Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR6920

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-11-2004
Datum publicatie
06-12-2004
Zaaknummer
AWB 03/1440
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 03/1440 26 november 2004

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigden: L.W. Verspaandonk en G.W.A.M. Hoefnagel

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

gemachtigde: mr. K.J.H. Terwal, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 1 december 2003, bij het College binnengekomen op

5 december 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) genomen besluit van 20 juni 2002.

Bij brief van 21 januari 2004 heeft appellante een nadere toelichting gegeven op haar beroep.

Bij brief van 30 maart 2004 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, waarna hij bij brief van 8 april 2004 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 augustus 2004 heeft verweerder, op verzoek van het College, enige nadere stukken overgelegd.

Op 15 oktober 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (Pb L160, blz. 21) luidt voor zover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 6

Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf, kan op hun verzoek een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). (…)”

Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen ( Pb 1999; L281; blz. 30), luidt onder meer als volgt:

“Artikel 23

Gebruik van de premierechten

1. (…)

2. Wanneer een producent in de loop van een jaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten gebruikt, wordt het niet gebruikte deel aan de nationale reserve overgedragen, behalve:

- wanneer de producent over maximaal zeven premierechten beschikt; indien deze producent in twee opeenvolgende kalenderjaren niet telkens ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten heeft gebruikt, wordt het niet gebruikte deel van het laatste kalenderjaar aan de nationale reserve overgedragen

- (…)

of

- in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen.

3. (…)

4. Het minimumpercentage voor het gebruik van de premierechten wordt vastgesteld op 70 %.

De lidstaten kunnen dit percentage evenwel verhogen tot 90 %.

(…)”

De Regeling luidt voor zover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 1.1

1. (…)

bedrijf:

a. geheel van de door de producent beheerde of te zijner beschikking gestelde produktie-eenheden die in Nederland zijn gelegen waarvan hij eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter is, dan wel pachter op basis van een door de grondkamer goedgekeurd of geregistreerd pachtcontract, dan wel

b. (…)

c. de in Nederland gelegen bedrijfsgebouwen waarvan de producent op basis van een schriftelijke overeenkomst ten minste gedurende de aanhoudperiode het gebruik heeft, of (…)

2. (…)

Artikel 6.3

Het minimumpercentage voor het gebruik van premierechten voor zoogkoeien, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van verordening 2342/1999, bedraagt 90.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In het jaar 2001 stonden op naam van appellante 6,2 premierechten geregistreerd.

- Op 24 augustus 2001 heeft appellante een aanvraag zoogkoeienpremie verkoopseizoen 2001 ingediend voor 4 dieren.

- Naar aanleiding van een op 7 februari 2002 uitgevoerde controle door de AID is een rapport fysieke controle opgemaakt waarin onder meer staat vermeld;

“Volgens I&R systeem is het bedrijfsadres C te B. Dit adres is echter niet meer bestaand ivm aanleg wegen en uitbreiding. Tijdens controle zijn de runderen aanwezig in een rundveestal, gelegen aan de D ongenummerd te E. Volgens vertegenwoordiger is deze stal eigendom van F, wonende G te E. Vertegenwoordiger verklaart deze stal van F in gebruik te hebben, echter zonder schriftelijke overeenkomst. Vertegenwoordiger/aanvrager kan tijdens controle geen schriftelijke overeenkomst tonen, inzake gebruik van deze stal.”

- Bij brief van 4 juni 2002 heeft verweerder appellante meegedeeld dat hij voornemens is het aan appellante toe te kennen aantal premierechten wegens onderbenutting te verminderen met 2,2.

- Bij brief van 12 juni 2002 heeft appellante uiteengezet waarom zij zich niet met dit voornemen kan verenigen.

- Bij besluit van 20 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag zoogkoeienpremie voor 4 dieren afgewezen, omdat de aangevraagde dieren niet op het bedrijf van appellante zijn aangehouden. Tevens heeft verweerder in dit besluit het aantal aan appellante toe te kennen premierechten met 2,2 verminderd in verband met onderbenutting in 2001.

- Op 29 juli 2002 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend.

- Na een op 22 juli 2003 gehouden hoorzitting heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende overwogen.

De omstandigheden rond en gevolgen van de gedwongen ontruiming van het bedrijf van appellante in 1998, zo deze al als overmacht zijn aan te merken, ontslaan appellante niet van de verplichting om zich aan de voorwaarden van de Regeling te houden. De omstandigheid dat appellante de door haar voor premie aangemelde 4 dieren niet heeft aangehouden in een stal, die op grond van een schriftelijke huurovereenkomst tot haar bedrijf kan worden gerekend, maken dat appellante op goede gronden voor deze dieren geen zoogkoeienpremie is toegekend. Appellante voldoet daarmee immers niet aan de in de Regeling neergelegde voorwaarde dat de aanvrager van premie zijn dieren moet aanhouden op zijn bedrijf.

Aangezien appellante over het jaar 2000 geen zoogkoeienpremie heeft aangevraagd en over het jaar 2001 van de 6,2 toegekende premierechten er slechts 4 heeft benut- hetgeen een bezettingspercentage van minder dan 90% oplevert- heeft toepassing van het bepaalde in artikel 23, tweede en vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 er toe geleid dat de 2,2 in het jaar 2001 niet benutte premierechten aan de nationale reserve zijn overgedragen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Appellante had een bedrijf op het adres C te B. In het kader van een onteigeningsprocedure werd geen overeenstemming bereikt. Uiteindelijk leidde dit tot een gedwongen ontruiming van het bedrijf in oktober 1998. Daarbij werden de dieren van appellante, met instemming van de Gezondheidsdienst voor Dieren, maar geheel in strijd met de geldende regels, afgevoerd naar een voor appellante aanvankelijk onbekende plek. Gevolg hiervan was dat appellante, die vervangende woonruimte verkreeg in een woning- niet geschikt om daar de veehouderij uit te oefenen- te B, in 1999 wel over dieren beschikte, maar niet meer over een bedrijf. Daarom konden in dat jaar de toegekende 7 premierechten niet worden benut. Dat appellante daardoor haar 7 premierechten kwijt raakte werd recht gezet in het kader van een bezwaarprocedure.

Ook in 2001 was de situatie van appellante nog zo dat zij op het aangehouden oude bedrijfsadres feitelijk geen bedrijf meer uitoefende, maar dat zij haar dieren, als noodoplossing, had ondergebracht in een stal van F. Daarvoor was geen schriftelijke huurovereenkomst afgesloten.

Nu deze voor appellante pijnlijke en moeilijk te aanvaarden situatie veroorzaakt is door rechtens verwijtbaar optreden van met name de Gezondheidsdienst voor Dieren in de periode rond de ontruiming in oktober 1998, brengen redelijkheid en billijkheid met zich dat verweerder daarmee rekening had moeten houden. Onder deze omstandigheden gaat het niet aan appellante geen zoogkoeienpremie voor 4 dieren toe te kennen en evenmin kan dit er in redelijkheid toe leiden dat appellante 2,2 premierechten kwijtraakt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het geschil beperkt zich tot de vraag of verweerder op goede gronden heeft kunnen besluiten appellante over het jaar 2001 geen zoogkoeienpremie toe te kennen en of terecht besloten is 2,2 premierechten van appellante aan de nationale reserve te laten vervallen. Dit betekent dat in het kader van dit geschil de vraag of de Gezondheidsdienst in 1998 rechtmatig heeft gehandeld niet aan de orde kan worden gesteld.

5.2 Door appellante is niet weersproken dat zij in 2000 geen zoogkoeienpremie heeft aangevraagd. Evenmin is in geschil dat appellante in 2001 slechts voor 4 dieren zoogkoeienpremie heeft aangevraagd, terwijl zij voor dat jaar over 6,2 premierechten beschikte. Daarmee staat vast dat appellante in 2001 in ieder geval 2,2 van de toegekende 6,2 premierechten niet heeft benut. Dit leidt tot de conclusie dat appellante twee achtereenvolgende jaren niet tenminste 90% van de haar toegekende premierechten heeft benut. Verweerder was vervolgens- behoudens uitzonderlijke naar behoren gemotiveerde gevallen- gehouden om, op grond van artikel 23, tweede lid, eerste gedachtestreepje, van Verordening (EG) nr. 2342/1999, 2,2 premierechten aan de nationale reserve over te dragen.

5.3 Met haar betoog dat de onderbenutting van premierechten veroorzaakt is door in haar ogen onrechtmatig optreden van de Gezondheidsdienst voor Dieren in 1998 beoogt appellante kennelijk een beroep op overmacht te doen. Dit betoog kan niet slagen waartoe het College het volgende overweegt.

Gelet op diverse uitspraken van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen is er slechts sprake van overmacht indien appellante haar premierechten niet zou hebben kunnen benutten tengevolge van onverwachte van buiten komende oorzaken welke een abnormaal karakter hebben en welker gevolgen zij ondanks de nodige diligentie slechts ten koste van onevenredig zware offers had kunnen vermijden. Het College meent dat niet valt in te zien, dat de door appellante gestelde omstandigheden in 1998- hoe zeer ook te begrijpen valt dat deze door appellante als pijnlijk zijn ervaren- ook in de jaren 2000 en 2001, het appellant onmogelijk maakten de haar toegekende premierechten voor meer dan 90% te benutten. Bijgevolg werden 2,2 premierechten, wegens onderbenutting, terecht overgedragen aan de nationale reserve.

5.4 Ook de grieven van appellante tegen verweerders besluit om haar in 2001 geen zoogkoeienpremie te verlenen voor de 4 daarvoor aangemelde dieren kunnen niet slagen.

Het College overweegt daartoe het volgende.

Door appellante is niet weersproken dat genoemde 4 dieren door haar worden aangehouden in een aan F te E toebehorende stal. Voor deze stal is door appellante geen schriftelijke huurovereenkomst afgesloten. Daarmee voldoet appellante niet aan de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 neergelegde, en in de Regeling nader uitgewerkte, voorwaarde dat zoogkoeienpremie slechts kan worden toegekend voor dieren die op het bedrijf van appellante worden aangehouden. Nu er geen schriftelijke huurovereenkomst voor genoemde stal bestaat behoort deze stal op grond van de in artikel 1.1 van de Regeling gegeven definitie van “bedrijf” niet tot het bedrijf van appellante. Verweerder was daarom gehouden de aanvraag af te wijzen.

5.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5.6 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2004.

w.g. J.A. Hagen w.g. F.W. du Marchie Sarvaas