder bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor de vernietigde melk als uitgangspunt gehanteerd dat de vergoeding voor de vernietigde melk evenveel dient te zijn als de opbrengst die de veehouder zou hebben gekregen van de fabriek indien zijn melk niet zou zijn vernietigd, hetgeen overeenkomt met ruim

fl. 0,89 per kilogram. In dier voege is aansluiting gezocht bij de tegemoetkoming in de schade als neergelegd in artikel 86 Gwd.

Met betrekking tot het aantal dagen dat vergoed moet worden, stelt verweerder zich op het standpunt dat voor de bepaling van de dagen die voor vergoeding in aanmerking komen, wordt gekeken naar de laatste dag van de leveringen tot aan de eerste dag van de hervatting van de levering of tot aan de ruimingsdatum. In verband met de zogenoemde stand still periode komen drie dagen niet voor vergoeding in aanmerking aangezien deze periode voor heel Nederland heeft gegolden. In Nederland is de melk die tijdens de stand still periode moest worden vernietigd, voor geen enkel bedrijf vergoed. De schade die is voortgekomen uit deze stand still periode, behoort tot het normale bedrijfsrisico. Immers, een - ter voorkoming van verdere verspreiding van de dierziekte - afgekondigd algemeen vervoersverbod veroorzaakt schade. Dat deze schade in sommige gevallen beperkt is omdat de melk net voor of na de stand still is opgehaald, laat onverlet dat in andere gevallen melkveehouders veel melk hebben moeten vernietigen. De omstandigheid dat het bedrijf van appellante direct na de afkondiging van de stand still periode verdacht is verklaard, betekent niet dat de in de stand still periode vernietigde melk dient te worden vergoed.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep het volgende naar voren gebracht.

In verband met de verdachtverklaring van het bedrijf van appellante van 23 maart 2001 tot 11 april 2001 is het niet mogelijk geweest om geproduceerde melk aan de zuivelonderneming te leveren. De in deze periode geproduceerde melk is vernietigd. Het vervoersverbod dat is ingesteld op grond van artikel 22, eerste lid aanhef en onder d, Gwd is feitelijk een maatregel als bedoeld in artikel 22, eerste lid aanhef en onder g, Gwd. De ratio van beide bepalingen is immers de voorkoming van verspreiding van smetstof. Volgens appellante probeert verweerder door het vervoersverbod af te kondigen aan de werking van artikel 86 Gwd te ontkomen. Het vervoersverbod doet echter geen recht aan de omstandigheden van het geval. De achtergrond van de maatregel die bij appellante is getroffen is gebaseerd op een specifieke verdenking als gevolg van constatering van ziektenverschijnselen.

Evenwel heeft verweerder uitdrukkelijk gekozen om met toepassing van artikel 91 Gwd hetzelfde resultaat te bereiken als ware artikel 86 Gwd toegepast. Een verlaging van de schadeloosstelling kan dan alleen plaatsvinden met toepassing van artikel 86, tweede lid, Gwd. In onderhavig geval is echter geen sprake van de omstandigheden als genoemd in het tweede lid. Derhalve mist de door verweerder doorgevoerde verlaging wettelijke grondslag.

Subsidiair is aangevoerd dat appellante vanaf het moment van de verdachtverklaring geen melk mocht en kon leveren. Vanaf dat moment is dus tevens een aanspraak op tegemoetkoming in de schade op grond van de Gwd ontstaan. Immers, zonder de verdachtverklaring zou appellante de melk van de dan verstreken periode geheel hebben kunnen afleveren en zou zij geen enkel nadeel hebben geleden. Juist als gevolg van de verdachtverklaring was het voor appellante onmogelijk om de levering te hervatten dan wel alsnog te doen plaatsvinden. Derhalve maakt appellante ook aanspraak op een tegemoetkoming over de stand still periode.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit heeft doen steunen op de juiste wettelijke grondslag. Daartoe overweegt het College het volgende.

Gebleken is dat aan appellante als gevolg van de plaatsing van kentekenen op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder d, Gwd een vervoersverbod is opgelegd. Dit betreft een maatregel als bedoeld in artikel 21 Gwd. Ingevolge het systeem van de Gwd kan in de schade die voortvloeit uit een maatregel als bedoeld in artikel 21 Gwd tegemoet worden gekomen op grond van de artikelen 86, 90 of 91 Gwd, afhankelijk van de opgelegde maatregel en van de gebleken schade.

In onderhavig geval is gebleken van schade ten gevolge van een maatregel die blijkens die bepalingen niet op grond van artikel 86 dan wel artikel 90 Gwd vergoed kan worden. Mitsdien kan deze schade alleen vergoedt worden op basis van artikel 91 Gwd.

De stelling van appellante dat verweerder gelet op de omstandigheden destijds had moeten besluiten tot een maatregel als bedoeld in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder g, Gwd, en dat de schade derhalve met toepassing van artikel 86 Gwd vergoed had moeten worden, doet aan het vorenstaande niet af. Immers, verweerder heeft niet een dergelijk besluit genomen. Mitsdien staat dit voor het College thans niet ter beoordeling.

5.2 Voorts overweegt het College dat verweerder ter uitvoering van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 91 Gwd een beleid hanteert waarin aansluiting is gezocht bij artikel 86 Gwd en als uitgangspunt geldt dat de vergoeding voor de vernietigde melk evenveel dient te zijn als de opbrengst die de veehouder zou hebben gekregen van de zuivelonderneming indien zijn melk niet zou zijn vernietigd. Voorts geldt dat de melk die is vernietigd tijdens de stand still periode niet wordt vergoedt. Verweerder beschouwt deze schade als een normaal bedrijfsrisico als gevolg van het vervoersverbod dat voor die periode voor heel Nederland van kracht is geweest.

Het College is van oordeel dat dit beleid, mede gelet op de motivering in het bestreden besluit, niet onredelijk is te achten.

Met betrekking tot de stelling van appellante dat verweerder ten onrechte de schade over de stand still periode niet heeft vergoedt, overweegt het College het volgende.

Hoewel verweerder bij zijn beleid aansluiting heeft gezocht bij artikel 86 Gwd, houdt dit niet in dat verweerder, zoals appellante heeft betoogd, de schadevergoeding slechts mag korten in geval van de omstandigheden als bedoeld in het tweede lid van artikel 86 Gwd. Immers, naar is aangegeven heeft verweerder aansluiting gezocht bij artikel 86 Gwd voor zover het ziet op het uitgangspunt dat de vergoeding voor de vernietigde melk evenveel dient te zijn als de opbrengst die de veehouder zou hebben gekregen van de zuivelonderneming indien zijn melk niet zou zijn vernietigd. Dat verweerder artikel 86, tweede lid, Gwd geen onderdeel heeft laten uitmaken van zijn beleid, maakt het beleid naar het oordeel van het College niet kennelijk onredelijk.

De omstandigheid dat het bedrijf van appellante 23 maart 2001, dus tijdens de stand still periode, verdacht is verklaard heeft naar het oordeel van het College voor verweerder geen aanleiding hoeven te vormen om in weerwil van het geldende beleid tot vergoeding van de schade over (de resterende dagen van) de stand still periode over te gaan. Immers, het vervoersverbod heeft voor heel Nederland gegolden - dus ook voor bedrijven die niet verdacht zijn verklaard - zodat appellante indien haar bedrijf niet verdacht zou zijn verklaard ook geen melk had kunnen leveren.

5.3 Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

Het College ziet geen termen voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. H. Bekker, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2005.

w.g. H.C. Cusell w.g. P.M. Beishuizen