Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS5069

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
07-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/338
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet herstructurering varkenshouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 04/338 27 januari 2005

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: B. Raven, werkzaam bij de Dienst Regelingen (voorheen: Bureau Heffingen) te Assen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2000 heeft verweerder - alsnog - geweigerd ten aanzien van appellant toepassing te geven aan artikel 9 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv).

Bij besluit van 17 maart 2004 heeft verweerder het hiertegen gericht bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 23 april 2004, bij het College binnengekomen op 26 april 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 13 januari 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de hiervoor genoemde gemachtigden van partijen en appellant zijn verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 9 Bhv wordt het overeenkomstig hoofdstuk II - met uitzondering van de artikelen 14 en 24 - van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) bepaalde varkens-/fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf onder meer vergroot, indien met betrekking tot dat bedrijf na 1992 en voor 10 juli 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend.

Appellant, die zich zowel in maatschapsverband met zijn vader als op eigen naam - met twee te onderscheiden mestnummers - bezighoudt met de varkenshouderij, heeft bij op 21 augustus 1998 gedagtekend formulier een melding gedaan teneinde voor toepassing van artikel 9 Bhv in aanmerking te worden gebracht.

2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de weigering aan hem met toepassing van artikel 9 Bhv extra varkensrechten toe te kennen, ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat voorwaarde voor toepassing van de in evengenoemd artikel bedoelde hardheidscategorie (3/14a) is, dat er een milieuvergunning is aangevraagd/verleend “ten behoeve van een vergroting van het aantal varkens”. In het onderhavige geval staat vast dat in het relevante referentiejaar 1996 de realisatie van de hier aan de orde zijn milieuvergunning al was voltooid, in die zin dat in de inrichting (gemiddeld) 1.015 (vlees)varkens zijn gehouden.

Op basis van dit aantal heeft appellant varkensrechten verkregen.

Anders dan appellant stelt, is voor de toepassing van artikel 9 Bhv niet de situatie binnen het uitsluitend bij appellant in gebruik zijnde mestnummer en gedeelte van stal B bepalend, maar de situatie van de gehele inrichting op het adres C te B. Vaststaat dat in stal B niet alleen onder voormeld mestnummer, maar ook onder het mestnummer van de maatschap varkens zijn gehouden en dat het in stal A en B samen gehouden aantal varkens in 1996 zelfs groter was dan het bij de milieuvergunningverlening toegestane aantal. Er is in de situatie van appellant dan ook geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard, waarvoor de hardheidscategorieën van het Bhv bedoeld zijn. Overigens wijst verweerder er op dat het in de milieuvergunning genoemde aantal dierplaatsen niet als plafond voor de toe te kennen varkensrechten is gehanteerd, maar uitsluitend in beschouwing is genomen om te bepalen of de productie in het referentiejaar reeds representatief was voor de beoogde (uitbreiding van de) bedrijfsomvang.

De omstandigheid dat aanvankelijk ten onrechte aan appellant is meegedeeld dat hij voor toepassing van de in artikel 9 Bhv geregelde hardheidscategorie in aanmerking kwam, brengt niet mee dat appellant gerechtvaardigd op die mededeling mocht vertrouwen. De ingevolge dit artikel toe te kennen extra varkensrechten worden immers in eerste instantie voorwaardelijk geregistreerd, waaruit blijkt dat indien (uiteindelijk) niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, de voorwaardelijke rechten niet in definitieve worden omgezet. Hierbij komt dat in dit geval niet is voldaan aan het dispositievereiste.

2.3 Appellant heeft tegen het bestreden besluit (uiteindelijk) aangevoerd dat de op 9 januari 1996 verleende milieuvergunning weliswaar ziet op de gehele inrichting op het adres C te B, maar dat met de daaraan ten grondslag liggende aanvraag van oktober 1995 met name werd beoogd de huisvestingscapaciteit van het door (uitsluitend) appellant onder mestnummer D geëxploiteerde bedrijf uit te breiden. In de uitvoeringspraktijk van het onder verweerder ressorterende Bureau Heffingen is er steeds vanuit gegaan dat de begrippen mestnummer en bedrijf synoniem zijn, zodat verweerder zich in het onderhavige geval ten onrechte baseert op de totale mestproductie van beide mestnummers in 1996.

2.4 Het College stelt voorop dat de milieuvergunning is aangevraagd door en verleend aan de maatschap van appellant en zijn vader gezamenlijk. In de vergunning hebben burgemeester en wethouders van de gemeente E (hierna: b&w) onder meer opgemerkt dat zij hebben vastgesteld dat het bedrijf (waaronder gelet op de relevante bepalingen van de Wet milieubeheer hier dient te worden verstaan “de inrichting”, CBb) overeenkomstig de vergunning in werking is en dat de daaruit voortvloeiende rechten ten volle zijn benut. Voorts is door b&w opgemerkt dat het verzoek om vergunning een gevolg is van het feit dat in de inrichting een aantal wijzigingen is doorgevoerd, waaronder een beperkte herhuisvesting van dieren binnen de rechten die aan de rechtsgeldige vergunning kunnen worden ontleend.

Gelet op het vorenstaande concludeert het College dat voor de totale inrichting geen sprake is van een vergunning “ten behoeve van een vergroting van het aantal varkens”, als vereist in artikel 9, eerste lid, Bhv.

Evenmin was, voorzover binnen die inrichting al zou kunnen worden onderscheiden al naar gelang het mestnummer, ten aanzien van het op naam van appellant staande mestnummer in het hier aan de orde zijnde referentiejaar 1996 sprake van een aantal gehouden varkens dat niet representatief moet worden geoordeeld voor de beoogde bedrijfsomvang na uitbreiding.

Veeleer concludeert het College - met verweerder - uit het feit dat in 1996 binnen de totale inrichting gemiddeld zelfs meer varkens zijn gehouden dan op grond van de (nieuwe) Wm-vergunning waren toegestaan, in verbinding met de namens appellant ter zitting gedane mededeling dat appellant “slechts als gevolg van de uitbreiding” in de referentiejaren circa 355 varkens hield, dat geen sprake is van een situatie waarvoor het Bhv (gelet op artikel 25 Whv) is bedoeld.

2.5 Op grond van het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. P.M. Beishuizen