Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR6059

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
22-11-2004
Zaaknummer
AWB 03/1487
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 03/1487 12 november 2004

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

de erven van A, vertegenwoordigd door B, te X, appellanten,

gemachtigde: J.W. Hoek AA, accountant-administratieconsulent te Emmeloord,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Op 23 december 2003 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarin beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen verweerders besluit van 19 november 2002, waarbij appellanten op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen tot een bedrag van € 1.784,16 akkerbouwsubsidie is toegekend, ongegrond verklaard.

Nadat verweerder bij brief van 12 maart 2004 de op deze procedure betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, heeft hij op 19 maart 2004 een verweerschrift ingediend.

Op 20 augustus 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van appellanten was tevens aanwezig G.M. van Tilburg.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de ten deze toepasselijke Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb 2001, L327, blz. 11; hierna: Verordening), is onder meer het volgende bepaald.

"Artikel 8 - Wijzigingen in de steunaanvraag "oppervlakten"

1. Onverminderd het bepaalde in lid 3, mogen na de uiterste datum voor de indiening van de steunaanvraag "oppervlakten" individuele voor de landbouw gebruikte percelen die nog niet in de steunaanvraag waren aangegeven, worden toegevoegd, en wijzigingen met betrekking tot het gebruik of de steunregeling worden aangebracht, voorzover alle krachtens de op de betrokken steunregeling van toepassing zijnde sectorspecifieke voorschriften geldende voorwaarden in acht worden genomen.

2. De toevoeging van percelen landbouwgrond en wijzigingen als bedoeld in lid 1 moeten schriftelijk aan de bevoegde instantie worden meegedeeld tot uiterlijk de datum die voor de inzaai of overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1251/1999 is vastgesteld.

Het bepaalde in artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 is van overeenkomstige toepassing.

(…)

Artikel 12 - Verbetering kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast.

Artikel 48 - Overmacht en buitengewone omstandigheden

1. Gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden moeten binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip waarop zulks voor het bedrijfshoofd mogelijk is met het relevante door de bevoegde instantie afdoende geacht bewijs bij de bevoegde instantie worden gemeld.

2. Als buitengewone omstandigheden kan de bevoegde instantie bijvoorbeeld aanvaarden:

a) het overlijden van het bedrijfshoofd;

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van het bedrijfshoofd;

(…)"

Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: Regeling) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 6

1. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten in.

(…)

Artikel 9

1. Na sluiting van de aanvraagperiode, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld, kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van verordening 2419/2001.

(…)

3. In afwijking van het tweede lid, worden de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, die meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode door LASER worden ontvangen, niet meer geaccepteerd. (…)

4. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten in geval van een door LASER erkende kennelijke fout na de in het eerste lid bedoelde datum worden verbeterd.

(…)"

In artikel 1, eerste lid, van de Regeling vaststelling indieningsperiode 2002 aanvraag oppervlakten (Stcrt. 2002, 60) is als periode voor het indienen van een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling vastgesteld, de periode die loopt van 1 april 2002 tot en met 15 mei 2002.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 1 mei 2002 heeft verweerder van A een formulier 'Gecombineerde Opgave 2002' ontvangen, waarin deze in het kader van de Regeling akkerbouwsubsidie (bijdragecode 840) aanvraagt voor 4 hectare wintertarwe (gewascode: 233), die geteeld wordt op perceel 2.

- Bij brief van 9 juli 2002 heeft verweerder A medegedeeld dat bij controle van de ingezonden 'Gecombineerde Opgave 2002' onvolkomenheden zijn geconstateerd met betrekking tot andere percelen en de mogelijkheid geboden de aanvraag binnen veertien dagen aan te vullen.

- Op 11 september 2002 heeft verweerder een reactie van A op zijn brief van 9 juli 2002 ontvangen. Daarin zijn enkele wijzigingen in de aanvraag aangebracht, waaronder de vergroting van de oppervlakte van het voor akkerbouwsteun opgegeven perceel 2 van 4 hectare naar 7,40 hectare.

- Op 11 september 2002 is A overleden.

- Bij brief van 16 september 2002, gericht aan A, heeft verweerder de ontvangst van het verzoek tot wijziging van de 'Gecombineerde Opgave 2002' bevestigd. Bij deze gelegenheid heeft verweerder onder meer medegedeeld dat de door de aanvrager voorgestelde wijziging, welke ziet op een vergroting van de oppervlakte van het perceel 2 waarvoor akkerbouwsteun is aangevraagd, uiterlijk 9 juni 2002 door verweerder had moeten zijn ontvangen en dat deze aangevraagde vergroting van de opgegeven oppervlakte niet in aanmerking komt voor subsidie.

- Bij besluit van 19 november 2002 heeft verweerder A op de aanvraag besloten en voor perceel 2 een akkerbouwsubsidie van € 1.784,16 toegekend. Deze subsidie is gebaseerd op een oppervlakte van 4 hectare.

- Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 18 december 2002 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2002 ongegrond verklaard. Het door verweerder ingenomen standpunt luidt - voorzover van belang - als volgt.

Vergroting van de oppervlakte die door een aanvrager voor een akkerbouwbijdrage in aanmerking wordt gebracht door middel van het toevoegen van percelen was voor het jaar 2002, ingevolge de Regeling en de Regeling vaststelling indieningsperiode 2002 aanvraag oppervlakten, na 9 juni 2002 slechts toegestaan, indien sprake was van een door verweerder erkende kennelijke fout.

In het onderhavige geval is geen sprake van een kennelijke fout. De ingediende aanvraag bevat, zonder verwerking van de verzochte wijzigingen, geen tegenstrijdigheden en is als zodanig niet onlogisch, onvolledig of inconsequent ingevuld. Verweerder behoefde dan ook geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen met de aanvraag werd beoogd.

Het onder overlegging van een medische verklaring van de huisarts gedane beroep op overmacht is pas in de beroepsfase gedaan. Verweerder heeft daarop bij de beslissing op bezwaar aldus niet kunnen beslissen. Het had in de rede gelegen dat zulk een beroep, uiterlijk, hangende de bezwaarfase zou zijn gedaan. Echter, de omstandigheid dat de gestelde overmacht niet conform het bepaalde bij artikel 48 van de Verordening bij verweerder is aangemeld, vormt op zich reeds een belemmering om de gevraagde akkerbouwsteun toe te kennen.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter onderbouwing van hun beroep onder meer het volgende naar voren gebracht.

Ten algemene is het bestreden besluit van verweerder wellicht juist te achten, maar in het onderhavige geval is sprake van bijzondere omstandigheden die een overmachtsituatie opleveren. Verweerder had deze overmachtsituatie moeten erkennen en bij zijn besluitvorming in aanmerking moeten nemen.

A heeft middels de 'Gecombineerde Opgave 2002' de aanvankelijke aanvraag oppervlakten bij verweerder ingediend. Ten tijde van het invullen van deze aanvraag was hem de aard van zijn ongeneeslijke ziekte net bekend geworden. Ondanks een daarmee samenhangend gebrek aan concentratievermogen heeft hij deze aanvraag zelf willen invullen. Het gebrek aan concentratievermogen, dat wordt bevestigd door een medische verklaring van de huisarts, heeft ertoe geleid dat bij de aanvraag een vergissing is gemaakt. Aangezien A zijn werk altijd op zeer nauwkeurige wijze heeft uitgevoerd, bestond voor appellanten geen aanleiding bij diens oordeelsvermogen vraagtekens te plaatsen. Appellanten waren juist trots op hem, omdat hij, ondanks zijn ziekte, de administratieve werkzaamheden nog voor zijn rekening nam.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat slechts aan de bezwaren van appellanten tegemoet zou kunnen worden gekomen, indien moet worden geoordeeld dat bij de door middel van de 'Gecombineerde Opgave 2002' ingediende aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Alleen in dat geval immers is het blijkens artikel 12 van de Verordening ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk deze te wijzigen. Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke fout, indien objectief kan worden vastgesteld dat de gedane opgave kennelijk fout was. Dit is eigenlijk uitsluitend het geval wanneer uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn. Daarvan is hier geen sprake. Uit de oorspronkelijke aanvraag is op geen enkele wijze af te leiden dat daarbij toekenning van een ander subsidiebedrag is beoogd, dan het subsidiebedrag dat verweerder bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 19 november 2002 heeft toegekend.

5.2 Evenmin kan het beroep van appellanten op overmacht hun baten. De omstandigheid dat de door appellanten bepleite overmacht niet conform het bepaalde bij artikel 48, eerste lid, van de Verordening tijdig bij verweerder is aangemeld, doch pas in de onderhavige beroepsprocedure aan de orde is gesteld, vormt op zichzelf reeds een belemmering om appellanten de door hen beoogde akkerbouwsteun toe te kennen.

5.3 Daarmee staat vast dat verweerder niet anders kon beslissen dan dat geen tot een vergroting van aangevraagde oppervlakte strekkende wijziging van de oorspronkelijke aanvraag oppervlakten kon worden geaccepteerd en dat heeft tot gevolg dat verweerder gehouden was akkerbouwsubsidie toe te kennen op de wijze zoals hij heeft gedaan. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

5.4 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.S. Hoppener