Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR6641

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-11-2004
Datum publicatie
30-11-2004
Zaaknummer
AWB 04/911 en 04/933
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet herstructurering varkenshouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

AWB 04/911 en 04/933 24 november 2004

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken van:

1. NP1, wonend te X, verzoeker in beide zaken,

2. RP1, gevestigd te X, thans RP2, gevestigd te Y, verzoekster in beide zaken,

3. RP3, gevestigd te X, verzoekster in beide zaken,

4. NP2, wonend te Z, verzoekster in zaak 04/911,

gemachtigden: mr. J.J.J. de Rooij en mr. Th.J.H.M. Linssen, beiden advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: B. Raven, werkzaam bij Bureau Heffingen te Assen.

1. De procedures

Op 4 november 2004 hebben verzoekers sub 1, 2 en 3 (hierna gezamenlijk aan te duiden als NP1 c.s.) verweerder verzocht, het door verweerder bij besluit van 5 maart 2003 met toepassing van artikel 27, eerste lid, van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) aan verzoekster sub 2 opgelegde dagquotum van nihil binnen vijf dagen in te trekken.

Bij besluit van 5 november 2004 heeft verweerder met verwijzing naar artikel 27, vierde lid, Whv geweigerd een overdracht van 423 verhandelbare niet-fokzeugenrechten van verzoeker sub 1 naar verzoekster sub 4 te registreren.

Op 9 november 2004 hebben verzoekers bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 november 2004.

Bij faxbericht van eveneens 9 november 2004 hebben verzoekers de voorzieningenrechter van het College verzocht het besluit van 5 november 2004 te schorsen en verweerder op te dragen voormelde overdracht alsnog te registreren. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 04/911.

Bij brief van 15 november 2004 hebben verzoekers nadere stukken ingezonden.

Eveneens op 15 november 2004 hebben NP1 c.s. bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun verzoek van 4 november 2004.

Bij faxbericht van 16 november 2004 hebben NP1 c.s. de voorzieningenrechter verzocht verweerder op te dragen binnen zeven dagen alsnog te beslissen op de aanvraag van 4 november 2004 en deze aanvraag in te willigen, althans het besluit van 5 maart 2003 te wijzigen, althans te bepalen dat de varkensrechten die in het kader van een leaseconstructie ter registratie aan verweerder zijn aangeboden, nadat zij op naam van NP1 c.s. als benutbaar in 2004 zijn geregistreerd, weer op naam van de zes oorspronkelijke eigenaren worden geregistreerd.

Bij faxbericht van 17 november 2004 heeft verweerder een nader stuk ingezonden.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken behandeld ter zitting van 19 november 2004. Aldaar waren aanwezig NP1, mr. Th.J.H.M. Linssen en mevrouw B. Raven.

2. De grondslag van de geschillen

Voor een weergave van relevante wetgeving en van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar rubriek 2 van de bij partijen bekende uitspraak van 1 juli 2004 van het College in zaak 03/1502 (www.rechtspraak.nl, LJN AQ7402). Bij die uitspraak is het beroep van verzoekster sub 2 tegen de handhaving in bezwaar van het besluit van 5 maart 2003 van verweerder, waarbij verzoekster sub 2 een dagquotum van nihil is opgelegd, ongegrond verklaard.

3. De beoordeling van de verzoeken

3.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan de voorzieningenrechter van het College, hangende bezwaar en indien tegen de beslissing op dat bezwaar beroep bij het College kan worden ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt verweerder niet bij het beslissen op de in rubriek 1 genoemde bezwaren van verzoekers onderscheidenlijk NP1 c.s. en is evenmin bindend voor het College, oordelend op een eventueel beroep tegen de door verweerder te nemen besluiten op deze bezwaren.

3.2 Kern van het geschil in zaak 04/911 is de vraag of artikel 27, vierde lid, Whv in de weg staat aan registratie van hetgeen verzoekers wensen. Verzoekers staat voor ogen dat verzoekster sub 4 varkensrechten levert aan verzoeker sub 1, dat verweerder deze rechten registreert als in 2004 benutbaar door verzoeker sub 1, dat verzoeker sub 1 de desbetreffende rechten na deze registratie teruglevert aan verzoekster sub 4 en dat verweerder deze rechten vervolgens registreert als (toebehorend aan, maar) in 2004 niet meer benutbaar door verzoekster sub 4. Verzoekers spreken in dit verband van het leasen van varkensrechten. Verweerder is wel bereid de overdracht van varkensrechten door verzoekster sub 4 aan verzoeker sub 1 te registreren, maar stelt dat artikel 27, vierde lid, Whv in de weg staat aan (registratie van) de teruglevering van deze rechten aan verzoekster sub 4.

3.2.1 Bij de beoordeling van het verzoek in zaak 04/911 stelt de voorzieningenrechter voorop dat, wat verder ook zij van de rechtsverhouding(en) tussen verzoekers sub 1, 2 en 3, het bij besluit van 5 maart 2003 opgelegde dagquotum rust op het bedrijf dat wordt geëxploiteerd op het adres P te X. Eveneens staat vast dat NP1 c.s. de rechten die verzoeker sub 1 van verzoekster sub 4 wil leasen, willen aanwenden voor de exploitatie van het varkensbedrijf op dit adres. Gelet hierop is artikel 27, vierde lid, Whv, waarin is bepaald dat, zolang op een bedrijf een dagquotum rust, geen registratie plaatsvindt van een kennisgeving die betrekking heeft op het op het desbetreffende bedrijf rustende varkensrecht, van toepassing op de door verzoekers voorgestane leaseconstructie.

3.2.2 Het opleggen van een dagquotum strekt ertoe dat een einde wordt gemaakt aan de situatie dat op een bedrijf meer varkens worden gehouden dan ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Whv is toegestaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat artikel 27, vierde lid, Whv eraan in de weg staat dat een bedrijf waarop een dagquotum rust varkensrechten vervreemdt. Oplegging van het dagquotum vindt immers plaats als een aan het algemene verbod van artikel 15 Whv complementaire maatregel teneinde (stelselmatige) overtreding van dat verbod op eenvoudige wijze, zonodig dagelijks, te kunnen controleren.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers geen steekhoudende argumenten aangedragen voor hun opvatting dat artikel 27, vierde lid, Whv niet in de weg staat aan het vervreemden van varkensrechten met behulp van een leaseconstructie. In aanmerking genomen dat verzoekers - met verweerder en de voorzieningenrechter - van oordeel zijn dat artikel 27, vierde lid, Whv niet in de weg staat aan het aankopen van varkensrechten door een bedrijf waarop een dagquotum rust, zou dit artikellid zinledig zijn indien het wordt uitgelegd op de wijze als door verzoekers is bepleit. Voorts zou het opleggen van een dagquotum bij deze uitleg van artikel 27, vierde lid, Whv zijn betekenis grotendeels, zo niet volledig, verliezen. Het ligt bepaald niet in de rede te veronderstellen dat dit de bedoeling van de wetgever is geweest.

3.2.3 Ook overigens bestaat naar voorlopig oordeel geen aanleiding de door verweerder gegeven toepassing aan artikel 27, vierde lid, Whv in strijd te achten met tekst of strekking van deze bepaling.

Met betrekking tot de strekking van deze bepaling overweegt de voorzieningenrechter dat vervreemding van varkensrechten door een bedrijf waarop een dagquotum rust het reeds bestaande tekort aan varkensrechten van dit bedrijf verder doet toenemen, terwijl met de aankoop van varkensrechten juist een einde kan worden gemaakt aan de situatie dat op het desbetreffende bedrijf meer varkens worden gehouden dan op grond van de Whv is toegestaan. Het vervreemden van varkensrechten is dan ook in strijd met de hierboven in § 3.2.2 genoemde strekking van een dagquotum, terwijl het verwerven van varkensrechten hiermee juist in overeenstemming is.

Wat betreft de tekst van artikel 27, vierde lid, Whv overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat deze bepaling in de weg staat aan registratie van een kennisgeving "die betrekking heeft op het op het desbetreffende bedrijf rustende varkensrecht". De kennisgeving van een vervreemding van varkensrechten heeft betrekking op het varkensrecht dat op het bedrijf van de vervreemder rust, omdat (een gedeelte van) dit varkensrecht wordt overgedragen. Te verwerven varkensrechten rusten voorafgaand aan de registratie van de in artikel 27, vierde lid, Whv bedoelde kennisgeving niet op het verwervende bedrijf, maar op het vervreemdende bedrijf. De tekst van artikel 27 vierde lid, Whv staat er naar voorlopig oordeel dan ook niet aan in de weg dat verweerder onderscheid maakt tussen enerzijds het vervreemden en anderzijds het verwerven van varkensrechten door een bedrijf waarop een dagquotum rust.

De voorzieningenrechter ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat artikel 27, vierde lid, Whv in de weg staat aan hetgeen verzoekers wensen.

3.2.4 Al hetgeen verzoekers verder hebben aangevoerd stuit op het vorenstaande af. Dit geldt ook voor hun stelling dat ongerijmd is dat uitgerekend het dagquotum, bedoeld als prikkel om niet meer varkens te houden dan ingevolge de Whv is toegestaan, een onneembare hindernis zou mogen vormen om het aantal gehouden varkens in overeenstemming te brengen met het op het bedrijf rustende varkensrecht. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is een lease niet de enige manier om het aantal op het bedrijf gehouden varkens in overeenstemming te brengen met de Whv: NP1 c.s. kunnen ook minder varkens gaan houden of varkensrechten kopen. Dat dit laatste onmogelijk zou zijn, is door NP1 c.s. niet met behulp van objectief verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt en wordt door verweerder bestreden. Bovendien hebben NP1 c.s. de thans ontstane situatie zelf in het leven geroepen door meer varkens te houden dan hun ingevolge de Whv is toegestaan.

3.2.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verzoek, geregistreerd onder nummer 04/911, moet worden afgewezen.

3.3 Met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening dat is geregistreerd onder nummer 04/933 moet allereerst worden beoordeeld of NP1 c.s. zich terecht op het standpunt stellen dat ten tijde van het indienen van het aan dit verzoek gerelateerde bezwaar van 15 november 2004 sprake was van het ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 4 november 2004. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

3.3.1 Op 4 november 2004 hebben NP1 c.s. verweerder verzocht het bij besluit van 5 maart 2003 opgelegde dagquotum binnen vijf dagen in te trekken. Dit verzoek is een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, Awb. De Whv bepaalt niet binnen welke termijn op een dergelijke aanvraag moet worden beslist. Bij gebreke van een wettelijke beslistermijn dient ingevolge artikel 4:13 Awb binnen een redelijke termijn op de aanvraag te worden beslist, welke redelijke termijn in ieder geval is verstreken indien het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven en evenmin een kennisgeving van uitstel van deze beschikking is uitgegaan.

3.3.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was op 15 november 2004 nog geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 4 november 2004. Het enkele feit dat NP1 c.s. verweerder een termijn van vijf dagen hebben gesteld, betekent nog niet dat dit een redelijke termijn is voor het nemen van het gevraagde besluit. Bovendien heeft verweerder verzoekers bij brief van 11 november 2004, dat is vier dagen voordat verzoekers bezwaar hebben gemaakt tegen vermeend niet tijdig beslissen, laten weten een beslissing te zullen nemen op het verzoek van 4 november 2004, nadat verzoeker sub 1 en de lessors hebben laten weten of zij de kennisgevingen van overdracht van de varkensrechten aan verzoeker sub 1 handhaven. Verweerder biedt deze gelegenheid aan de lessors in het licht van zijn - gezien het vorenoverwogene naar voorlopig oordeel terecht - ingenomen standpunt dat hij geen medewerking kan verlenen aan het registreren van kennisgevingen van teruglevering door verzoeker sub 1 aan de lessors. De voorzieningenrechter acht deze benadering van verweerder niet onjuist. Gesteld noch gebleken is dat NP1 c.s. reeds inhoudelijk hebben gereageerd op de brief van 11 november 2004. De voorzieningenrechter acht niet onaanvaardbaar dat het nemen van een besluit over het al dan niet registeren van de door verzoeker sub 1 anders dan door middel van lease verworven varkensrechten enige tijd in beslag neemt en dat een beslissing over het al dan niet (onverkort) handhaven van het dagquotum eerst daarna wordt genomen, alsook nadat NP1 c.s. inhoudelijk hebben gereageerd op de brief van 11 november 2004 van verweerder. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat op 15 november 2004 nog geen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb.

Voorzover NP1 c.s. stellen dat zij in onoverkomelijke problemen raken indien een beslissing op hun verzoek van 4 november 2004 nog langer uitblijft, overweegt de voorzieningenrechter dat is gesteld noch gebleken dat zij hun verzoek niet veel eerder hadden kunnen indienen, nog afgezien van het feit dat op hun bedrijf hoe dan ook, dagquotum of niet, niet meer varkens mogen worden gehouden dan correspondeert met het op dat bedrijf rustende varkensrecht.

3.3.3 De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat geen sprake is van een schriftelijke weigering een besluit te nemen (de a-grond van artikel 6:2 Awb). Voorts doet geen van de in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a of b, Awb omschreven situaties zich hier voor. De door NP1 c.s. gestelde telefonische mededeling van verweerder dat hij voornemens is het verzoek van 4 november 2004 af te wijzen, kan niet met een besluit op één lijn worden gesteld. Niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste, terwijl gezien de inhoud van verweerders brief van 11 november 2004 en de mededelingen van zijn gemachtigde ter zitting van 19 november 2004 niet kan worden staande gehouden dat op voorhand evident is hoe verweerders besluitvorming op dit verzoek zal uitvallen.

3.3.4 Gezien het vorenoverwogene verwacht de voorzieningenrechter dat verweerder het aan het verzoek in zaak 04/933 gerelateerde bezwaar van 15 november 2004 niet-ontvankelijk zal verklaren omdat het prematuur is ingediend en dat deze niet-ontvankelijkverklaring door het College, oordelend op een eventueel beroep terzake, in stand zal worden gelaten. Gelet hierop kan van het treffen van enigerlei voorziening in zaak 04/933 geen sprake zijn en dient het verzoek hiertoe te worden afgewezen.

3.3.5 Ten overvloede wordt, met verwijzing naar het vorenstaande, overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat op voorhand vaststaat dat verweerder rechtens geen andere keuze heeft dan intrekking of aanpassing het dagquotum. Ook in zoverre bestaat geen grond voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening in zaak 04/933. Het bij brief van 16 november 2004 meer subsidiair gevraagde, te weten dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat de varkensrechten die in het kader van een leaseconstructie ter registratie aan verweerder zijn aangeboden, nadat zij op naam van NP1 c.s. als benutbaar in 2004 zijn geregistreerd, weer op naam van de zes oorspronkelijke eigenaren worden geregistreerd, wijkt, voorzover het de transactie met verzoekster sub 4 betreft, niet af van het gevraagde in zaak 04/911 en komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. Voorzover het als meer subsidiaire gepresenteerde verzoek betrekking heeft op de overige lessors, komt het op de in § 3.2.1 tot en met § 3.2.4 aangegeven gronden evenmin voor toewijzing in aanmerking, daargelaten dat de andere lessors geen partij zijn in de onderhavige procedures en geen besluit aan de voorzieningenrechter is voorgelegd dat direct betrekking heeft op deze lessors. Dat NP1 c.s. en verweerder procedureafspraken hebben gemaakt, maakt dit niet anders.

3.4 De verzoeken moeten derhalve worden afgewezen. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2004.

w.g. M.A. van der Ham w.g. B. van Velzen