Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS4452

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-01-2005
Datum publicatie
01-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 04/2 13 januari 2005

27652 Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Uitspraak in de zaak van:

Neon Weka B.V., te Duivendrecht, appellante,

gemachtigde: A, verbonden aan appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. W.A. Lips, werkzaam bij SenterNovem.

1. De procedure

Op 5 januari 2004 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de verklaring die verweerder heeft afgegeven als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Onder dagtekening 6 februari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 februari 2004 heeft appellante het College een nadere schriftelijke uiteenzetting van haar standpunt doen toekomen.

Bij brief van 10 maart 2004 heeft verweerder op deze uiteenzetting van appellante gereageerd.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 oktober 2004, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB 2001 is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 3.42 Energie-investeringsaftrek

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

(…)

6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister.

7. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verklaring (…)”

De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Stcrt. 2000, 249; zoals nadien gewijzigd, hierna: Uitvoeringsregeling) luidde ten tijde van belang ondermeer als volgt:

“ Artikel 2

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

(…)

Artikel 5

1. De verklaring van de Minister van Economische Zaken, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de wet vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake.

2. (…)

3. De belastingplichtige legt ten behoeve van het verstrekken van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een berekening van de energiebesparing over.”

Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling 2001 luidde gedurende 2002, voorzover hier van belang:

“ Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken, door:

(…)

4. Efficiëntere verlichting door:

4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

(…)

Artikel 2

1. Bij de investeringen voor de technische voorzieningen als omschreven in artikel 1 dient de energiebesparing voor de investeringen onder: (…)

A 4.1.A (…) ten minste 0,4 m3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen, maar niet meer dan 4 m3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro;

(…)”

In de door verweerder uitgegeven brochure ‘Energielijst 2002’ staat, onder meer het volgende vermeld:

“210502

Verlichtingsbesparingssysteem

(…)

(310000)

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing van in gebruik zijnde bouwwerken. De energiebesparing dient ten minste 0,4 Nm3, maar niet meer dan 4 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen. Als referentie dient bij bestaande bouwwerken het historisch energieverbruik.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij hiertoe bestemd formulier, door het Bureau energie-investeringsaftrek van de Belastingdienst ontvangen op 27 juni 2002, heeft appellante een aanvraag gedaan om een verklaring dat de daarbij aangemelde investeringen in een ‘verlichtingsbesparingssysteem’, als bedoeld onder code 210502 in de Energielijst 2002, investeringen zijn, die zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 3.42, tweede lid, van de Wet IB (hierna: energieverklaring). De investeringen bestaan onder meer uit armaturen.

- Bij brieven van 13 februari 2003 respectievelijk 18 maart 2003 heeft verweerder appellante verzocht om, uiterlijk op 28 februari 2003, respectievelijk 1 april 2003, nadere gegevens voor de beoordeling van de aanvraag te verstrekken.

- Bij brief van 26 maart 2003 heeft verweerder, desgevraagd, voornoemde termijn verlengd tot 1 mei 2003.

- Bij brief van 25 april 2003 heeft appellante nadere gegevens verstrekt, door overlegging van een overzicht met technische specificaties van de aangemelde bedrijfsmiddelen.

- Bij besluit van 12 juni 2003 heeft verweerder een energieverklaring afgegeven voor een bedrag van € 1.833,-. Bij dit bedrag is geen rekening gehouden met de investeringen in armaturen.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 19 juni 2003 bezwaar gemaakt.

- Op 27 augustus 2003 is appellante op haar bezwaar gehoord.

- Bij brief van 2 oktober 2003 heeft verweerder appellante onder meer met betrekking tot de aangemelde armaturen wederom om nadere informatie verzocht. In die brief staat onder meer het volgende vermeld:

“ Betreft de investering in armaturen een vervanging of uitbreiding van de verlichting?

Indien vervanging, dan van de vervangen armaturen een berekening van de energiebesparing in kWh per jaar ten opzichte van het historische energiegebruik van de oude armaturen.”

- Bij brief van 14 oktober 2003 heeft appellante hierop gereageerd. In die brief heeft appellante het volgende vermeld.

“ Omdat dit vervanging betreft en uitgaande van 2100 uur/jaar, zou dit een besparing per armatuur opleveren van 282 KWh/jaar.”

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen, waarin het besluit van 12 juni 2003 is gewijzigd, in die zin dat voor het deel van de investeringen waarvoor een energieverklaring was afgegeven, het bedrag van € 1.833,- wordt verhoogd naar € 7.355,-. De verklaring heeft geen betrekking op de investeringen in de armaturen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen en beslist:

"In de antwoorden van 15 oktober 2003 geeft u aan dat de totale vermogensbesparing per armatuur ten opzichte van de oude situatie 121 is. De armaturen heb ik beoordeeld volgens code 310000 van de brochure “Energielijst 2002”. Echter, na berekening, met de door u vermelde gegevens, is gebleken dat de armaturen niet voldoen aan de energiebesparingseis van ten minste 0,4 Nm3 aardgasequivalent per jaar per geïnvesteerde euro, zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, van bijlage 1 bij de Regeling. Het aantal branduren bedraagt 2.100h/a. Dit levert een besparing op van 0,121 kW x 2.100 h/a = 254 kWh/a. Dit getal komt overeen met 71 m3 aardgasequivalenten (a.e.) per jaar. De aanschafprijs bedraagt EUR 210 per armatuur. Dit resulteert in een energiebesparing van 0,34 m3 (71 m3/ EUR 210) a.e./ per geïnvesteerde euro. De armaturen komen daarom niet in aanmerking voor de EIA. Ik kan mijn beslissing van 12 juni 2003 op dit punt dan ook niet herzien.

(…)

In aanvulling op het bovenstaande heeft verweerder in zijn verweerschrift en in zijn brief van 10 maart 2004 het navolgende aangevoerd.

Blijkens de brief van appellante van 14 oktober 2003 zijn de door haar opgegeven 2100 branduren gebaseerd op een 40-urige werkweek en op 52 weken per jaar. Dit komt verweerder niet onrealistisch voor. Uit deze brief van appellante heeft verweerder niet kunnen opmaken dat sprake was van een theoretische of hypothetische schatting van de energiebesparing.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder een energieverklaring ad € 7.355,-- in plaats van € 7.833,91 afgegeven.

Ten onrechte heeft verweerder de energieverklaring niet afgegeven voor alle investeringen in de armaturen, op de grond dat de besparing minder dan 0,4 Nm3 a.e. per jaar per geïnvesteerde gulden bedraagt.

Verweerder is bij zijn besparingsberekening ten onrechte uitgegaan van 2100 branduren per jaar. De opgave van 2100 branduren in de brief van 14 oktober 2003 betreft echter slechts een hypothetische en theoretische grondslag, een zogenaamde aanname. De opgave van 2100 branduren per jaar is te terughoudend.

In de aanvankelijke berekening van appellante is uitgegaan van een 40-urige werkweek en 52 weken per jaar. De realiteit is echter anders, aangezien het aantal branduren tussen 2600 en 2860 per jaar bedraagt. Appellante heeft in dit kader aangegeven dat naast de dagelijkse openingstijden van Neon Weka van 7.30 tot 17.30 uur regelmatig sprake is van overwerk.

Bovendien wordt een additionele besparing gerealiseerd door de aanwezigheidsdetectie, welke de verlichting automatisch uitschakelt indien niemand in de ruimte aanwezig is.

Gelet op het aantal branduren van 2650 à 2800 bedraagt de energiebesparing tussen de 0,42 Nm3 en 0,46 Nm3. Appellante heeft hiervoor verwezen naar de door haar bij het beroepschrift gevoegde berekening van de besparing. Naar de mening van appellante betekent dit dat aan de vereiste besparingsnorm is voldaan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerder terecht heeft beslist dat met de investeringen in de aangemelde armaturen niet is voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van de bijlage bij de Uitvoeringsregeling genoemde minimum besparingsnorm van 0,4 Nm3 a.e. per jaar per geïnvesteerde euro. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

5.2 Tussen partijen is de wijze waarop de energiebesparing als gevolg van de vervanging van de armaturen wordt berekend, in geschil. Hierbij spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de berekening van de energiebesparing van de armaturen, een aantal van 2100 branduren per jaar als uitgangspunt dient te gelden. Het College beantwoordt die vraag bevestigend.

5.3 Het College heeft bij dit oordeel betrokken de door appellante zelf verstrekte gegevens, zoals hierboven in rubriek 2.2 weergegeven. In haar brief van 14 oktober 2003 heeft appellante immers uitdrukkelijk te kennen gegeven dat, uitgaande van 2100 uur per jaar, sprake zal zijn van een besparing per armatuur van 282 KWh per jaar. Voorts is in dit verband van betekenis dat hiervoor weergegeven verklaring door appellante is gedaan in reactie op de brief van verweerder van 2 oktober 2003, waarin hij appellante uitdrukkelijk heeft verzocht om een berekening te overleggen van de energiebesparing in kWh per jaar ten opzichte van het historische energiegebruik van de oude armaturen. Nu het aantal door appellante opgegeven branduren niet als kennelijk irreëel kan worden aangemerkt, heeft verweerder het bestreden besluit terecht op dat aantal gebaseerd. Hetgeen appellante in beroep naar voren heeft gebracht terzake van de in haar brief genoemde 2100 branduren per jaar, kan hieraan niet afdoen.

5.4 Appellante heeft eerst in beroep naar voren gebracht dat, samengevat weergegeven, geen sprake is van 2100, doch van 2600 tot 2860 branduren per jaar, zodat wel is voldaan aan de minimum energiebesparingseis. In dit kader heeft appellante een overzicht van haar berekeningen bijgevoegd. Aan dit betoog en de inhoud van dit overzicht kunnen in verband met de aard en de omvang van de onderhavige toetsing geen argumenten worden ontleend voor het onrechtmatig achten van het bestreden besluit.

Ook anderszins ziet het College geen aanleiding om de berekeningen van de energiebesparing door verweerder, zoals neergelegd in het bestreden besluit, voor onjuist te houden.

5.5 Op grond van het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit op goede gronden heeft beslist dat niet is voldaan aan de energiebesparing van ten minste 0,4 Nm3 a.e. per jaar per geïnvesteerde euro, zoals vereist in artikel 2, eerste lid, van de bijlage bij de Uitvoeringsregeling. Dit betekent dat verweerder ingevolge voormeld artikellid juncto artikel 3.42, zevende lid, Wet IB 2001 was gehouden de door appellante gevraagde verklaring met betrekking tot de aangemelde armaturen te weigeren.

5.6 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. I.K. Rapmund