Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR6205

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-11-2004
Datum publicatie
23-11-2004
Zaaknummer
AWB 04/6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Vakbekwaamheidseisen assurantiebemiddelingsbedrijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 04/6 18 november 2004

22020 Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Vakbekwaamheidseisen assurantiebemiddelingsbedrijf

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

tegen

de Sociaal-Economische Raad, verweerder,

gemachtigde: mr. J.B.A. Hoijinck, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 5 januari 2004, bij het College op diezelfde datum binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante, gericht tegen de afwijzing de doorhaling in het register van gevolmachtigde agenten op te schorten, ongegrond verklaard.

Bij brief van 18 februari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 21 oktober 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante met voorafgaand bericht niet is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde. Tevens is verschenen mr. J.M. de Bruin, werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 20, eerste lid, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb) is bepaald dat het verboden is als gevolmachtigde agent van een verzekeraar op te treden tenzij men als zodanig is ingeschreven in het register van gevolmachtigde agenten, dat door verweerder wordt gehouden.

In artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, Wabb is bepaald dat inschrijving in het in artikel 20 bedoelde register niet geschiedt dan nadat een door de verzekeraar gelijkluidend afschrift getekend exemplaar van de verleende volmacht bij de Raad is gedeponeerd en nadat de Raad heeft geconstateerd dat de gevolmachtigde agent voldoet aan de in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, bedoelde vakbekwaamheidseisen en aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen eisen ter waarborging van een vakkundige uitoefening van het verzekeringsbedrijf.

In artikel 21, vierde lid, Wabb is bepaald dat indien de aanvrager niet zelf de feitelijke leiding over een of meer vestigingen van zijn gevolmachtigdenbedrijf zal uitoefenen, te zijnen aanzien de vereisten van het tweede en derde lid gelden. Als voorwaarde voor inschrijving geldt voorts dat de natuurlijke personen die blijkens de opgave van de aanvrager met bedoelde feitelijke leiding zullen zijn belast, voldoen aan de vereisten van het eerste lid, onderdeel b, het tweede lid, onderdeel a en het derde lid.

Op grond van artikel 23, tweede lid, aanhef en onderdeel b, Wabb wordt in het register doorgehaald de inschrijving van de gevolmachtigde agent die de feitelijke leiding over een of meer vestigingen van het gevolmachtigdenbedrijf laat uitoefenen door natuurlijke personen die niet voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 21, vierde lid, tweede en laatste volzin.

Ingevolge artikel 23, derde lid, Wabb is verweerder bevoegd op grond van bijzondere omstandigheden de doorhaling op te schorten en de termijn van opschorting te verlengen, indien hij gegronde redenen daartoe aanwezig acht.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 18 april 2001 heeft verweerder appellante, die sinds het overlijden van C op 2 maart 1999 niet langer voldoet aan artikel 21, vierde lid, Wabb, verzocht mee te delen op welke manier zij voornemens is aan dat artikellid te gaan voldoen. Verweerder wijst er voorts op dat op grond van artikel 23, tweede lid en onder b, Wabb tot doorhaling van de inschrijving in het register moet worden overgegaan.

- Bij brief van 25 april 2001 heeft appellante medegedeeld een nieuw feitelijk leider, D aan te stellen. Appellante heeft verzocht om uitstel van de doorhaling van de inschrijving als gevolmachtigd agent tot het moment dat D in verband met het behalen van het vereiste diploma als gevolmachtigd agent kan gaan fungeren.

- Verweerder heeft bij brief van 3 mei 2001 te kennen gegeven dat tot doorhaling van de inschrijving als gevolmachtigd agent is besloten en dat, gelet op de bijzondere omstandigheden, die doorhaling wordt opgeschort tot 1 juli 2002, teneinde D in de gelegenheid te stellen het diploma Assurantiebemiddeling A en het diploma Gevolmachtigd Agent te verwerven.

- Bij brief van 27 juni 2002 heeft appellante verweerder desgevraagd bericht dat D niet is geslaagd voor het examen Gevolmachtigd Agent, alsmede dat rond

13 juli 2002 de uitslag van het deelexamen Leven wordt verwacht. Voorts heeft appellante verzocht de doorhaling van de inschrijving nogmaals op te schorten.

- Appellante heeft bij brief van 12 juli 2002 medegedeeld dat D is geslaagd voor het deelexamen Leven.

- Verweerder heeft daarop bij brief van 2 augustus 2002 besloten de doorhaling van de inschrijving verder op te schorten tot de datum van het bekend worden van de uitslag van het op 26 maart 2003 door D af te leggen examen Gevolmachtigd Agent.

- Bij brief van 6 juni 2003 heeft appellante verweerder bericht dat D niet is geslaagd voor het examen Gevolmachtigd Agent. Voorts heeft zij verweerder verzocht nogmaals gebruik te maken van de bevoegdheid de doorhaling van de inschrijving op te schorten.

- Verweerder heeft bij besluit van 9 juli 2003 medegedeeld dat de opschorting van de doorhaling in het register niet verder wordt verlengd.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 15 juli 2003 bezwaar gemaakt.

- Op 23 september 2003 heeft de Commissie Bezwaarschriften het bezwaar van appellante behandeld. Appellante is aldaar niet verschenen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Onder verwijzing naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften heeft verweerder in het bestreden besluit de weigering de opschorting van de inschrijving te verlengen gehandhaafd. Het staat vast dat appellante sinds maart 1999 niet meer beschikt over een vakbekwame feitelijk leider, terwijl haar ruimschoots de gelegenheid is geboden in een adequate opvolging te voorzien.

4. Het standpunt van appellante

Appellante voert ter ondersteuning van haar beroep aan dat verweerder van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 23, derde lid, Wabb meerdere malen gebruik heeft gemaakt, hetgeen in de praktijk heeft geleid tot een uitstel van een periode van zeker vijf jaar. Mede gezien het feit dat de kwaliteit van appellante als volmachtbedrijf niet ter discussie staat, waarbij wordt gewezen op de uitlatingen van de volmachtgevers, verzoekt appellante de opschorting tot na het bekend worden van het examenresultaat van D voor het diploma Gevolmachtigd Agent in 2004 te handhaven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante niet (meer) beschikt over een feitelijk leider die voldoet aan de vakbekwaamheidseisen als neergelegd in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, en vierde lid, tweede volzin, Wabb.

Dientengevolge was verweerder gehouden, gelet op artikel 23, tweede lid, aanhef en onder b, Wabb, tot doorhaling van de inschrijving in het register van gevolmachtigde agent. Naar het oordeel van het College heeft verweerder daartoe dan ook terecht besloten.

5.2 Het College is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven te zien de termijn van de opschorting van de doorhaling in het register nogmaals te verlengen. Immers, de omstandigheid waaronder de doorhaling is opgeschort, te weten totdat de uitslag van het examen Gevolmachtigd Agent van de beoogd feitelijk leider bekend is geworden, doet geen opgeld meer nu deze uitslag in ieder geval op 6 juni 2003 bekend is geworden. In dit verband is ook van belang dat appellante sinds maart 1999 bekend is met het gegeven dat zij niet meer beschikt over een vakbekwaam feitelijk leider, zodat zij - mede gezien de (verlenging van de) opschorting - ruimschoots in de gelegenheid is geweest wederom in een vakbekwaam feitelijk leider te voorzien.

De stelling van appellante dat de kwaliteit van appellante als gevolmachtigdenbedrijf niet ter discussie staat, kan niet af doen aan het gegeven dat appellante niet voldoet aan de wettelijke vereisten.

5.3 Het vorengaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2004.

w.g. M.A. van der Ham w.g. P.M. Beishuizen