Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AS4440

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
01-02-2005
Zaaknummer
AWB 03/1207
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants, geldigheid: 2005-01-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/1207 25 januari 2005

20010 Wet op de registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A RA, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 30 juli 2003,

gemachtigde: mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 30 juli 2003, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 28 februari 2002 door 1. de Stichting Gay & Lesbian Games Amsterdam 1998,

2. B,

3. C en

4. D,

(hierna: klagers),

ingediend tegen A RA (hierna: appellant).

Bij een op 30 september 2003 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld. De raad van tucht heeft bij brief van 6 oktober 2003, ingekomen op 7 oktober 2003, op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 4 december 2003 heeft het College van klagers een verweerschrift ontvangen.

Op 9 november 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Namens klagers heeft mr. H. van Lier, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd, terwijl klager sub 2 in persoon is verschenen. Appellant is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde, mr. Van Rijswijk voornoemd.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klachtonderdelen a), e), en f) gegrond verklaard en te dier zake aan appellant de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Grief 1 van appellant komt op tegen het oordeel van de raad van tucht in overweging 4.1., waarin klachtonderdeel a, inhoudende dat het beginsel van hoor en wederhoor ernstig is geschonden, gegrond is verklaard.

De raad van tucht heeft hiertoe overwogen dat “betrokkene de conceptrapportage gedurende lange tijd heeft opgehouden, zonder klagers van de inhoud ervan op de hoogte te stellen, laat staan de gelegenheid te geven hun standpunten dienaangaande kenbaar te maken, zulks terwijl de opdrachtgevers, de advocaat van een beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en zelfs één van de crediteuren van de Stichting reeds geruime tijd over genoemde conceptrapportage beschikten.”

Het vorenstaande brengt de raad van tucht vervolgens tot het oordeel dat het voor betrokkene voorzienbaar was dat klagers, anders dan door toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor, met de inhoud van die conceptrapportage op onaangename wijze zouden - kunnen - worden geconfronteerd, zodat op die grond klachtonderdeel a slaagt.

3.2 Het College overweegt naar aanleiding hiervan dat het toepassen van hoor en wederhoor in de eerste plaats van belang is als middel ter verkrijging van een deugdelijke grondslag, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, GBR-1994. Ingevolge dit voorschrift doet de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, en draagt hij er zorg voor dat zijn mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid.

Genoemd voorschrift heeft tevens betrekking op de zorgvuldigheid van de voorbereiding van een document, bevattende de uitkomst van de arbeid van een registeraccountant, zoals een door hem opgesteld rapport.

Het College is van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat appellante door het achterwege laten van hoor en wederhoor in de door de raad van tucht genoemde zin, heeft gehandeld in strijd met de hiervoor geformuleerde zorgvuldigheidsnorm.

Hiertoe overweegt het College het volgende.

Vaststaat dat de eerste conceptrapportage, die stamt uit begin maart 1999, niet op enig moment aan klagers ter inzage is gegeven of ter hand is gesteld.

Hoewel het achteraf bezien de voorkeur zou hebben verdiend dat klagers wel in de gelegenheid zouden zijn gesteld commentaar te geven op dit concept-rapport - waarbij het College direct aantekent begrip te hebben voor de beslissing van betrokkene om dit voorlopige rapport in een zo klein mogelijke kring bekend te maken in verband met mogelijke “lekken” - kan dit nalaten van appellant niet worden beschouwd als tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Dit zou anders zijn geweest indien het commentaar van klagers reeds in dit vroege stadium van het onderzoek essentieel zou zijn geweest om tot een deugdelijke grondslag voor de rapportage te komen. Zulks is evenwel niet aangetoond, waarbij het College overweegt dat appellant in het kader van zijn onderzoek interviews heeft afgenomen met klagers sub 2 tot en met 4. Appellant heeft de geïnterviewden in de gelegenheid gesteld terzake van de hiervan gemaakte verslagen opmerkingen te plaatsen, welke opmerkingen ook - zo stellen klagers zelf - door appellant in zijn rapportage zijn overgenomen.

3.3 Het College is voorts van oordeel dat evenmin kan worden staande gehouden dat appellante - anderszins - tekort heeft gedaan aan de belangen van klagers door geen hoor en wederhoor in eerderbedoelde zin toe te passen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Appellant stelt dat het onderzoek in de beginperiode was gericht op het achterhalen van de feiten die ten grondslag lagen aan het debacle van de Gay Games en dat hierbij de schuldvraag met betrekking tot klagers of andere natuurlijke personen niet centraal stond.

Wat hier van zij - het eerste conceptrapport van maart 1999 vormt geen onderdeel van het procesdossier zodat het College hieromtrent ook geen oordeel geeft - duidelijk is dat deze conceptrapportage niet negatief was voor klagers. Het College leidt dit af uit de publicatie in NRC-Handelsblad van 31 maart 1999, waarin als conclusie van dit rapport wordt vermeld dat “Voor het financiële debacle van de Gay Games in Amsterdam zijn geen schuldigen aan te wijzen.”

Aangezien klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij er nadeel van hebben ondervonden doordat zij niet zijn geïnformeerd omtrent de inhoud van het eerste concept-rapport en zij pas later kennis hebben genomen van de opvolgende versies van het rapport, ziet het College geen grond voor het oordeel dat ook al zouden klagers - zoals de raad van tucht heeft overwogen - “met de inhoud van die conceptrapportage op onaangename wijze zouden - kunnen - worden geconfronteerd”, appellant door evenbedoelde informatie niet te verstrekken, in tuchtrechtelijk opzicht verwijtbaar heeft gehandeld.

Het College neemt in dit verband voorts in overweging dat niet in geschil is dat in de periode vanaf juli 1999 veelvuldig contact is geweest tussen appellant en klagers, terwijl klagers onder meer in augustus 1999 een gedetailleerd commentaar op het tweede conceptrapport van 29 juni 1999 aan appellant hebben doen toekomen, later aangevuld met een financiële analyse die is gedateerd op 10 oktober 1999.

De opvolgende aangepaste concepten zijn vervolgens steeds voor commentaar voorgelegd aan klagers, van welke gelegenheden klagers ook gebruik hebben gemaakt, waarna uiteindelijk op 13 februari 2001 de Eindrapportage is verschenen.

3.4 De grieven 2 en 3 zijn gericht tegen het oordeel van de raad van tucht, dat het door appellant opgestelde rapport een deugdelijke grondslag ontbeert, alsmede dat het onderzoek van appellant leed aan een gebrek aan professionaliteit en onnodig schade heeft toegebracht aan klagers.

Gezien de door de raad van tucht tussen deze klachtonderdelen aangebrachte samenhang, zal het College deze grieven, die naar het oordeel van het College beide doel treffen, gezamenlijk behandelen.

Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht de opmerking van appellant ter zitting omtrent het ontbreken van een deugdelijke grondslag, onjuist uitgelegd. In de gewraakte opmerking, zoals die is weergegeven in overweging 4.5. van de bestreden beslissing van de raad van tucht, leest het College, anders dan de raad van tucht, niet dat appellant klachtonderdeel e) van klagers, luidende dat het onderzoek ernstig onvolledig is geweest, als gevolg waarvan de conclusies van een onvoldoende deugdelijke grondslag zijn voorzien, zou onderschrijven. Het College volgt appellant in zijn betoog dat hij met deze opmerkingen heeft gepoogd nader uiteen te zetten waarom de Eindrapportage geen sluitende analyse voor het ontstane tekort bevat, hetgeen reeds in paragraaf 2.1.1 van zijn Eindrapportage is verklaard. Deze analyse ontbrak - kort gezegd - omdat de beschikbare en aan appellant aangeleverde informatie hiertoe volgens appellant niet van voldoende kwaliteit was.

Het verwijt van de raad van tucht aan appellant dat hij grotere terughoudendheid diende te betrachten met het maken van opmerkingen (in de vorm van beantwoording van vragen) in zijn rapport omtrent het - financiële - beheer van de Stichting en van haar bestuurders, is geheel gebaseerd op voormelde onjuiste interpretatie van hetgeen appellant ter zitting van de raad van tucht omtrent het ontbreken van een deugdelijke grondslag heeft aangevoerd kan dan ook op die grond geen doel treffen. Het College ziet ook overigens geen grond voor dit niet gesubstantieerde verwijt.

3.5 Het College ziet verder geen grond voor de conclusie dat betrokkene voor zijn in de Eindrapportage opgenomen gegevens en beweringen, (waaronder de opmerking dat kwantitatieve uitspraken omtrent de oorzaken van het deficit niet mogelijk waren), niet over een deugdelijke grondslag beschikte.

3.6 Het College volgt de raad van tucht evenmin in diens oordeel dat het onderzoek van appellant leed aan een gebrek aan professionaliteit en onnodige schade heeft toegebracht aan klagers. Daartoe overweegt het College het volgende.

De raad van tucht acht het in dit kader - kort gezegd - verwijtbaar dat appellant zijn opdracht niet heeft teruggegeven toen hem duidelijk was geworden dat een sluitende analyse van het ontstane deficit niet mogelijk bleek.

Het College merkt te dien aanzien allereerst op dat deze door de raad van tucht aan betrokkene verweten gedraging geen onderdeel vormt van de klacht, zodat de raad van tucht hierover ten onrechte een oordeel heeft geveld. De raad van tucht kan weliswaar ambtshalve een klacht(onderdeel) uitbreiden, doch zulks kan niet - zoals in casu aan de orde - voor het eerst en onaangekondigd ter zitting van de raad van tucht geschieden.

De beslissing om de opdracht, al dan niet, terug te geven is overigens voorbehouden aan appellant en aan diens opdrachtgevers en kan op zichzelf niet als tuchtrechtelijk verwijtbaar worden bestempeld.

Hetgeen de raad van tucht in de overwegingen 4.7 en 4.8 oordeelt, kan het College andermaal niet volgen.

Klagers zijn naar het oordeel van het College uitsluitend door hun hoedanigheid van bestuurders van de Stichting “in een discussie over bestuurdersaansprakelijkheid verzeild geraakt”. De oorzaak hiervoor kan niet worden gevonden in de Eindrapportage van appellant. Van appellant kan voorts - anders dan de raad van tucht meent - niet worden gevergd dat hij rekening houdt met eventuele onzorgvuldige gedragingen van derden in verband met de door de raad van tucht in de overwegingen 4.7 en 4.8 gememoreerde politieke belangen.

3.7 Gelet op het vorenoverwogene treffen de drie grieven van appellant doel en kan de bestreden tuchtbeslissing niet in stand blijven. Het College zal derhalve het beroep van appellant gegrond verklaren en de bestreden tuchtbeslissing vernietigen, voor zover daarbij de klacht gegrond is verklaard.

Het College kan de zaak zelf afdoen. Uit het vorenstaande volgt dat de klacht, voor zover daarop, gezien de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden tuchtbeslissing, opnieuw moet worden beslist, ongegrond moet worden verklaard. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

Na te melden beslissing op het beroep van appellant rust op titel II, § 6, Wet RA.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing, voorzover daarbij de klacht gegrond is verklaard en, opnieuw rechtdoende, verklaart

de klacht alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. van der Ham, en mr. J.H.W. de Planque, in tegenwoordigheid van mr. Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2005.

w.g. H.C. Cusell w.g. Th.J. van Gessel