Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR6628

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-11-2004
Datum publicatie
30-11-2004
Zaaknummer
AWB 03/112
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 55 met annotatie van E.M. Vogelezang-Stoute
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/112 11 november 2004

32010 Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Uitspraak in de zaak van:

Belchim Crop Protection N.V., te Londerzeel (België), appellante,

gemachtigde: mr. A.A. Freriks, advocaat te Breda,

tegen

College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), gevestigd te Wageningen,

verweerder,

gemachtigden: mr. J.H. Geerdink, advocaat te ’s-Gravenhage en mr. M.K. Polano, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 15 januari 2003, bij het College binnengekomen op 16 januari 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 december 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift, ingediend tegen een besluit van 21 december 2001, strekkende tot afwijzing van het verzoek om verlenging van de toelating van het bestrijdingsmiddel Symphonie.

Bij brief van 12 februari 2003 heeft appellante de gronden van haar beroep nader uiteengezet.

Bij brief van 24 april 2003, ingekomen op 28 april 2003, heeft verweerder een verweerschrift alsmede op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

In de begeleidingsbrief bij bovengenoemd verweerschrift heeft verweerder met betrekking tot de bij het verweerschrift gevoegde producties 17 t/m 33 een beroep gedaan op artikel 8:29, lid 1, Awb.

Bij griffiersbrief van 8 mei 2003 is aan verweerder onder meer bericht dat het College voornoemd verzoek op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb aldus verstaat dat eerst in het geval een derde belanghebbende door het College in de gelegenheid zal worden gesteld aan de procedure deel te nemen, het College op dit verzoek zal dienen te beslissen en dit verzoek zich niet uitstrekt tot appellante.

Verweerder heeft bij brief van 9 mei 2003 deze interpretatie bevestigd.

Op 16 september 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door eerdervermelde gemachtigden. Voorts is ter zitting namens appellante, A, werkzaam bij appellante, verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De voor de beoordeling van het geschil van belang zijnde toepasselijke regelgeving.

Bij de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw 1962) was ten tijde hier van belang het volgende bepaald:

"Artikel 3

1. Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten indien:

a. op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt: voldoende werkzaam is;

2. geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of plantaardige produkten;

3. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens,hetzij direct, hetzij indirect;

4. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van dieren, hetzij direct, hetzij indirect;

5. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van degene die het middel toepast;

6. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van diegenen, die na toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen;

7. de hoedanigheid van voedingsmiddelen niet schaadt;

8. het welzijn van de te bestrijden gewervelde dieren niet onnodig schaadt;

9. geen schadelijke uitwerking heeft op het grondwater;

10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, (…)

(…)

Artikel 3a

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en kunnen beginselen voor de beoordeling worden

vastgesteld.

(…)

Artikel 4

(…)

2. Onze betrokken Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen gegevens en zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van behandeling daarvan.

(…)

Artikel 5

1. De toelating van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating kan één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating is voldaan.

Zonodig kan de toelating worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is.

(…)"

Ter uitvoering van artikel 3a Bmw 1962 is het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (hierna: Bmb) vastgesteld.

In het Bmb is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

"§ 1. Algemene bepalingen

Artikel l

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

c. NOEC: de hoogste concentratie van een stof in een toxiciteitstoets waarbij geen effect wordt waargenomen;

(…)

e. DT50: tijd die nodig is voor de omzetting van 50% van een hoeveelheid van een stof;

(…)

i. MTR: maximaal toelaatbaar risiconiveau waarbij het voortbestaan van 95% van de soorten binnen een ecosysteem volledig wordt gewaarborgd;

Artikel 3

1. Onverminderd het tweede lid, wordt een gewasbeschermingsmiddel slechts toegelaten indien het middel voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 7a gestelde regels, (…)

§ 2. Persistentie in de bodem

Artikel 5

1. Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben een DT50 van minder dan 90 dagen.

2. Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten vormen, bij laboratoriumproeven, geen grondgebonden residuen in hoeveelheden groter dan 70% van de begindosis na 100 dagen, en hebben geen mineralisatiesnelheid lager dan 5% binnen 100 dagen.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont:

a. dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten niet leidt tot een onaanvaardbare accumulatie in de bodem dan wel op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de

doelsoorten, en

b. dat de som van de concentraties waarin het middel en zijn omzettingsprodukten ontstaan, niet zodanig is dat het MTR voor bodemorganismen en organismen die afhankelijk zijn van deze bodemorganismen wordt overschreden twee jaar na het tijdstip waarop het middel voor het laatst is gebruikt, in de bovenste 20 cm van de bodem op de plaats waar het middel is gebruikt.

4. Bij regeling van Onze Minister worden voor de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop:

(…)

d. het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt bepaald;

(…)"

De Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (hierna: Rtb), een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Bmw 1962, luidt ten tijde hier van belang als volgt:

"Art. 7

-1. Aanvragen tot toelating van een bestrijdingsmiddel, tot verlenging van de toelating van een bestrijdingsmiddel en tot wijziging van de samenstelling of uitbreiding van het gebruiksgebied van een toegelaten bestrijdingsmiddel worden ingediend bij het college onder gebruikmaking van aldaar verkrijgbare formulieren.

(…)

-3. Een aanvraag tot verlenging van een toelating wordt tenminste 14 maanden voor de afloop van de toelating ingediend, met dien verstande dat, indien het een aanvraag betreft om verlenging van een toelating als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van de wet, de aanvraag ten minste tien maanden voor de afloop van de toelating wordt ingediend.

-4. Binnen twee weken na ontvangst van het aanvraagformulier wordt de ontvangst van de aanvraag onder mededeling van een aanvraagnummer aan de aanvrager schriftelijk bevestigd. Binnen twaalf weken na de ontvangst van zowel het aanvraagformulier als de op grond van het tweede lid verschuldigde aanvraagkosten wordt de aanvrager meegedeeld of de aanvraag in behandeling is genomen (…).

-5. Het college kan, indien de behandeling van een aanvraag tot verlenging van een toelating niet tijdig kan zijn afgerond, de betreffende toelating verlengen voor de duur die benodigd is voor de afronding van deze behandeling.

(…)

Art. 10

1. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vierendertig weken na ontvangst van het op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag, wordt de aanvrager een opgave gedaan van door hem, binnen een bij die opgave gestelde termijn alsnog te leveren dan wel aanvullend te leveren gegevens en van te verrichten onderzoekingen (...).

2. Binnen acht weken na de ontvangst van zowel de gegevens, bedoeld in het eerste lid, als het verschuldigde bedrag wordt de aanvrager meegedeeld of de gegevens in behandeling zijn genomen.

(...)

4. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan, indien de overgelegde gegevens aanleiding zouden kunnen zijn voor een besluit houdende gehele dan wel gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag, de procedure overeenkomstig het eerste en tweede lid éénmaal worden herhaald. De aanvrager dient aannemelijk te maken dat de door hem alsnog te leveren gegevens voor het college aanleiding kunnen zijn voor het nemen van een ander besluit dan bedoeld in de eerste volzin.

(…)

Art. 14

1. Het college neemt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een termijn van achtenveertig weken na de ontvangst van het op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag dan wel na het in behandeling nemen van de gegevens, bedoeld in artikel 10, en de ontvangst van het in verband met deze gegevens op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag, een besluit houdende toe- of afwijzing van de aanvraag.

2. In afwijking van het eerste lid neemt het college op een aanvraag voor een toelating als bedoeld in artikel 25c, eerste lid, van de wet, niet zijnde een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel dat op het moment van indiening van de aanvraag niet was toegelaten, dan wel op een verlenging van een toelating als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van de wet een besluit binnen tien maanden na de indiening van de aanvraag, mits de aanvraag binnen de daartoe op het aanvraagformulier aangegeven termijn volledig bij het CTB is ingediend en de op grond van de artikelen 37 en 38 verschuldigde bedragen binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn voldaan."

In de ter uitvoering van het Bmb gegeven Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000 (hierna: Rumb) - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

"§ 2. Persistentie in de bodem

Artikel 3

1. De DT50 van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsproducten worden vastgesteld aan de hand van standaard laboratoriumstudies met betrekking tot de omzettingssnelheid, zoals genoemd in het aanvraagformulier. Als DT50 wordt beschouwd de gemiddelde waarde van de naar standaardomstandigheden omgerekende uitkomsten van geschikt bevonden onderzoek; het beoordelen van de geschiktheid van het onderzoek geschiedt met toepassing van Bijlage I. Indien aan de hand van genoemde laboratoriumstudies een DT50 van 90 dagen of meer wordt vastgesteld, kan,

met toepassing van Bijlage II, alsnog door veldgegevens worden aangetoond dat de DT50 minder dan 90 dagen bedraagt.

(…)

4. Het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt bepaald overeenkomstig het daaromtrent gestelde door het College.

5. De som van de concentraties waarin een gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsproducten ontstaan, bedoeld in het derde lid, binnen het perceel in de bovenste 20 cm van de bodem is binnen twee jaar na de laatste toepassing kleiner dan het MTR, bedoeld in het vierde lid.

6. Van een onaanvaardbare accumulatie in de bodem is sprake als:

a. de DT50 gelijk is aan of hoger is dan 180 dagen, of

b. de DT50 tussen 90 en 180 dagen ligt en niet is voldaan aan het vijfde lid.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan:

- Op 30 september 1997 heeft de toenmalige toelatinghouder Aventis CropScience B.V. (hierna: Aventis) een aanvraag ingediend tot verlenging van de toelating van het bestrijdingsmiddel Symphonie op basis van de werkzame stof flutolanil. Het middel wordt toegepast als ontsmettingsmiddel voor pootaardappelen, bestemd voor de teelt van consumptie- en fabrieksaardappelen. De toepassing mag uitsluitend plaatsvinden door middel van een knolbehandeling. Voorts wordt het middel toegepast als schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt voor bloembollen. Deze toepassing mag uitsluitend plaatsvinden door middel van bolbehandeling.

- Bij brief van 30 november 2000 heeft verweerder het voornemen tot beëindiging van alle toepassingen van dit middel met ingang van 1 december 2001 bekend gemaakt, kortweg, omdat flutolanil in Symphonie niet aan de norm voor persistentie, zoals opgenomen in het Bmb, voldoet. Daarbij heeft verweerder Aventis in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken haar zienswijze omtrent dit voornemen kenbaar te maken.

- Bij besluit van - eveneens - 30 november 2000 heeft verweerder, onder meer onder verwijzing naar artikel 5 Bmw 1962, de toelating voor Symphonie procedureel verlengd tot 1 december 2001 teneinde de toelatinghouder in de gelegenheid te stellen gegevens te leveren ten behoeve van de berekening van een MTRbodem.

- Bij brief van 8 februari 2001 heeft Aventis op het voornemen tot beëindiging van de toelating gereageerd. Daarbij heeft zij de verwachting uitgesproken dat alle benodigde gegevens binnen de overgangstermijn konden worden overgelegd omdat zij reeds in een vroegtijdig stadium begonnen was met het uitvoeren van de betreffende studies.

- Aventis heeft voorts op 9 april 2001 en 2 oktober 2001 nadere brieven gezonden aan verweerder.

- Op 10 oktober 2001 heeft verweerder het RIVM opdracht gegeven om een samenvatting van de door Aventis geleverde milieugegevens op te stellen en aan de hand van deze gegevens een nieuw MTR vast te stellen.

- Op 22 oktober 2001 heeft Aventis per e-mail de draft van de Collembola studie en het rapport van de fungi studie verstrekt.

- Vervolgens is door het RIVM in het CSR-rapport 08604A00 van 29 oktober 2001, voorzover thans van belang, het volgende geconcludeerd:

"Bruikbare gegevens ten aanzien van collembola, schimmels, en planten ontbreken. Aangezien flutolanil wordt gebruikt in schimmelbestrijdingsmiddelen, wordt het voor een adequate beoordeling noodzakelijk geacht over gegevens ten aanzien van effecten op schimmels te beschikken. Het MTR kan derhalve niet worden afgeleid."

- Aventis is door verweerder vervolgens in de gelegenheid gesteld op dit rapport te reageren.

- In een CTB-vergaderstuk van 5 november 2001 is het voorstel geformuleerd het voornemen om alle toepassingen van het middel Symphonie per 1 december 2001 te beëindigen, om te zetten in een definitieve beëindiging, aangezien dit middel voor de toepassingen niet voldoet aan de Bmb-norm voor persistentie. Met betrekking tot de door Aventis geleverde gegevens houdt dit advies het volgende in:

"Collembola

(…)

De resultaten ten aanzien van overleving en reproductie vertonen een te grote spreiding om een betrouwbare schatting te maken van de NOEC. Aangezien complete informatie over de test ontbreken kunnen ook de geleverde ruwe meetgegeves niet gebruikt worden voor een nadere analyse.

Schimmels

De testen zijn uitgevoerd in agar-media en de resultaten kunnen niet omgerekend worden naar een NOEC in grond.

Planten

(…) Het rapport is opgezet conform OECD 208, maar de test als zodanig wijkt op een aantal punten af van deze richtlijn. (…) Gelet op deze tekortkomingen kan uit de studie geen bruikbare NOEC worden afgeleid en is de studie niet bruikbaar voor de MTR-afleiding.

Conclusie

Bruikbare gegevens ten aanzien van collembola, schimmels, en planten ontbreken. Het MTR kan derhalve niet worden afgeleid. Het is derhalve niet mogelijk een adequate risicobeoordeling uit te voeren ten aanzien van de persistentie van flutolanil in de bodem."

- Per e-mailbericht van 9 november 2001 heeft Aventis de conclusies van het RIVM uit het rapport van 29 oktober 2001 in dit zogenoemde Response Document tegengesproken.

- In de vergadering van 15 november 2001 heeft verweerder het advies van 5 november 2001 besproken.

- Op 26 november 2001 heeft Aventis een e-mailbericht verzonden aan verweerder.

- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 21 december 2001 de aanvraag tot verlenging van de toelating (van Aventis) afgewezen.

- Op 21 januari 2002 heeft Aventis daartegen een bezwaarschrift ingediend.

- Een door Aventis ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter van het College afgewezen bij uitspraak van 22 februari 2002 (AWB 02/319).

- Aventis heeft bij brief van 24 juli 2002 aanvullende gegevens aangaande Symphonie gezonden aan verweerder. Deze brief luidt voor zover thans van belang als volgt:

"Ingesloten zijn nieuw uitgevoerde studies nodig voor de beoordeling van de risico’s voor bodemorganismen. Tevens is een risico beoordeling voor bodemorganismen bijgesloten. Met de levering van deze gegevens is aangetoond dat Symphonie voldoet aan de norm voor persistentie."

- Op 11 september 2002 is appellante gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Hierbij heeft verweerder de bezwaren van Aventis gericht tegen zijn besluit van 21 december 2001 om de aanvraag tot verlenging van de toelating van het bestrijdingsmiddel Symphonie af te wijzen, onder overneming van het advies van 25 oktober 2002 van de Adviescommissie voor de bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

- Met ingang van 20 december 2002 is de toelating van (onder meer) het middel Symphonie in het register van toegelaten bestrijdingsmiddelen gesteld ten name van appellante.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Verweerder heeft in het bestreden besluit, met overneming van het advies van haar Adviescommissie voor de bezwaarschriften, ter afwijzing van een aantal door Aventis naar voren gebrachte bezwaren, volstaan met een verwijzing naar overwegingen die de voorzieningenrechter aan eerdergenoemde uitspraak van 22 februari 2002 ten grondslag heeft gelegd.

Het standpunt van appellante dat verweerder dusdoende het bestreden besluit niet heeft voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 Awb, moet als onjuist van de hand worden gewezen.

Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit in verband met de daarbij gebezigde redengeving in rechte stand kan houden, overweegt het College het volgende.

3.2 Dit geding spitst zich toe op de vraag of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft aangetoond dat aan de vereisten van artikel 5, lid 3, onder a en b, Bmb is voldaan en derhalve geen sprake is van een situatie waarin het bepaalde in artikel 5, lid 1, Bmb niet van toepassing is.

3.3 Appellante stelt zich dienaangaande primair op het standpunt dat uit de voorafgaand aan de primaire beslissing van 21 december 2001 door Aventis geleverde gegevens reeds een MTRbodem kon worden afgeleid. Uit deze gegevens blijkt, aldus appellante, dat geen sprake is van een onaanvaardbaar risico voor bodemorganismen, zodat de in geding zijnde toelating reeds bij dit besluit verlengd had moeten worden op grond van artikel 3 en 3a Bmw 1962.

Het College volgt appellante niet in dit betoog en verwijst hiertoe allereerst naar het besluit van 30 november 2000, waarin verweerder gebruik makend van zijn bevoegdheid op basis van artikel 5, eerste lid, Bmw 1962 en artikel 7, vijfde lid, Rtb, de toelating van het middel Symphonie procedureel heeft verlengd tot 1 december 2001, en het voornemen heeft geuit om alle toepassingen van het middel Symphonie met ingang van genoemde datum te beëindigen, tenzij binnen de gestelde overgangstermijn door middel van veldgegevens wordt aangetoond dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5, derde lid, Bmb.

Uitdrukkelijk is daarbij vermeld welke aanvullende gegevens Aventis nog diende over te leggen voor de bepaling van het MTRbodem. Het betrof onder meer een groeitoets met planten en studies met betrekking tot schimmels en Collembola.

Vaststaat dat Aventis tegen dit besluit van 30 november 2000 en de daarin vervatte verlengingstermijn geen bezwaar heeft gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat zonder de gevraagde gegevens geen MTRbodem kon worden bepaald. Aventis diende derhalve de gevraagde gegevens binnen de in dit besluit gestelde termijn te verstrekken.

Verweerder heeft, zoals uit het voorafgaande blijkt zijn besluit van 21 december 2001 genomen op grond van de conclusies van het RIVM die zijn vervat in eerdergenoemd rapport van 29 oktober 2001. Daarbij heeft verweerder zijn eerder bij besluit van 30 november 2000 ingenomen standpunt omtrent het niet vaststaan dat aan de norm voor persistentie is voldaan, gehandhaafd.

Tegenover de uitgebreid gemotiveerde conclusies van het RIVM in het rapport van 29 oktober 2001 is appellante er naar het oordeel van het College niet in geslaagd aan te tonen dat verweerder op grond van de hem ter beschikking staande gegevens niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat niet is voldaan aan het bepaalde bij artikel 5,

lid 3, onder a en b, van het Bmb.

Terzake van de overgelegde plantenstudie heeft het RIVM te kennen gegeven dat het rapport is opgezet overeenkomstig OECD 208, maar dat de test als zodanig op een aantal punten afwijkt van deze richtlijn en tekortkomingen vertoont, als gevolg waarvan geen bruikbare NOEC kan worden afgeleid en de studie niet bruikbaar is voor de MTR-afleiding. Zo wordt aangegeven dat 1) de bodemkarakteristieken ontbreken; 2) de test-stof is gespoten na het zaaien of planten in plaats van mengen met de grond voorafgaand aan het zaaien; 3) de gekozen plantensoorten, met uitzondering van de tarwe, niet overeenkomen met de aanbevelingen in de richtlijn; 4) in plaats van proeven in potten de proeven lijken te zijn uitgevoerd op plotjes; 5) milieuomstandigheden niet zijn gerapporteerd.

Het algemene betoog van appellante dat de onderzoeksresultaten wel bruikbaar zijn, levert naar het oordeel van het College geen toereikende weerlegging op van de uitvoerig beschreven bevindingen en conclusies van het RIVM.

Aventis stelt voorts het onderzoek met betrekking tot bodemschimmels met de grootste zorgvuldigheid te hebben uitgevoerd op basis van een wetenschappelijk verantwoorde opzet, maar aangelopen te zijn tegen het probleem dat in december 2000 nog geen protocol voor dit type onderzoek bestond. Het uitvoeren van de testen op agar-agar moet volgens haar gezien worden als een “worst case benadering” in vergelijking met testen in grond.

Dit betoog doet naar het oordeel van het College evenwel niet af aan de conclusie van verweerder dat de resultaten van de in agar-media uitgevoerde testen niet kunnen worden omgerekend naar NOEC in de grond en om die reden niet kunnen worden gebruikt voor het afleiden van het MTRbodem.

3.4 Appellantes subsidiaire betoog dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om andermaal tot een procedurele verlenging te besluiten, faalt. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Indien, zoals in dit geval, verweerder op basis van gegevens, die in een afgeronde (verlengings)aanvraag zijn aangedragen en toegelicht, tot de conclusie komt dat niet wordt voldaan aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3 en 3a Bmw 1962, bestaat voor verweerder geen ruimte om, onder verwijzing van artikel 5 Bmw 1962, niettemin tot verlenging van de toelating van het betreffende bestrijdingsmiddel over te gaan.

Met betrekking tot hetgeen appellante naar voren heeft gebracht aangaande het amendement Feenstra/Udo van 18 december 2001 (TK 2001-2002, 27085, nr. 9) en artikel 25d Bmw 1962 overweegt het College dat voornoemd artikel weliswaar op 4 december 2002 - en derhalve voor het bestreden besluit - in werking is getreden, doch dat deze omstandigheid appellante reeds niet kan baten, nu de werkzame stof Flutolanil niet voorkomt op de lijst met aangewezen stoffen als bedoeld in dit artikel, die verweerder bij besluit van 12 juni 2002 heeft vastgesteld (Stcrt. 17 september 2002, nr. 178, pag. 20).

3.5 Appellante heeft voorts aangevoerd dat haar ten minste een aflever- en opgebruiktermijn had moeten worden gegund. Ook dit standpunt faalt.

Ingevolge artikel 2, vijfde en zesde lid, Bmw 1962 kan een aflever- en opgebruiktermijn worden vastgesteld voor "een bestrijdingsmiddel, dat niet meer is toegelaten".

Het College oordeelt in dit verband, evenals de voorzieningenrechter van het College dit in verscheidene uitspraken heeft gedaan, dat het vaststellen van dergelijke termijnen ook mogelijk is in gevallen die met een intrekking op één lijn kunnen worden gesteld.

De onderhavige afwijzing van een verlengingsaanvraag hangende de procedurele verlengingsperiode betreft evenwel niet een ingreep in een reguliere toelating, waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken en kan daarmee evenmin op een lijn worden gesteld. Het doen van een verlengingsaanvraag, impliceert de mogelijkheid dat de toelating niet wordt verlengd en daarmee tot een einde komt op de in de toelatingsbeslissing bepaalde - en derhalve voorzienbare - datum. Dit is niet wezenlijk anders indien de beoordeling niet voor deze datum kan worden afgerond en daarom met het oog op deze afronding de toelating wordt verlengd voor de periode die hiermee naar verwachting is gemoeid.

Verweerder heeft naar het oordeel van College mitsdien terecht geen opgebruik- en aflevertermijn vastgesteld.

3.6 Vervolgens dient zich de vraag aan of verweerder met juistheid de in de bezwaarfase op 24 juli 2002 alsnog overgelegde gegevens niet heeft betrokken bij de heroverweging van het bezwaar. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

De Rtb, een mede op grond van de Bmw 1962 gegeven algemeen verbindend voorschrift, behelst een volledige regeling met betrekking tot onder andere de wijze van indiening van aanvragen om (verlenging van) toelating, de daarbij te verstrekken gegevens, de daarop te nemen beslissingen en daarvoor geldende termijnen, het vergaren van nadere noodzakelijke gegevens, het buiten verdere behandeling stellen van een aanvraag indien niet wordt voldaan aan bepaalde vereisten, en de mogelijkheid een aanvraag tijdens de behandeling op beperkte schaal te wijzigen.

Op grond van het bepaalde bij de Rtb moet, zoals reeds eerder door het College is overwogen in de uitspraak van 12 augustus 2003 in de zaken met AWB-nummers 02/494 en 02/495 worden aangenomen dat de regelgever de beoordeling van een aanvraag heeft willen binden aan de gegevens die in de aanvraagprocedure, binnen de daarvoor geldende termijn, zijn verstrekt. Anders dan appellante stelt, is in de Rtb derhalve geen sprake van - slechts - termijnen van orde.

Uit de aard van dit specifieke stelsel van voorschriften, op grond waarvan op de aanvrager de plicht rust tot het aanleveren van gegevens die zijn vereist voor een beoordeling van de aanvraag aan de hand van de wettelijke toelatingscriteria, volgt dat verweerder bevoegd is te weigeren rekening te houden met eerst in de bezwaarprocedure naar voren gebrachte gegevens die in de aanvraagprocedure hadden behoren te worden geleverd.

Van bijzondere omstandigheden waarin aanleiding zou kunnen worden gevonden in het kader van de bezwaarprocedure desondanks de nader aangevoerde gegevens te aanvaarden is het College niet gebleken. Het College komt dan ook tot de slotsom dat, anders dan appellante heeft betoogd, niet kan worden staande gehouden dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door appellante op 24 juli 2002 overgelegde stukken niet bij de heroverweging van het bezwaar behoren te worden betrokken.

3.7 Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat Aventis in haar e-mailbericht van 9 november 2001 een verzoek als bedoeld in artikel 10, vierde lid, Rtb heeft gedaan.

Op grond van artikel 10, vierde lid, Rtb kan een toelatinghouder schriftelijk verzoeken om de procedure van artikel 10, eerste en tweede lid, Rtb eenmaal te herhalen, indien de overgelegde gegevens aanleiding zouden kunnen zijn voor een besluit houdende gehele dan wel gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.

Deze procedure voorziet erin dat verweerder uiterlijk 34 weken na ontvangst van het in behandeling nemen van de aanvraag verschuldigde bedrag de aanvrager een opgave doet van door hem, binnen een bij die opgave gestelde termijn alsnog te leveren dan wel aanvullend te leveren gegevens en van te verrichten onderzoekingen, alsmede dat verweerder binnen acht weken na ontvangst van die gegevens en van bedoeld bedrag de aanvrager meedeelt of de gegevens in behandeling zijn genomen.

Het College overweegt dat voornoemd e-mailbericht geen verzoek om toepassing van artikel 10, vierde lid, Rtb bevat en dat een dergelijk verzoek daaruit niet valt af te leiden. In genoemd bericht is slechts een verzoek te lezen om afstel van de voorgenomen beslissing tot het beëindigen van de toelating van Symphonie, danwel een verzoek om uitstel van een dergelijke beslissing in afwachting van de uitkomsten in week 7 van 2002 van een in opdracht van appellante uit te voeren aanvullende plantenstudie.

Het College concludeert dan ook dat verweerder voornoemde passage in het e-mailbericht van 9 november in redelijkheid niet als een verzoek als bedoeld in artikel 10, vierde lid, Rtb heeft opgevat.

3.8 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr.M.A. van der Ham en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.

w.g. H.C. Cusell w.g. Th.J. van Gessel