Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR5343

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-11-2004
Datum publicatie
09-11-2004
Zaaknummer
AWB 03/1420
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

akkerbouwsubsidie 2002 op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/1420 3 november 2004

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Deventer,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M.F. Lobles, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 26 november 2003, bij het College binnengekomen op 27 november 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 23 december 2002 houdende afwijzing van zijn aanvraag akkerbouwsubsidie 2002 op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Via verweerder heeft het College van appellant op 9 januari 2004 een nadere toelichting bij het beroepschrift ontvangen. Op 28 januari 2004 heeft het College nogmaals een aanvulling op het beroepschrift ontvangen.

Bij brief van 17 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 juli 2004 heeft verweerder satellietbeelden in kleur overgelegd. Bij brief 27 juli 2004 heeft verweerder van appellant ontvangen aanvullende gegevens aan het College toegezonden.

Op 11 augustus 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna ook: de Regeling), zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1251/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 160);

(…)

l. akkerland:

a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was, en

b. grond die uiterlijk op 31 december 1991 overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland uit productie is geweest met uitzondering van grond die overeenkomstig artikel 4 is vervangen door andere gronden;

(…)

Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 2419/2001, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

Artikel 4

1. Onder de voorwaarden, die voortvloeien uit de in artikel 3 genoemde verordeningen alsmede onder de bepalingen van deze regeling, komt de producent in aanmerking voor een subsidie voor percelen akkerland:

(…)

3. De producent kan percelen akkerland als bedoeld in het eerste lid vervangen door andere gronden indien:

a. de perceelsindeling of de verkaveling van het bedrijf van overheidswege wordt gewijzigd of op grond van de Plantenziektenwet beperkingen worden gesteld aan het telen van akkerbouwgewassen op het bedrijf;

b. de oppervlakte van de vervangende gronden niet groter is dan die van de te vervangen percelen akkerland;

c. voor zover van toepassing, de eigenaar, beperkt gebruiksgerechtigde, verpachter dan wel pachter van de te vervangen percelen akkerland heeft ingestemd met het vervangen van deze percelen;

d. en voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen schriftelijk toestemming is verkregen van LASER.

Een schriftelijke aanvraag voor de hiervoor bedoelde toestemming wordt uiterlijk op 1 maart voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen door LASER ontvangen.

4. (…)".

In Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (Pb 1999, L 160, blz. 1; hierna: Verordening (EG) nr. 1251/1999), is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 7

Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.

(…)"

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb 2001, L327; blz. 11), zoals deze luidde ten tijde van belang, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 31

Berekeningsgrondslag

1. (…)

2. Wanneer de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de bij een administratieve controle of een controle ter plaatse voor dezelfde gewasgroep geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag, onverminderd overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 35 toe te passen kortingen of uitsluitingen, berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte voor de betrokken gewasgroep.

3. (…)

Artikel 32

Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. (…)

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30 %, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd. (…)"

Artikel 1 van de Regeling luidde ten tijde van belang:

"In deze regeling wordt verstaan onder:

a.(…)

l. akkerland:

a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was, en

b. grond die uiterlijk op 31 december 1991 overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland uit productie is geweest met uitzondering van grond die overeenkomstig artikel 4 is vervangen door andere gronden;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 29 april 2002 een formulier "Gecombineerde opgave 2002" bij verweerder ingediend onder meer ter verkrijging van subsidie op grond van de Regeling voor twee maïspercelen met een gezamenlijke oppervlakte van 5.5 ha.

- Bij een op 20 november 2002 uitgevoerde controle aan de hand van door teledetectie verkregen beelden is verweerder gebleken dat het maïsperceel met volgnummer 1, met een aangevraagde oppervlakte van 1.75 ha, niet aan de definitie akkerland voldoet.

- Bij brief van 29 november 2002 heeft verweerder appellant geïnformeerd over deze bevindingen met betrekking tot het perceel 1. Appellant is de gelegenheid geboden om aan te tonen dat dit perceel in de jaren 1987 tot en met 1991 wel als akkerland in gebruik is geweest.

- Bij brief van 9 december 2002 heeft appellant bewijsmateriaal overgelegd met betrekking tot het gebruik van perceel 1 in de jaren 1987 tot en met 1991, bestaande uit een nota van 22 augustus 1988 van het Loonbedrijf B te Y, waaruit blijkt dat er in dat jaar 5.39 ha maïs van appellant werd gezaaid en gespoten.

- Bij besluit van 23 december 2002 heeft verweerder de aanvraag akkerbouwsubsidie van appellant afgewezen.

- Op 3 februari 2003 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.

- Bij brief van 26 augustus 2003 heeft appellant de volgende stukken overgelegd:

- een op 14 mei 2003 gedagtekende aanslag Landinrichtingsrente/Ruil- of herverkavelingsrente betreffende de percelen Z N00002G en X M00287G, M00288 G, M00290 G en M00313 G;

- wederom de nota van 22 augustus 1988 van B;

- een verklaring van C van 26 augustus 2003 dat genoemde nota mede betrekking heeft op het perceel met volgnummer 1.

- Bij brief van 16 september 2003 heeft appellant stukken uit het kadaster overgelegd betreffende perceelnummer 287-288-290-313. Genoemde percelen zijn ontstaan uit Ruilverkaveling.

- Blijkens een telefoonnotitie van 25 september 2003 heeft appellant op die dag telefonisch aan LASER het volgende bericht:

"Perceel 1 ligt in de gemeente Z en heeft de kadastrale aanduiding N 00002C ( totale oppervlakte 6.00 ha)

M287, 288, 290 en 313 slaat niet op perceel 1.

De oppervlakte van 3.78 (van M 313) slaat op het grote maïsperceel (volgnummer 6)"

- Bij brief van 4 september 2003 heeft verweerder appellant diens telefonische mededeling dat hij geen gebruik zal maken van de geboden gelegenheid om op het bezwaar te worden gehoord, bevestigd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en de daarbij gegeven toelichting

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - samengevat - het volgende overwogen:

Appellant is er met het door hem overgelegde bewijsmateriaal niet in geslaagd op perceelsniveau aan te tonen dat het perceel 1 in de referentiejaren 1987 tot en met 1991 met een akkerbouwgewas beteeld is geweest.

Uit de nota van 22 augustus 1988 van Loonwerkbedrijf D blijkt dat voor appellant in de referentiejaren maïs werd gezaaid. Volgens de verklaring van de loonwerker van 26 augustus 2003 zou dat onder meer op het huidige perceel 1 betrekking hebben. Appellant heeft echter niet met bewijsstukken aangetoond dat hij in 1988 eigenaar was van het huidige perceel 1. De overgelegde Aanslag Landinrichtingsrente en Ruil- of verkavelingsrente en het door appellant op 25 september 2003 met een LASER-medewerker gevoerde telefoongesprek maken het aannemelijk dat door appellant in 1988 naast het huidige perceel 6 een ander perceel dan dat met nummer 1 met maïs werd beteeld.

Daarom heeft verweerder moeten vaststellen dat het perceel 1 niet aan de definitie akkerland voldoet en dat voor dit perceel dus geen akkerbouwsteun kan worden toegekend. Aangezien het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte die voor akkerbouwsteun in aanmerking komt 46,67% - en dus meer dan 30% - bedraagt van de geconstateerde oppervlakte is het, op grond van de in artikel 1, eerste lid, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/1992 vermelde steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop appellant overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken voor het jaar 2002, geweigerd.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft bij zijn beroepschrift – samengevat - het volgende aangevoerd.

Het verbaast appellant zeer dat hij jarenlang voor het perceel met volgnummer 1 premie heeft ontvangen en dat ditzelfde perceel nu plotseling niet langer subsidiewaardig zou zijn. Ook in de jaren 1987 tot en met 1991 heeft appellant steeds 1.75 en 3.75 ha maïs verbouwd. Dit blijkt ook uit de aan LASER toegezonden bewijsstukken. Daarenboven zijn de door verweerder gebruikte satellietbeelden voor appellant niet voldoende duidelijk.

Ter zitting is namens appellant, samengevat, het volgende hieraan toegevoegd.

Appellant heeft sinds 1984 maïs verbouwd. Hij verbouwde maïs op het huidige perceel met volgnummer 6 en op een van E gepacht perceel. Al die jaren - en dus ook in de referentieperiode - heeft hij minimaal 5.5 ha maïs gehad. Het gepachte perceel raakte hij in 1994 kwijt, omdat de pacht niet werd verlengd. In dit verband heeft appellant verwezen naar de door hem kort voor de zitting overgelegde brief van 14 juli 2004 van rentmeester F. Appellant is vanaf dat moment maïs gaan telen op het perceel met volgnummer 1.

Appellant is er al die jaren volledig te goeder trouw vanuit gegaan dat hij voor maïspremie in aanmerking kwam. De leeftijd van appellant ( 85 jaar) dient hierbij in aanmerking te worden genomen.

Appellant was er in 1994 niet van op de hoogte dat men toestemming dient te vragen om de premiewaardigheid van het ene op het andere perceel over te dragen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellant betoogt dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door jarenlang voor perceel 1 akkerbouwsubsidie toe te kennen en vervolgens plotseling daarmee te stoppen, omdat het perceel niet aan de definitie akkerland zou voldoen op basis van satellietbeelden. Het College volgt appellant niet in dat betoog en overweegt hiertoe als volgt.

Dat verweerder in de voorafgaande jaren minder fijnmazig heeft gecontroleerd en het perceel met volgnummer 1 op grond van door appellant verstrekte informatie steeds volledig heeft aangemerkt als akkerland en mede op die grond die eerdere aanvragen van appellant heeft gehonoreerd, er niet aan in de weg staat dat verweerder de aanvraag van appellant voor 2002 toetst aan controlegegevens als bedoelde satellietbeelden, die inmiddels te zijner beschikking zijn gekomen. Evenmin beletten die omstandigheden verweerder bij de beslissing op die aanvraag voor 2002 op grondslag van deze gegevens terug te komen van zijn conclusie in voorgaande jaren, dat het als zodanig door appellant opgegeven perceel voldoet aan de definitie van akkerland, met dien verstande dat appellant in bezwaar de gelegenheid moet worden geboden om kennis te nemen van de in kleur weergegeven satellietbeelden en de uitleg van GeoRas, en om aannemelijk te maken dat het perceel waarop bedoelde satellietbeelden betrekking hebben, wel degelijk als akkerland is gebruikt in de referentiejaren 1987-1991.

5.2 Appellant heeft in algemene zin gesteld dat de door verweerder gebruikte satellietbeelden hem niet duidelijk zijn.

Deze grief kan appellant naar het oordeel van het College niet baten, nu verweerder gelegenheid aan appellant heeft geboden ter zake van zijn bezwaar te worden gehoord, bij welke gelegenheid appellant kennis had kunnen nemen van de uitleg van GeoRas bij de in kleur weer te geven satellietbeelden.

Ook overigens biedt hetgeen door appellante is aangevoerd, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder niet heeft mogen afgaan op de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de opnamen en de daaraan door GeoRas gegeven geofysische uitleg.

5.3 Ter beoordeling staat derhalve of verweerder niettegenstaande de aanwijzingen die aan de satellietopnames kunnen worden ontleend, perceel 1 voor akkerbouwsubsidie in aanmerking had moeten laten komen.

Dat perceel 1 in de referentiejaren 1987 tot en met 1991 niet in gebruik is geweest als akkerland, is niet weersproken. Ter zitting heeft appellant immers verklaard dat hij het huidige perceel 1 pas in 1994, toen hij een tot die tijd met maïs bebouwd gepacht perceel wegens beëindiging van de pacht niet langer kon gebruiken, met maïs is gaan bebouwen. Op de ter zitting gestelde vraag op welke wijze het huidig perceel 1 in de jaren tussen 1984 en 1994 in gebruik is geweest heeft appellant geantwoord dat het in die periode grasland is geweest.

De conclusie is derhalve dat verweerder terecht aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat perceel 1 niet voldoet aan de definitie van akkerland, bepaald bij artikel 1, onder l, van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

5.4 Bepalend in het stelsel van Verordening (EG) nr. 1251/1999 en de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen is het gebruik dat van elk van de opgegeven percelen afzonderlijk in de referentiejaren 1987 tot en met 1991 is gemaakt, en niet de totale oppervlakte die de aanvrager in die referentiejaren voor akkerbouw heeft gebruikt.

Het kan appellant derhalve niet baten dat, naar hij heeft aangevoerd, hij sinds lang en met name ook in de referentiejaren minimaal 5.5 hectare maïs heeft verbouwd.

Appellants goede trouw, die niet in geding is, en zijn leeftijd bieden geen rechtvaardiging van dit stelsel af te wijken.

Toestemming om percelen akkerland te vervangen door perceel 1, heeft appellant niet gevraagd. Reeds daarom - nog daargelaten dat beëindiging van pacht geen in artikel 4, derde lid, van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen bepaalde omstandigheid is - heeft verweerder vervanging van akkerland door perceel 1 onder toepassing van die bepaling buiten beschouwing kunnen laten.

5.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.J. Kuiper, mr. J.A. Hagen en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R. Meijer