Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR6467

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
26-11-2004
Zaaknummer
AWB 03/947
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Elektriciteitswet 1998

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/947 12 november 2004

18050 Elektriciteitswet 1998

Uitspraak in de zaak van:

ENBU B.V., te Utrecht en

ENECO Energie Infra Utrecht N.V. te Utrecht, appellanten,

gemachtigde: mr. drs. J.E. Janssen, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. J.H. Keinemans, werkzaam bij verweerders ministerie, en ir. A.W.R. Vrolijk, werkzaam bij de Dienst uitvoering en toezicht energie.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Universiteit Utrecht,

gemachtigde: mr. M.R. het Lam, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Enbu B.V. (hierna: Enbu) en ENECO Energie Infra Utrecht N.V. (hierna: Eneco) hebben bij brief van 13 augustus 2003, bij het College binnengekomen op 14 augustus 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van Enbu tegen zijn besluit van 6 september 2002 ongegrond verklaard en het bezwaar van de Universiteit Utrecht (hierna: de universiteit) tegen laatstgenoemd besluit gegrond verklaard en dat besluit herroepen in zoverre niet op de aanvraag beslist is, voor zover betrekking hebbend op de aansluitingen die zijn aangebracht op de installaties van de universiteit, en de aanvraag in zoverre alsnog afgewezen.

Bij brief van 18 augustus 2003 heeft het College de universiteit in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Op 28 augustus 2003 heeft de universiteit het College medegedeeld van deze gelegenheid gebruik te maken.

Op 29 september 2003 hebben appellanten de gronden van hun beroep ingediend.

Op 29 oktober 2003 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken bij het College ingediend, op 30 december 2003 gevolgd door een verweerschrift.

Bij brief van 6 september 2004 hebben appellanten het College nadere stukken toegezonden. Verweerder heeft daarop op 8 en 14 september 2004 eveneens nadere stukken en een memorie ingediend.

Op 17 september 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellanten hun gemachtigde verscheen, bijgestaan door A en B, werkzaam bij appellanten. Namens verweerder waren zijn gemachtigden aanwezig. Voor de universiteit verscheen haar gemachtigde, bijgestaan door C, werkzaam bij de universiteit.

2. De grondslag van het geschil

2.1. In de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de wet) was, ten tijde van het bestreden besluit, onder andere het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

b. aansluiting: één of meer verbindingen tussen een net en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wet waardering onroerende zaken, dan wel tussen een net en een ander net op een ander spanningsniveau;

(...)

i. net: één of meer verbindingen voor het transport van elektriciteit en de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer;

(...)

Artikel 10

(...)

3. Een rechtspersoon die een recht van gebruik heeft van een ander net dan het landelijk hoogspanningsnet, wijst voor het beheer van dat net een of meer naamloze of besloten vennootschappen als netbeheerder aan.

(...)

Artikel 15

1. Het gebod, bedoeld in artikel 10, derde lid, geldt niet voor zover het een net betreft met een spanningsniveau van ten hoogste 0,4 kV en een verbruik van ten hoogste 0,1 GWh per jaar, en een ander dan een leverancier of een netbeheerder een recht van gebruik heeft van dat net.

2. Onze Minster kan op aanvraag aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 10, derde lid, een ontheffing verlenen van het gebod, bedoeld in dat lid, voor zover het een net betreft waarop een beperkt aantal andere natuurlijke personen of rechtspersonen dan die rechtspersoon zijn aangesloten en:

a. het net bestemd is om die rechtspersoon te voorzien van elektriciteit dan wel om het centrale bedrijfsproces van die rechtspersoon te ondersteunen, of

b. het net bestemd is om een aantal samenwerkende rechtspersonen te voorzien van elektriciteit en de samenwerking van deze rechtspersonen een betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functionerende energiehuishouding in hun vestigingen ten doel heeft, of

c. (...), of

d. die rechtspersoon geen netbeheerder is en niet in een groepsmaatschappij met een netbeheerder verbonden is en hij:

1o.. een overeenkomst zal sluiten met de netbeheerder van het net waarop zijn net is aangesloten om te waarborgen dat de uitvoering van de taken van die netbeheerder niet wordt belemmerd en

2o. degene die daarom verzoekt zal voorzien van een aansluiting op het desbetreffende net dan wel een aanbod zal doen om met gebruikmaking van het desbetreffende net ten behoeve van de verzoeker transport van elektriciteit uit te voeren met inachtneming van redelijke tarieven en voorwaarden (...)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Enbu is aangewezen als netbeheerder van het middenspanningsnet in de provincie Utrecht, waarop Eneco een recht van gebruik heeft.

- Het universiteitsterrein "De Uithof" (hierna: het Uithofterrein) is één onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken.

- De gebouwen op het Uithofterrein worden van elektriciteit voorzien vanuit een 50 kV-net, dat beheerd wordt door Enbu. Op de Sorbonnelaan ligt een 50/10 kV-station. Van daaruit loopt een viertal 10 kV-ringen naar en over het Uithofterrein. Het elektriciteitsverbruik van de universiteit wordt gemeten aan de Sorbonnelaan, bij het begin van drie 10 kV-ringen, met een lengte van meer dan negen kilometer, waarover de elektriciteit getransporteerd wordt die (voornamelijk) door de universiteit wordt gebruikt. Op deze ringen is een dertigtal onderverbindingen aan te wijzen. Daarachter treft men beveiligingen, gelegen vóór de 10.000/400 V-transformatoren, die in gebouwen van de universiteit gesitueerd zijn. Op de installaties van de universiteit is op laagspanningsniveau een aantal aansluitingen van derden gerealiseerd. De universiteit beschikt over een tweetal warmte/krachtinstallaties. De daarmee opgewekte elektriciteit wordt ingevoed op de 10 kV-ringen en vervolgens door de universiteit zelf weer gebruikt.

- Op 27 oktober 1998 heeft de universiteit, verklarend eigenaar te zijn van een deel van het middenspannings- en laagspanningsnet op het Uithofterrein, een ontheffing in de zin van artikel 15, tweede lid, van de wet gevraagd van de verplichting een beheerder aan te wijzen voor het net, waarmee zij een aantal samenwerkende rechtspersonen op het Uithofterrein voorziet van elektriciteit. Blijkens de bij schrijven van 17 december 1998 nader toegelichte aanvraag, meende de universiteit voor de ontheffing in aanmerking te komen op grond van het bepaalde in artikel 15, tweede lid, onder b, van de wet.

- Bij besluit van 12 juli 2000 heeft verweerder de gevraagde ontheffing op grond van het bepaalde in artikel 15, tweede lid, onder a, van de wet verleend.

- Tussen Enbu en de universiteit bestaat, blijkens de overgelegde correspondentie in elk geval sedert najaar 2000, verschil van inzicht over de vraag of voor elektriciteit die getransporteerd wordt over de genoemde 10 kV-ringen - en dat is, omdat de universiteit zelfopwekker is, niet alleen hetgeen vanaf het 50 kV-net geleverd wordt - door de netbeheerder transportkosten in rekening gebracht kunnen worden dan wel of het hier gaat om transport binnen de eigen installatie of over een eigen net, waarvoor Enbu geen kosten in rekening kan brengen.

- De universiteit heeft in het verleden een substantieel deel van de kosten van aanleg van schakelstations en transformatorstations en leidingen voor zijn rekening genomen, zulks in verband met een specifieke behoefte aan bedrijfszekerheid bij de levering van stroomvoorziening. Enbu en zijn voorganger, het Gemeentelijke Energie- en Vervoerbedrijf Utrecht (G.E.V.U.), verzorgden het onderhoud. G.E.V.U. en later Eneco namen het standpunt in ook eigenaar van het net te zijn.

- Na de inwerkingtreding van de wet heeft de universiteit het standpunt ingenomen dat al hetgeen achter de aansluiting op de Sorbonnelaan ligt volgens de wettelijke definities deel uitmaakt van de installatie van de universiteit, zodat de netbeheerder slechts binnen de grenzen van artikel 28 van de wet aansluitkosten ter zake in rekening zou kunnen brengen.

- Enbu heeft de universiteit erop gewezen dat het 10 kV-net op het Uithofterrein door meer rechtspersonen dan de universiteit gebruikt wordt, zodat sprake is van een openbaar distributienet, waarvan zij de netbeheerder is. Zij heeft aangekondigd vanaf september 2001 transportkosten over het 10 kV-net bij de universiteit in rekening te gaan brengen.

- Bij schrijven van 5 december 2001 heeft de universiteit bij de directeur van de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet (inmiddels: Dienst uitvoering en toezicht energie, hierna: DTe) een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 15 van de wet ingediend. De aanvraag betrof het 10 kV-netwerk op het Uithofterrein, indien en voor zover naar de mening van DTe en/of verweerder dit netwerk zou gelden als een net in de zin van de wet. De universiteit liet daarbij in het midden of het gehele 10 kV-netwerk dan wel alleen de onderaansluitingen van derden als het net beschouwd zou moeten worden. Gevraagd werd voorts om uitbreiding van de reeds op 12 juli 2000 aan de universiteit verleende ontheffing, voor twee aansluitingen ten behoeve van Rijkswaterstaat in verband met de verlichting van aanliggende snelwegen, voor acht dienstwoningen, een busstation en een abri en twee verkeersregelinstallaties, plus negen aansluitingen ten behoeve van de openbare verlichting.

- Op 15 juli 2002 heeft de directeur DTe aan verweerder advies uitgebracht over de aanvraag van de universiteit. De directeur heeft het standpunt ingenomen dat de zogenoemde 10 kV-ring als een aansluiting beschouwd moest worden. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de aansluiting als onderdeel van het net van de netbeheerder valt onder het beheer van de netbeheerder. Naar zijn mening is de knip, waarmee het openbare net van ENBU wordt onderbroken, gesitueerd op de Sorbonnelaan en loopt de aansluiting van daar tot aan de beveiligingen voor de 10.000/400

V-transformatoren in de verschillende gebouwen van de universiteit. Achter die beveiligingen bevindt zich de installatie.

De directeur komt dan ook tot de conclusie dat verlening van de gevraagde ontheffing voor de 10 kV-ring niet mogelijk is en dat de reeds verleende ontheffing op laagspanningsniveau kan worden uitgebreid met de drieëntwintig in de aanvraag genoemde aansluitingen.

- Bij besluit van 6 september 2002 heeft verweerder conform het advies van de directeur geoordeeld dat de 10 kV-ring geen net in de zin van de wet is, maar een aansluiting, zodat de door de universiteit gevraagde ontheffing niet verleend kon worden. Het besluit is op 13 september 2002 aan Enbu medegedeeld.

- Bij brief van 4 oktober 2002 heeft Enbu tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum heeft Enbu verweerder verzocht schriftelijk te bevestigen dat voor de 23 aansluitingen geen ontheffing verleend zou worden en dat de bestaande ontheffing ook niet met deze aansluitingen zal worden uitgebreid.

- In het aanvullend bezwaarschrift van 14 november 2002 wordt ten eerste aangevoerd dat de universiteit niet gerechtigd was een aanvraag te doen, omdat zij niet de rechtspersoon is, bedoeld in artikel 10, derde lid, van de wet, die een recht van gebruik heeft van een net. De 10 kV-ringen zijn (juridisch en economisch) eigendom van REMU Infra N.V. (inmiddels: Eneco), die - met goedkeuring van verweerder - Enbu als beheerder van het net, dat deze ringen omvat, heeft aangewezen.

Ten tweede wordt in het aanvullend bezwaarschrift aangevoerd dat de 10 kV-ringen geen aansluiting zijn, maar ten volle onderdeel vormen van het openbare net van Enbu. De aansluiting begint pas op de dertig overdrachtspunten; het mag zo zijn dat er rechtens van één aansluiting sprake is, feitelijk zijn er dertig verbindingen, die de aansluiting vormen.

- Bij brief van 18 oktober 2002 heeft ook de universiteit bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 september 2002.

- Het bezwaar van de universiteit richtte zich niet tegen het oordeel dat de 10 kV-ring niet als een net, naar als een aansluiting beschouwd diende te worden of tegen het daarop gebaseerde besluit geen ontheffing te verlenen, doch uitsluitend tegen het feit dat in het besluit van 6 september 2002 ten aanzien van de 23 in de aanvraag opgenomen aansluitingen van derden geen duidelijkheid gecreëerd was.

- Op 25 maart 2003 zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun bezwaren toe te lichten ten overstaan van een ambtelijk hoorcommissie.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

3.1 Het bezwaar van Enbu

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van Enbu ongegrond verklaard.

Hij heeft daartoe onder andere het volgende overwogen:

" De 10 kV-ring vormt de verbinding tussen het openbare net en deze samengestelde onroerende zaak. Gelet hierop en nu (...) geen andere onroerende zaken op de ring zijn aangesloten, moet deze (...) worden gekwalificeerd als een "aansluiting" in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet. Hiervoor is overigens ook steun te vinden in de omstandigheid dat door ENBU voor de instandhouding van de 10 kV-ring periodieke aansluitkosten in rekening worden gebracht. (...)

ENBU voert ten eerste aan dat het gegeven dat het gehele universiteitscomplex geldt als één onroerende zaak niet betekent dat geen sprake is van een openbaar net, omdat niet ongebruikelijk is dat openbare netten op particulier terrein liggen. Dit betoog slaagt niet. Immers, bepalend voor het antwoord op de vraag of de 10 kV-ring een "aansluiting" dan wel een "net" is, is niet de rechtstoestand van het terrein waarin het is gelegen, maar de definitie van het begrip "aansluiting" in artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet. (...)

ENBU betoogt voorts dat (...) juridisch weliswaar sprake is van één aansluiting, maar dat feitelijk sprake is van dertig aansluitingen(...).

(U)it de (...) definitie van het begrip "aansluiting" in artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet, blijkt dat de "knip" naar zijn aard is gesitueerd op de plaats waar de fysieke verbinding is aangebracht tussen het (openbare) net en de desbetreffende onroerende zaak (...). Dit is (...) het station gelegen aan de Sorbonnelaan.

Ook het argument dat het beheer van de 10 kV-ring bij ENBU berust, aangezien zij is aangewezen als beheerder van het net in het gebied waar het universiteitscomplex is gelegen, kan niet slagen. Bepalend (...) is immers niet bij wie het beheer van de ring berust, maar onder welke in artikel 1 van de wet gegeven definitie de ring valt. De aanwijzing op grond van artikel 10 van de wet van een beheerder van de openbare netten in een bepaalde regio, sluit overigens niet uit dat in die regio ook particuliere netten liggen waarover die aanwijzing zich niet uitstrekt. (...)

Het betoog dat sprake is van een "net" omdat indirect derden op de 10 kV-ring zijn aangesloten, treft evenmin doel. Ik neem aan dat ENBU doelt op de aansluitingen die zijn aangebracht achter de beveiligingen op de installaties van de universiteit. Dit zijn echter geen directe aansluitingen op de kV-ring. Het begrip "indirecte aansluiting", waarmee ENBU kennelijk bedoelt aansluitingen op een net dat met een ander net is gekoppeld, kent de wet als zodanig niet. (...)

Het is op zich juist dat, als de 10 kV-ring als "aansluiting"wordt gekwalificeerd, geen transporttarieven in rekening kunnen worden gebracht voor het transport over die ring. Op grond van artikel 28 van de wet kunnen in dat geval wel aansluittarieven in rekening worden gebracht. (...) Overigens worden (...) thans door ENBU aan de universiteit voor de instandhouding van de 10 kV-ring daadwerkelijk aansluitkosten in rekening gebracht.(...)

Het bezwaar inhoudende dat de universiteit niet gerechtigd was de aanvraag in te dienen, nu zij geen recht van gebruik heeft op het net, behoeft (...) geen bespreking meer. Immers, uit artikel 15, tweede lid, en artikel 10, derde lid, van de wet in onderlinge samenhang bezien, volgt dat een ontheffing uitsluitend betrekking kan hebben op een net als zodanig, en niet op een onderdeel van een net, zoals een aansluiting."

3.2 Het bezwaar van de universiteit

Met betrekking tot het bezwaar van de universiteit houdt het bestreden besluit het volgende in:

"Het bezwaar van de universiteit begrijp ik aldus dat naar haar mening ten onrechte niet op haar aanvraag is beslist, voor zover het betreft de op haar installaties aangebrachte aansluitingen van derden. (...) De desbetreffende aansluitingen zijn niet op de 10 kV-ring, maar op laagspanningsniveau op de installaties van de universiteit aangebracht. Bij besluit van 12 juli 2000 (...) is de universiteit (...) ontheffing verleend van de verplichting een netbeheerder aan te wijzen voor het beheer van de op haar installaties aangebrachte aansluitingen van derden. Deze onheffing omvat van rechtswege mede bovenbedoelde aansluitingen en ook met inbegrip van deze extra aansluitingen blijft het aantal afnemers beperkt. Het is uiteraard niet nodig ten tweede male een ontheffing te verlenen. Hierbij teken ik nog het volgende aan. Niet uitgesloten is - de stukken noch hetgeen op de hoorzitting naar voren is gebracht, geven hierover volledig duidelijkheid - dat (een deel van) de in de aanvraag genoemde aansluitingen niet direct zijn aangesloten op de installaties van de universiteit, maar op een net dat op die installaties is aangesloten, en waarvan REMU Infra N.V. het recht van gebruik heeft en waarvan het beheer bij ENBU berust. Indien dit het geval mocht zijn, heeft de ontheffing mede betrekking op de aansluiting van dit net op de installatie van de universiteit, maar niet op de aansluitingen die op dat net zelf zijn gerealiseerd. Echter, wat hiervan ook zij, dit doet er niet aan af dat bovengenoemde ontheffing zich van rechtswege uitstrekt tot alle aansluitingen die direct op de installaties van de universiteit aangebracht zijn.

Het bezwaar is gegrond. Ik zal het bestreden besluit herroepen, voor zover niet op de aanvraag is beslist (...) en de aanvraag in zoverre alsnog uitdrukkelijk afwijzen."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben allereerst uiteengezet, dat Eneco naast Enbu beroep heeft ingesteld omdat, tegen haar verwachting in, verweerder in het besluit op bezwaar besloten heeft over de in het ontheffingsverzoek begrepen laagspanningsnetten en aansluitingen. De uitkomst van die beoordeling brengt naar hun mening met zich dat Eneco de facto haar eigendomsrechten met betrekking tot de laagspanningsnetten en -aansluitingen kwijt raakt.

Voorts hebben appellanten het volgende aangevoerd:

"1. De Minister heeft in het bestreden besluit in strijd met (doel en strekking van) de Elektriciteitswet 1998 en de daarop gebaseerde tariefsystematiek ten onrechte geoordeeld dat de 10 kV-ring een "aansluiting" is in de zin van de Elektriciteitswet 1998;

2. De Minister heeft ten onrechte verzuimd de ontheffingsaanvraag af te wijzen op grond van het feit dat UU niet gerechtigd was tot het doen van de ontheffingsaanvraag omdat zij niet de economisch eigenaar is van het 10 kV-net noch van de laagspanningsaansluitingen;

3. De Minister heeft in het bestreden besluit in strijd met (doel en strekking van) de Elektriciteitswet 1998 en de daarop gebaseerde tariefsystematiek geoordeeld dat de laagspanningsaansluitingen geacht moeten worden van rechtswege in de reeds aan de UU verleende ontheffing te zijn begrepen;

4. Het bestreden besluit bevat onjuistheden, is ondeugdelijk gemotiveerd en ook overigens in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het evenredigheidsbeginsel."

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De ontvankelijkheid van het beroep van Eneco

Het College stelt allereerst vast dat het beroep van Eneco, zoals Eneco ter zitting bevestigd heeft, alleen betrekking heeft op de beslissing in het bestreden besluit ten aanzien van het beheer van de laagspanningsaansluitingen die zich achter de installatie van de universiteit bevinden. Nu deze beslissing in het primaire besluit van verweerder nog niet was neergelegd, mocht Eneco daartegen beroep bij het College instellen, zonder dat haar het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb tegen kan worden geworpen.

5.2 Het bestreden besluit inzake de 10 kV-ringen

Eneco beroept zich erop de rechtspersoon te zijn die een recht van gebruik heeft op het net en derhalve degene op wie ingevolge artikel 10 van de wet de plicht rust een beheerder aan te wijzen. Enbu is de vennootschap die door Eneco is aangewezen om het net in de provincie Utrecht, waarop zij een recht van gebruik heeft, te beheren. Dit levert voor Enbu in beginsel een voldoende belang om in de zin van artikel 1:2 van de Awb als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt bij een besluit betreffende (ontheffing van de verplichting tot) aanwijzing van een netbeheerder voor het betrokken gedeelte van het net.

Bij het besluit van 6 september 2002 is voor wat betreft de 10 kV-ringen echter geweigerd een ontheffing van de bedoelde verplichting tot aanwijzing van een netbeheerder te verlenen.

Als zodanig kan dit besluit dan ook niet geacht worden feitelijk of rechtens iets in de positie van Enbu te veranderen.

Enbu stelt dat de overwegingen die aan dit besluit ten grondslag gelegd zijn, dat wel doen. Het feit dat de 10 kV-ringen door verweerder worden gekwalificeerd als een aansluiting, zou haar belang in belangrijke mate aantasten, omdat die kwalificatie ertoe leidt dat ingevolge het bepaalde in de Tarievencode slechts de tarieven voor een aansluiting in rekening gebracht kunnen worden. Enbu heeft dan ook bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld teneinde te voorkomen dat in rechte zou komen vast te staan dat de 10 kV-ringen als een aansluiting zouden moeten worden aangemerkt.

Het College stelt echter vast dat verweerder geen taak heeft bij de beslechting van geschillen over de juiste toepassing van de Tarievencode, evenmin als het College. Daaraan verbindt het College de conclusie dat Enbu geen in rechte te waarderen belang kon hebben bij een beslissing van verweerder op haar bezwaar tegen het oordeel van verweerder, dat de 10 kV-ringen als een aansluiting zijn aan te merken. Aan bedoeld oordeel kan, anders dan partijen blijkbaar menen, in een eventueel geschil over de juiste toepassing van de Tarievencode geen doorslaggevende betekenis toekomen. De burgerlijke rechter die een dergelijk geschil uiteindelijk moet beslechten, zal aan het oordeel van verweerder ter zake niet gebonden zijn.

Voor de houdbaarheid van het bestreden besluit is het bovendien voldoende om te kunnen vaststellen, dat de 10 kV-ringen niet een apart net vormen, waarvoor ingevolge artikel 10 van de wet nog een netbeheerder zou kunnen worden aangewezen. Dat de 10 kV-ringen niet een dergelijk net vormen is tussen partijen niet in geschil.

Derhalve bestond er naar het oordeel van het College voor Enbu geen mogelijkheid om met het indienen van een bezwaarschrift feitelijk of rechtens iets in haar positie te veranderen. Daaruit vloeit voort dat verweerder het bezwaar van Enbu tegen het besluit van 6 september 2002 niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

Verweerders andersluidende besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. Aangezien nog slechts één beslissing mogelijk is, zal het College voorts zelf voorziende het bezwaar van Enbu niet-ontvankelijk verklaren.

5.3 Het bestreden besluit inzake de laagspanningsaansluitingen

Bij het bestreden besluit heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaar van de universiteit alsnog beslist op het gedeelte van de aanvraag dat betrekking had op aansluitingen achter de installatie van de universiteit.

Verweerder heeft met betrekking tot deze aanvraag het standpunt ingenomen dat ten aanzien van de bewuste aansluitingen de reeds bij besluit van 12 juli 2000 verleende ontheffing toepasselijk was. Verweerder tekende daarbij overigens aan het niet uitgesloten te achten dat sommige van de in de aanvraag genoemde aansluitingen niet direct zijn aangesloten op de installaties van de universiteit, maar op een net dat op die installaties is aangesloten. Indien dit zo zou blijken te zijn, zou de reeds verleende ontheffing slechts betrekking hebben op de aansluiting van dit net op de installatie van de universiteit, maar niet op de aansluitingen die op dat net zijn gerealiseerd.

Ter zitting heeft verweerder na nader onderzoek medegedeeld, dat 16 van de 23 aansluitingen, waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn aangebracht op een laagspanningsnet in beheer bij Enbu dat is aangesloten op de installaties van de universiteit of mogelijk op de ring. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor deze openbare laagspanningsnetten en - aansluitingen geen veranderingen optreden; zij blijven economisch eigendom van Eneco en blijven in beheer bij Enbu. Voor de overige 7 aansluitingen geldt dat zij direct op de installaties van de universiteit zijn aangesloten. Verweerder verklaart dat deze aansluitingen als gevolg van het in werking treden van de wet, waardoor wijzigingen zijn opgetreden in de afbakening tussen het begrip "net" in ruime zin en het begrip "aansluiting", niet langer onder het beheer van Enbu vallen. Hoewel de universiteit deze aansluitingen nu tot zijn domein kan rekenen, wijst verweerder op de mogelijkheid dat Enbu deze aansluitingen voor de universiteit zou beheren. In een bespreking op 3 september 2004 zou gebleken zijn dat de universiteit bereid is hiervoor een praktische oplossing te vinden.

Het College overweegt allereerst dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit in het midden heeft gelaten welke van de 23 aansluitingen nu onder een net van de universiteit en welke onder een net, behorend aan Eneco en beheerd door Enbu, vallen.

De rechtszekerheid vereist naar het oordeel van het College dat naar aanleiding van de aanvraag van de universiteit wordt vastgesteld welk (deel van een) net of netten geacht moeten worden onder de op 12 juli 2000 aan de universiteit verleende ontheffing te vallen en voor welk (deel van een) net of netten ten onrechte door de universiteit ontheffing ex artikel 15 van de wet gevraagd is, omdat de universiteit daarop geen recht van gebruik heeft en Eneco, die dit recht wel heeft, reeds een beheerder heeft aangewezen.

Het bestreden besluit voldoet niet aan deze eis en komt reeds daarom voor vernietiging in aanmerking.

Daar komt bij dat de ontheffing bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet slechts verleend kan worden voor een net, waarop een beperkt aantal andere natuurlijke of rechtspersonen zijn aangesloten. Naar aanleiding van een aanvraag zal verweerder dus steeds de vraag onder ogen moeten zien hoeveel personen op dit net zijn aangesloten om vervolgens vast te stellen of dit nog als een beperkt aantal kan worden aangemerkt.

Ook om die reden kon verweerder niet in het midden laten welke aansluitingen onder de gevraagde, doch naar zijn oordeel reeds verleende, ontheffing zouden vallen.

Bovendien kan verweerders betoog ter zitting dat door inwerkingtreding van de wet wijzigingen zijn opgetreden in de afbakening tussen "net" en "installatie" waardoor bepaalde elementen die vroeger tot het net werden gerekend, thans tot de installatie behoren met als gevolg dat Enbu het beheer daarvan verloren heeft, wat er verder ook van zij, nimmer de conclusie dragen dat een deel van het net dat vroeger aan (de rechtsvoorganger(s) van) Eneco behoorde, nu deel uitmaakt van een net, waarop de universiteit een gebruiksrecht heeft.

Het College kan verweerder ten slotte zonder nadere toelichting ook niet volgen in zijn zienswijze dat de universiteit een ontheffing ex artikel 15, tweede lid, van de wet nodig zou hebben voor de aansluiting van het aan Eneco toebehorende en door Enbu beheerde net, waarop de 16 genoemde aansluitingen zijn aangebracht, op de installatie van de universiteit. Een installatie is immers geen net en wordt dat blijkens de definitiebepalingen ook niet door er een net op aan te sluiten, terwijl ingevolge artikel 10 van de wet uitsluitend voor een net een beheerder moet worden aangewezen.

Gelet op al het voorgaande moet het beroep van appellanten tegen de beslissing op het bezwaar van de universiteit gegrond worden verklaard en moet het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van de universiteit moeten beslissen.

5.4 Kosten

Het College zal verweerder veroordelen in de proceskosten, die appellanten in verband met deze procedure hebben moeten maken. Deze worden conform het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--. Voorts zal verweerder appellanten het griffierecht moeten vergoeden.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van Enbu tegen het besluit van 6 september 2002 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak op dit punt in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw zal beslissen op het bezwaar van de universiteit tegen het besluit van 6 september 2002;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro) en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,- (zegge:

tweehonderdtweeëndertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. W.E. Doolaard en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2004.

w.g. C.J. Borman De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te

ondertekenen