Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS4481

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-01-2005
Datum publicatie
01-02-2005
Zaaknummer
AWB 03/1483
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling energievoorzieningen

non-profit en bijzondere sectoren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/1483 13 januari 2005

27366 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling energievoorzieningen

non-profit en bijzondere sectoren

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Scholengroep Rijk van Nijmegen, appellante,

gemachtigde: A. Paul, verbonden aan de Schreuder Groep Ingenieurs/Adviseurs, te Apeldoorn,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. W.A. Lips, werkzaam bij SenterNovem.

1. De procedure

Op 23 december 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van verweerder houdende de subsidievaststelling ad nihil in het kader van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (Stcrt. 1998, 46, nadien gewijzigd, hierna: Subsidieregeling).

Onder dagtekening 15 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 april 2004 heeft appellante een nadere schriftelijke uiteenzetting van haar standpunt doen toekomen.

Bij brief van 25 mei 2004 heeft verweerder op deze uiteenzetting van appellante gereageerd.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 oktober 2004, waar verweerder bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellante is, zoals door haar bij brief van 15 oktober 2004 aangekondigd, ter zitting niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Subsidieregeling is het volgende bepaald:

“Artikel 9

Op de subsidie-ontvanger rusten de in de artikelen 10, 11 (…) opgenomen verplichtingen.

(…)

Artikel 10

1. De subsidie-ontvanger installeert de voorziening in Nederland en neemt hem in gebruik overeenkomstig het plan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en uiterlijk op het bij de subsidieverlening vermelde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor wijzigingen of vertragingen.

(….)

Artikel 11

1. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag tot subsidievaststelling binnen zes maanden na het tijdstip waarop ingevolge artikel 10, eerste lid, de voorzieningen moeten zijn geïnstalleerd en in gebruik genomen in bij de minister.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een daartoe bestemd formulier, ondertekend op 10 oktober 2001 en door verweerder ontvangen op 12 oktober 2001, heeft appellante een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van de Subsidieregeling voor investeringen in, onder meer, een koude- of warmteterugwinningssysteem, een energie-efficiënt verlichtingssysteem, HR-glas en een HR-ketel, onder de respectieve codes 110801, 210501, 110401 en 210101 in de Energielijst 2001, die zullen worden geïnstalleerd in de scholengemeenschap Canisius College in Nijmegen.

- Bij besluit van 6 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op hiervoor weergegeven investeringen, ingewilligd, zulks tot een bedrag van maximaal € 21.619,-. In dit besluit is, hier van belang, de verplichting neergelegd dat de voorzieningen voor 1 december 2002 worden geïnstalleerd en in gebruik worden genomen. Ook is in dit besluit de verplichting opgenomen dat binnen 6 maanden na deze datum een aanvraag tot vaststelling van de verleende subsidie moet worden ingediend.

- Wegens het uitblijven van tijdige indiening van de aanvraag om subsidievaststelling heeft verweerder appellante bij brief van 3 juni 2003 alsnog in de gelegenheid gesteld om hiertoe over te gaan, zulks tot drie weken na dagtekening van die brief. Tevens is in die brief aangegeven dat verweerder, bij uitblijven van indiening van voornoemde aanvraag, de subsidie ambtshalve op nihil kan vaststellen.

- Bij brief van 6 juni 2003 heeft appellante verweerder voor indiening van de aanvraag om subsidievaststelling om uitstel tot 1 december 2003 verzocht.

- Bij brief van 1 juli 2003 heeft verweerder aan appellante uitstel verleend tot vier weken na dagtekening van die brief.

- Op 18 juli 2003 heeft appellante verweerder telefonisch wederom om uitstel gevraagd, hetwelk door verweerder is verleend. Blijkens een gespreksnotitie van 18 juli 2003 is in dit telefoongesprek namens verweerder meegedeeld dat voor de laatste keer uitstel wordt verleend en wel tot – desgevraagd – 1 september 2003.

- Bij besluit van 8 september 2003 heeft verweerder de subsidie op nihil vastgesteld.

- Bij een daartoe bestemd formulier, ondertekend op 4 september 2003 en door verweerder voorzien van ontvangststempel 11 september 2003, heeft appellante in het kader van de Subsidieregeling een aanvraag ingediend ter vaststelling van voornoemde subsidie.

Bij dit formulier is gevoegd een brief d.d. 27 maart 2002 van de leverancier van een aantal van de aangemelde voorzieningen, A, te X aan de gemachtigde van appellante, houdende prijsopgaves van die voorzieningen. Bij dit formulier zijn voorts gevoegd facturen van voornoemde leverancier d.d. 11 oktober 2002, 6 november 2002, 4 december 2002, 24 januari 2003, 31 januari 2003, 17 februari 2003, 3 april 2003, 17 april 2003 en 19 mei 2003. Ook is bijgevoegd een offerte van B te Y, d.d. 18 september 2001. Voorts zijn bijgevoegd facturen van leverancier C te X, d.d. 25 november 2002, 27 januari 2003, 4 maart 2003, 8 april 2003, 9 mei 2003, 5 juni 2003 en 1 september 2003. Verder is bijgevoegd een brief met bijlage van D te Z aan E te XX, d.d. 17 juni 2003, alsmede een verklaring van laatstgenoemde vennootschap aan de gemachtigde van appellante d.d. 20 juni 2003.

- Tegen het subsidievaststellingsbesluit van 8 september 2003 heeft appellante bij brief van 11 september 2003, aangevuld bij brief van 13 oktober 2003, bezwaar gemaakt.

- Op 29 oktober 2003 is appellante op haar bezwaar gehoord. In het hiervan gemaakte verslag staat het volgende vermeld:

“F:

(…)

Achteraf bekeken had ik beter de benodigde informatie voor de vaststelling die ik al wel voor handen had naar Senter kunnen opsturen.

Senter:

Dat zou wel geholpen hebben. Wellicht iets voor de volgende keer.

(…)

Zoals u zelf ook aangeeft, u had beter de informatie die u al had kunnen opsturen. Daarna had u het formulier kunnen aanvullen.

(…)”

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen en beslist:

"Als uitgangspunt bij de bepaling van het moment waarop een verzoek tot vaststelling is verzonden, hanteer ik het moment waarop het verzoek is ingediend (artikel 11 van de Regeling). Ik ga daarbij uit van het moment waarop het verzoek bij mij bekend is. Het verzoek is bij mij bekend op het moment dat ik deze ontvangen heb. Op 11 september 2003 heb ik uw vaststellingsformulier met aanvullende stukken ontvangen.

Als de indiening niet tijdig is op grond van het moment waarop ik het formulier ontvangen heb, wil ik in het kader van de billijkheid ook wel uitgaan van het moment waarop het formulier door u ter post is bezorgd. Ook wel het moment van verzending. Dit brengt voor u echter ook geen soelaas. De envelop waarin het vaststellingsformulier is opgestuurd is voorzien van een frankeerstempel met datum 4 september 2003. Een frankeerstempel wordt op grond van vaste jurisprudentie niet aangemerkt als bewijs voor het moment van verzending. Nu het vaststellingsformulier op 11 september 2003 is ontvangen, ga ik ervan uit dat het vaststellingsformulier op 10 september 2003 is verzonden.

Op grond van beide data is het vaststellingsformulier en daarbij meegestuurde stukken na de in ons telefoongesprek van 18 juli 2003 gestelde termijn van 1 september 2003 en na mijn beslissing op uw verzoek tot vaststelling van

8 september 2003, ontvangen.

(…)

Ik ben echter wel ingegaan op uw verzoeken van 6 juni 2003, 1 juli 2003 en 18 juli 2003 om de termijn voor het indienen van het vaststellingsverzoek te verlengen. Uiteindelijk is de termijn verlengd tot uiterlijk 1 september 2003. Ik heb deze datum op uw verzoek vastgesteld. Ik heb desondanks het vaststellingsformulier op die datum niet ontvangen. Al met al heeft u bijna een jaar de tijd gehad voor het aanleveren van het vaststellingsformulier en de daarbij vereiste stukken. Dit terwijl u hier in eerste instantie zes maanden de tijd voor heeft gekregen.

Op grond van artikel 4:44 Awb kan ik de subsidie ambtshalve vaststellen, indien na afloop van de termijn voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen aanvraag tot vaststelling is ingediend. Ingevolge artikel 4:46 Awb kan ik de subsidie lager vaststellen indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan subsidie verbonden verplichtingen. Bij niet naleving van subsidieverplichtingen kan ik de subsidie op nihil vastellen, mits de subsidieontvanger herhaalde malen is aangemaand om de aanvraag tot vaststelling in te dienen.

Ik ben van mening dat ik u voldoende in de gelegenheid heb gesteld uw verzoek tot vaststelling in te dienen. Desondanks heeft u verzuimd de betreffende stukken tijdig toe te sturen. U heeft derhalve de subsidieverplichting zoals gesteld in artikel 11, eerste lid van de Regeling niet nageleefd.”

In aanvulling op het vorenstaande heeft verweerder in zijn brief van 25 mei 2004 het volgende aangevoerd.

In tegenstelling tot het geval van appellante, is in het kader van het project van “De Cameren” van de Stichting Woonzorg Lage Weide te Limmen, tijdig, aldus vóór het verstrijken van de termijn waarin de vaststellingsaanvraag moest worden ingediend, op grond van artikel 10, eerste lid, Subsidieregeling een verzoek om ontheffing van de realisatiedatum gedaan, welk verzoek is ingewilligd. De realisatiedatum is op een later tijdstip vastgesteld en de daaropvolgende zes-maandentermijn voor indiening van de aanvraag om subsidievaststelling is nog niet verstreken. Van een gelijke situatie is derhalve geen sprake.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Juist is dat de aanvraag om subsidievaststelling te laat is ingediend. Verweerder heeft echter ten onrechte aangenomen dat de aanvraag op 11 september 2003 is ingediend. Appellante is hiertoe op 4 september 2003 overgegaan.

Ten onrechte heeft verweerder de subsidie op nihil vastgesteld. Verweerder heeft geen rekening gehouden met de bouwvertraging als gevolg van de aanvankelijke afkeuring van de bouw door de afdeling welstand van de gemeente Nijmegen. Hierdoor heeft de oplevering van de bouw later plaatsgevonden dan aanvankelijk was gepland, namelijk op

4 juni 2003. Ook zijn eerst vanaf die datum de aangemelde voorzieningen in gebruik genomen.

Bovendien was verweerder op de hoogte van de vertraging in de bouw. Appellante heeft verweerder reeds bij brieven van 10 januari 2002 en 10 september 2002 in kennis gesteld van de ingrijpende bouwkundige wijzigingen en dientengevolge de vertraging in de bouw.

Om reden van deze vertraging en de latere oplevering van de bouw op 4 juni 2003 heeft appellante om uitstel voor indiening van de aanvraag verzocht tot 1 december 2003. Onder druk en sterk aandringen kon uitstel worden verkregen tot 1 september 2003. Deze termijn voor indiening van de aanvraag om subsidievaststelling met de bijhorende bescheiden, was niet haalbaar.

Bij die aanvraag moesten de nodige facturen van de installatiebedrijven en de bouwkundige aannemer en de bankafschriften van betalingen worden gevoegd, terwijl appellante niet de beschikking over alle bescheiden had. De installatiebedrijven en de aannemer moesten hun facturen na oplevering nog indienen en deze via de directievoerende partij bij de opdrachtgever indienen, met welke procedure enige maanden is gemoeid. Op het moment dat appellante de beschikking kreeg over deze stukken, is zij overgegaan tot het indienen van de betreffende aanvraag met bijlagen.

De beslissing van verweerder is disproportioneel, aangezien sprake is van een termijnoverschrijding van slechts vier dagen. Overigens heeft verweerder in het verleden op grond van de Subsidieregeling in het kader van het project “De Cameren”, wel uitstel verleend voor indiening van de aanvraag om subsidievaststelling. Ook in het kader van dat project werd het gebouw later opgeleverd dan was gepland bij het indienen van de subsidieaanvraag. Vervolgens heeft uitstel plaatsgevonden nadat het vaststellingsformulier door verweerder was ontvangen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Aan de orde is of verweerder in bezwaar zijn besluit tot vaststelling van de subsidie op nihil, op de grond dat appellante de aanvraag om vaststelling van de subsidie niet heeft ingediend, op goede gronden heeft gehandhaafd. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.2 Vast staat dat appellantes aanvraag om vaststelling van de subsidie is ingediend buiten de uiteindelijk door verweerder bepaalde datum van 1 september 2003, waarbij in het midden kan blijven of in dit verband moet worden uitgegaan van 4 september 2003 (appellante) of 11 september 2003 (verweerder).

5.3 Appellante heeft aangevoerd dat - zo verstaat het College - deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, aangezien sprake is van bijzondere omstandigheden.

Het College is van oordeel dat dit beroep niet kan slagen. Appellante heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat haar geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig indienen van de aanvraag om subsidievaststelling. De enkele stelling van appellante dat de bouw eerst op 4 juni 2003 werd opgeleverd, leidt niet tot een zodanig oordeel. Niet valt in te zien dat appellante in de periode tussen 4 juni 2003 en 1 september 2003 niet de betreffende aanvraag heeft kunnen doen. Derhalve kan niet worden staande gehouden dat appellante als gevolg van de vertraagde oplevering de aanvraag niet tijdig, dat wil zeggen vóór 1 september 2003, heeft kunnen indienen.

Ook de stelling van appellante dat zij op 1 september 2003 niet in staat was om de bij het vaststellingsformulier te voegen facturen en bankafschriften van betalingen mee te sturen, is ontoereikend voor een zodanig oordeel. Dit neemt immers niet weg dat appellante gehouden is tijdig een aanvraag om vaststelling van de subsidie te doen.

Het College merkt in dit kader ook op dat uit de verklaringen van de gemachtigde van appellante ter gelegenheid van de hoorzitting, zoals weergegeven in rubriek 2.2, volgt dat de gemachtigde binnen de indieningstermijn de beschikking had over relevante stukken. Verder merkt het College op dat de stukken die bij het vaststellingsformulier zijn gevoegd, zoals weergegeven in rubriek 2.2 - met uitzondering van slechts één factuur van 1 september 2003 - alle dateren tussen 18 september 2001 en 20 juni 2003. Het College voegt hieraan toe dat verweerder, zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar, een lijn volgt waarin bij de vaststellingsaanvraag behorende bijlagen na de termijn voor indiening van de vaststellingsaanvraag kunnen worden toegezonden. Niet valt in te zien dat appellante niet tijdig, aldus vóór 1 september 2003, heeft kunnen overgaan tot indiening van dat verzoek, al dan niet onder bijvoeging van (alle) hiervoor genoemde bescheiden. De beslissing van appellante om eerst op 4 september 2003 de stukken zo compleet mogelijk aan verweerder toe te sturen moet derhalve voor haar rekening en risico blijven. Volgens vaste jurisprudentie van het College is het de verantwoordelijkheid van de aanvrager om zich op de hoogte te stellen van de voorschriften die bij de Subsidieregeling zijn gegeven en deze in acht te nemen.

Het College neemt bij zijn oordeel ook in aanmerking dat verweerder blijkens hetgeen hiervoor in rubriek 2.2 is vermeld, appellante drie keren uitstel heeft verleend om de betreffende aanvraag in te dienen. In voornoemde brieven en in het telefoongesprek is steeds duidelijk aangegeven binnen welke termijn het verzoek moet worden ingediend en is tevens nadrukkelijk te kennen gegeven dat indien appellante niet tot - tijdige - indiening van het vaststellingsverzoek overgaat, verweerder de subsidie ambtshalve op nihil kan vaststellen. De termijn die verweerder in totaal aan appellante heeft gegund om het verzoek in te dienen, acht het College niet onredelijk. Ook wordt door het College in zijn overwegingen betrokken dat blijkens reeds genoemde telefoonnotitie van 18 juli 2003, verweerder de uiterste indieningsdatum in overeenstemming met de gemachtigde van appellante heeft bepaald op 1 september 2003 en appellante zich met die datum akkoord heeft verklaard.

Van een verschoonbare termijnoverschrijding is dan ook geen sprake. Ook de geringe omvang van de termijnoverschrijding leidt niet tot een ander oordeel.

5.4 Nu vaststaat dat het verzoek om subsidievaststelling is ingediend na de daarvoor vastgestelde datum, te weten 1 september 2003, is niet voldaan aan het vereiste van artikel 10, eerste lid, juncto artikel 11, eerste lid, van de Subsidieregeling. Gelet hierop was verweerder op grond van artikel 4:44, vierde lid, juncto artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, Awb bevoegd de subsidie lager vast te stellen dan het bedrag waarin bij de verlening van de subsidie was voorzien. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die grond zouden kunnen bieden voor een ander oordeel, kan niet worden staande gehouden dat verweerder niet in redelijkheid met gebruikmaking van die bevoegdheid heeft kunnen komen tot vaststelling van de subsidie op nihil.

5.5 Voor zover appellante met haar verwijzing naar de omstandigheid dat verweerder met betrekking tot het project “De Cameren” een soortgelijk verzoek van deze stichting om uitstel van indiening van de aanvraag om subsidievaststelling wel heeft ingewilligd, een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, overweegt het College dat dit beroep evenmin doel treft. Het College neemt hierbij in aanmerking dat naar verweerder onweersproken heeft verklaard, door die stichting aangaande vorenbedoeld project, tijdig, dat wil zeggen voor het verstrijken van de realisatiedatum als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Subsidieregeling, een verzoek om ontheffing van de realisatiedatum is gedaan, welk verzoek door verweerder is ingewilligd, terwijl de zesmaandentermijn waarbinnen de aanvraag om subsidievaststelling moet zijn gedaan, nog niet is verstreken. Hieruit volgt naar het oordeel van het College dat in dat geval, in tegenstelling tot de situatie van appellante, juist geen sprake is van een overschrijding van voornoemde zesmaandentermijn. Van gelijke situaties als door appellante gesteld, is derhalve geen sprake.

5.6 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. I.K. Rapmund