Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR4942

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-10-2004
Datum publicatie
02-11-2004
Zaaknummer
AWB 04/186
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nr. AWB 04/186 12 oktober 2004

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

RA1, wonend te X1, appellant van een beslissing van 6 januari 2004 van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op een door K1, K2, K3 en K4, wonend onderscheidenlijk gevestigd te X2 (hierna: klagers), ingediende klacht.

1. De procedure

Voor het verloop van de procedure tot en met 5 september 2002 verwijst het College naar zijn uitspraak van die datum (00/920 en 00/921; www.rechtspraak.nl, LJN AE8805), waarbij is beslist op de beroepen van appellant en klagers tegen de beslissing van 26 september 2000 van de raad van tucht op de klacht van klagers tegen appellant.

Bij beslissing van 6 januari 2004 heeft de raad van tucht opnieuw uitspraak gedaan op de klacht.

Op 5 maart 2004 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van 6 januari 2004 van de raad van tucht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2004. Aldaar waren aanwezig mr. T. van Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, gemachtigde van appellant, vergezeld door RA2, kantoorgenoot van appellant, alsmede P.T. Lakeman, voorzitter van de stichting SOBI te Nieuwersluis, gemachtigde van klagers, vergezeld door P.

2. De beslissingen van de raad van tucht

Bij de thans bestreden tuchtbeslissing van 6 januari 2004 heeft de raad van tucht de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard en appellant de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Voor de samenvatting van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de beslissingen van 26 september 2000 en 6 januari 2004 van de raad van tucht, die in kopie aan deze uitspraak zijn gehecht en als hier ingelast worden beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellant stelt zich op het standpunt dat de raad van tucht in zijn beslissing van 6 januari 2004 ten onrechte is uitgegaan van de gegrondheid van klachtonderdeel C "in dier voege dat uiterlijk medio of ultimo 1994 had behoren te worden gewaarschuwd door betrokkene". Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in het bijzonder aangevoerd dat het College in zijn uitspraak van 5 september 2002 geen oordeel heeft gegeven over de gegrondheid van klachtonderdeel C, maar slechts over de grief van klagers dat de raad van tucht het desbetreffende klachtonderdeel te beperkt heeft opgevat en beoordeeld, namelijk als uitsluitend betrekking hebbend op 1993.

3.1.1 Het College overweegt dienaangaande het volgende.

Bij beslissing van 26 september 2000 heeft de raad van tucht klachtonderdeel C ongegrond verklaard, met als dragende overweging dat eind 1993 geen sprake was van een negatief vermogen en (dus) geen aanleiding bestond op surseance van betaling aan te dringen.

In hun beroepschrift van 24 november 2000 in zaak 00/920 hebben klagers zich op het standpunt gesteld dat de raad van tucht klachtonderdeel C ten onrechte ongegrond heeft verklaard. In hun toelichting op deze grief hebben klagers de juistheid van het oordeel van de raad van tucht over de situatie eind 1993 niet ter discussie gesteld, maar hebben zij aangevoerd dat de raad van tucht klachtonderdeel C onvoldoende heeft onderzocht, omdat het betrekking had op de periode van eind 1993 tot eind 1995.

In zijn uitspraak van 5 september 2002 heeft het College overwogen dat niet blijkt dat de raad van tucht in zijn beoordeling van klachtonderdeel C ook feiten en gebeurtenissen van na 1993 heeft betrokken, hoewel dit klachtonderdeel niet beperkt is tot 1993. Het College heeft de desbetreffende grief van klagers gegrond geoordeeld en de zaak voor verdere afdoening teruggewezen naar de raad van tucht.

In § 5.3 van de thans bestreden tuchtbeslissing van 6 januari 2004 heeft de raad van tucht, na melding te hebben gemaakt van het oordeel van het College over de grief van klagers met betrekking tot klachtonderdeel C, overwogen dat "deswege" wordt uitgegaan van de gegrondheid van klachtonderdeel C in dier voege dat uiterlijk medio of ultimo 1994 had behoren te worden gewaarschuwd door betrokkene.

3.1.2 De grief van appellant is terecht voorgedragen. In zijn uitspraak van 5 september 2002 heeft het College geen oordeel uitgesproken over het al dan niet gegrond zijn van klachtonderdeel C, maar heeft het slechts geoordeeld over de grief van klagers met betrekking tot dit klachtonderdeel, als gezegd inhoudend dat de raad van tucht ten onrechte alleen de situatie per eind 1993 in zijn beoordeling had betrokken. Het College heeft de zaak teruggewezen naar de raad van tucht, onder meer teneinde klachtonderdeel C opnieuw te beoordelen. Mitsdien is de raad van tucht ten onrechte uitgegaan van de gegrondheid van klachtonderdeel C in voege als in § 5.3 van de bestreden tuchtbeslissing omschreven en heeft ten onrechte geen nadere inhoudelijke beoordeling van dit klachtonderdeel plaatsgevonden.

3.1.3 Het College zal derhalve het beroep van appellant gegrond verklaren en de beslissing van 6 januari 2004 van de raad van tucht vernietigen, voorzover betrekking hebbend op klachtonderdeel C.

Hoewel appellant geen grieven heeft aangedragen tegen de hem bij beslissing van 6 januari 2004 opgelegde maatregel, vat het College diens verzoek klachtonderdeel C alsnog ongegrond te verklaren en de beslissing op de klacht met inachtneming daarvan aan te passen op als mede betrekking hebbend op de opgelegde maatregel. Nu deze maatregel mede is gegrond op het uitgangspunt van de raad met betrekking tot klachtonderdeel C, welk uitgangspunt gezien het vorenoverwogene onjuist is, zal het College de opgelegde maatregel vernietigen.

3.2 Met name gezien de totale duur van de tuchtprocedure en in aanmerking genomen dat de standpunten van appellant en klagers met betrekking tot klachtonderdeel C sinds de terugwijzing bij uitspraak van 5 september 2002 voldoende zijn uitgekristalliseerd, zal het College de zaak niet nogmaals terugwijzen naar de raad van tucht, maar deze zelf afdoen.

3.2.1 Zoals hierboven in § 3.1.1 is vastgesteld, hebben klagers in hun beroepschrift van 24 november 2000 in zaak 00/920 geen grieven aangedragen tegen het in de tuchtbeslissing van 26 september 2000 vervatte oordeel dat voor appellant geen aanleiding bestond, eind 1993 te waarschuwen dat voor Z een deconfiture dreigde. Voorzover klachtonderdeel C behelst dat appellant een tuchtrechtelijk verwijt treft omdat hij heeft nagelaten in 1993 een dergelijke waarschuwing te geven, staat de ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel bij beslissing van 26 september 2000 derhalve niet meer ter discussie.

3.2.2 In reactie op de door klagers in zaak 00/920 aangevoerde grief met betrekking tot klachtonderdeel C heeft appellant in die procedure reeds het standpunt betrokken dat dit klachtonderdeel niet mede betrekking heeft op 1994 en 1995. In zijn uitspraak van 5 september 2002 heeft het College dit standpunt niet gevolgd. Voorzover appellant dit standpunt in § 5 van het beroepschrift in de onderhavige procedure niettemin opnieuw aan de orde wenst te stellen, wordt deze wens niet gehonoreerd, omdat het College hierover al heeft beslist.

3.2.3 Bij de thans bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht onder meer geoordeeld dat klachtonderdeel A ongegrond is, voorzover het behelst dat appellant op 8 augustus 1994 ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft afgegeven bij de jaarrekening 1993 van Z. Tegen deze tuchtbeslissing is door klagers geen beroep ingesteld, zodat het oordeel van de raad van tucht over klachtonderdeel A in de onderhavige procedure een gegeven is.

Het oordeel van de raad van tucht dat de verklaring bij de jaarrekening 1993 deugdelijke grondslag had, impliceert naar het oordeel van het College dat voor appellant geen aanleiding bestond een dreigende deconfiture in die jaarrekening te vermelden als belangrijke gebeurtenis na balansdatum. Indien een dergelijke ontwikkeling zich in de periode van 1 januari 1994 tot en met 8 augustus 1994 had voorgedaan, was immers zonder meer sprake geweest van een gebeurtenis na balansdatum die vermelding behoefde in (de toelichting op) de jaarrekening 1993, bij gebreke waarvan een goedkeurende verklaring geen deugdelijke grondslag zou hebben gehad. Onder deze omstandigheden ziet het College geen plaats voor een tuchtrechtelijk verwijt aan appellant omdat hij niet op of voor 8 augustus 1994 heeft gewaarschuwd voor een dreigende deconfiture van Z.

3.2.4 Met betrekking tot de gang van zaken na 8 augustus 1994 overweegt het College het volgende.

Ter zitting van 14 september 2004 van het College heeft de gemachtigde van appellant geciteerd uit een brief van 2 juni 1995 van appellant aan K2, ter attentie van K1. In aanmerking genomen dat deze brief bij klagers bekend is en deel uitmaakt van de gedingstukken in een andere tuchtzaak tussen klagers en onder meer appellant, die op dezelfde zitting van het College is behandeld, zal het College het uit deze deze brief voorgelezene in de beoordeling betrekken. Uit deze brief is onder meer het volgende voorgelezen.

"Wij hebben in onze brief van 7 april 1995 reeds onze bezorgdheid uitgesproken over de in Z ontstane situatie.

Tot op heden hebben de onderhandelingen met derden nog steeds niet geleid tot een participatie, aanvullende financiering dan wel een volledige overname.

De financiële positie van Z wordt hierdoor thans serieus bedreigd.

Wij zijn van mening dat de liquiditeitspositie van Z, zonder ingrijpende maatregelen op zeer korte termijn, geen andere mogelijkheid openlaat dan een surséance van betaling."

Lezing van deze brief laat geen andere conclusie toe dan dat appellant op 2 juni 1995 in niet mis te verstane bewoordingen heeft gewezen op de slechte liquiditeitspositie van Z. Van de zijde van klagers is dienaangaande naar voren gebracht dat K1 niet bekend was met de betekenis van het begrip surseance van betaling en dat appellant hem desgevraagd heeft verzekerd dat het ging om een formaliteit en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Het College overweegt dienaangaande dat, voorzover al geloof zou moeten worden gehecht aan de stelling dat K1, directeur van een groep ondernemingen, niet bekend zou zijn met de betekenis van het begrip surseance van betaling, dit voor zijn risico (en dat van zijn medeklagers) komt. Afgezien daarvan hebben klagers geen begin van bewijs geleverd voor hun stelling dat appellant de betekenis van zijn brief van 2 juni 1995 desgevraagd mondeling zou hebben gerelativeerd, hetgeen van de zijde van appellant uitdrukkelijk is ontkend. Voorzover klachtonderdeel C betrekking heeft op de periode vanaf 2 juni 1995, moet het derhalve ongegrond worden verklaard.

3.2.5 Met betrekking tot de periode tussen 8 augustus 1994 en 2 juni 1995 overweegt het College dat klagers niet met objectief verifieerbare gegevens hebben onderbouwd dat de situatie van Z (juist) in dit tijdvak zodanig is verslechterd dat appellant hen had moeten wijzen op een dreigende deconfiture, nog daargelaten dat in de brief van 2 juni 1995 wordt verwezen naar een eerdere brief van 7 april 1995. Klagers hebben niet betwist bekend te zijn met de brief van 7 april 1995 en hebben evenmin ontkend dat appellant ook daarin zijn bezorgdheid heeft uitgesproken over de ontstane financiële situatie. Onder deze omstandigheden ziet het College geen grond voor het oordeel dat appellant in de periode tussen 8 augustus 1994 en 7 april 1995 had moeten wijzen op een dreigende deconfiture van Z en dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zulks na te laten.

3.2.6 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat klachtonderdeel C - dat, voorzover betrekking hebbend op 1993, door de raad van tucht bij beslissing van 26 september 2000 ongegrond is verklaard - eveneens ongegrond moet worden verklaard, voorzover het betrekking heeft op 1994 en 1995.

3.2.7 Het College acht oplegging van een tuchtmaatregel wegens het ten onrechte afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1994 van Z (een aspect van klachtonderdeel A) en het uitbrengen van een onjuist waarderingsrapport (klachtonderdeel D) passend en geboden.

In aanmerking genomen dat klagers geen beroep hebben ingesteld tegen de tuchtbeslissing van 6 januari 2004, terwijl het beroep van appellant gegrond is en klachtonderdeel C alsnog ongegrond zal worden verklaard, bestaat naar het oordeel van het College in ieder geval geen aanleiding tot oplegging van een zwaardere maatregel dan in de bestreden tuchtbeslissing is geschied, te minder nu de totale duur van de onderhavige tuchtprocedure zeer aanzienlijk is geweest (vijf jaar). Anderzijds vormt de lange duur van de tuchtprocedure naar het oordeel van het College geen aanleiding oplegging van een maatregel achterwege te laten; daarvoor is het tuchtrechtelijk verwijt dat appellant treft te ernstig. Gelet hierop zal het College appellant de maatregel van schriftelijke waarschuwing opleggen.

3.3 Na te melden beslissing op het beroep van appellant rust op titel II van de Wet op de Registeraccountants en op de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994, meer in het bijzonder artikel 11, eerste lid.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing van 6 januari 2004 van de raad van tucht, voorzover betrekking hebbend op klachtonderdeel C en

voorzover appellant de maatregel van schriftelijke waarschuwing is opgelegd;

- verklaart klachtonderdeel C ongegrond;

- legt appellant de maatregel van schriftelijke waarschuwing op.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.A. Fierstra en mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2004.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. B. van Velzen

zaak R 384

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en

Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

Beslissing in de zaak van

1. K1,

wonende te X2,

2. K2,

gevestigd te X2,

3. K3,

gevestigd te X2,

en

4. K4,

gevestigd te X2,

klagers,

tegen

RA1,

wonende te X1,

kantoor houdende te X3,

betrokkene.

1. De stukken van het geding

De Raad heeft kennis genomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende, stukken:

1.1 het klaagschrift d.d. 29 oktober 1999, met bijlagen, ingediend door dhr. P.T. Lakeman, voorzitter van de Stichting Onderzoek Bedrijfsinformatie (SOBI), gemachtigde van klagers;

1.2 de brief d.d. 8 november 1999, met bijlage, van dhr. Lake-man aan de Secretaris van de Raad;

1.3 het verweerschrift d.d. 7 januari 2000, met bijlagen, ingediend door Mr T. van Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, raadsman van betrokkene;

1.4 de ter zitting van 24 maart 2000 door dhr. Lakeman overgelegde pleitnotities;

1.5 de ter zitting van 24 maart 2000 door Mr Van Wijngaarden overgelegde pleitnotities;

1.6 het verslag van de zitting van de Raad van 24 maart 2000;

1.7 de beslissing van de Raad, uitgesproken onder zaakno. R 211 op 26 september 2000;

1.8 het beroepschrift d.d. 25 november 2000, ingediend door dhr. Lakeman;

1.9 het beroepschrift d.d. 27 november 2000, ingediend door Mr Van Wijngaarden;

1.10 het verweerschrift d.d. 8 januari 2001, ingediend door Mr Van Wijngaarden;

1.11 het verweerschrift d.d. 8 januari 2001, ingediend door dhr. Lakeman;

1.12 de pleitnotities d.d. 22 januari 2002 van Mr Van Wijngaarden;

1.13 de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven onder nos. AWB 00/920 en 00/921 d.d. 5 september 2002;

1.14 de memorie na verwijzing d.d. 6 januari 2003, ingediend door dhr. Lakeman; en

1.15 de memorie na verwijzing d.d. 4 maart 2003, ingediend door Mr van Wijngaarden.

2. Het geding na verwijzing

2.1 Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft de zaak overeenkomstig artikel 54g van de Wet op de Registeraccountants verwezen naar de Raad om haar af te doen met inachtneming van de uitspraak van het College.

2.2 De Raad heeft de zaak ter openbare zitting van 2 september 2003 behandeld. Verschenen zijn P en Lakeman namens klagers en RA3 en Mr Van Wijngaarden namens betrokkene.

3. De klacht

Voor een samenvatting van de klacht wordt verwezen naar de beslissing van de Raad onder zaakno. R 211 van 26 september 2000 sub 4.

4. De vaststaande feiten

In navolging van het College van Beroep gaat de Raad uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de beslissing van de Raad van 26 september 2000.

5. De vaststaande oordelen

5.1 De Raad heeft in zijn beslissing van 26 september 2000 sub 6.14 geoordeeld dat betrokkene een misslag heeft begaan bij het afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening van klaagster sub 2 over 1994 en dat klachtonderdeel A – voor zover het betrekking heeft op het afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening van klaagster sub 2 over 1994 - terecht is voorgesteld. De daartegen gerichte grieven zijn door het College van Beroep in zijn uitspraak sub 6.7 tot en met 6.13 (6.14) ongegrond verklaard, zodat dit oordeel als vaststaand moet worden beschouwd.

5.2 De Raad heeft in zijn beslissing van 26 september 2000 sub 6.17 geoordeeld dat klachtonderdeel B faalt. De daartegen gerichte grief is door het College van Beroep in zijn uitspraak sub 6.19 ongegrond verklaard, zodat dit oordeel als vaststaand moet worden beschouwd.

5.3 Klachtonderdeel C behelst het verwijt dat betrokkene de directie van klaagster sub 2 niet tijdig heeft gewaarschuwd dat voor de vennootschap een deconfiture dreigde.

De Raad heeft in zijn beslissing van 26 september 2000 sub 6.19 geoordeeld dat er ultimo 1993 geen aanleiding was om op surséance van betaling aan te dringen.

Het College van Beroep heeft in zijn uitspraak sub 4.5 en 6.20 de grief van klagers - inhoudende dat ten onrechte de beoor-deling beperkt is gebleven tot het onderzoek naar de situatie ultimo 1993 terwijl het klachtonderdeel betrekking had op de periode van eind 1993 tot eind 1995 en dat uiterlijk medio of eind 1994 had behoren te worden gewaarschuwd – gegrond verklaard.

Deswege gaat de Raad uit van de gegrondheid van klachtonderdeel C in dier voege dat uiterlijk medio of ultimo 1994 had behoren te worden gewaarschuwd door betrokkene.

5.4 De Raad heeft in zijn beslissing van 26 september 2000 sub 6.22 geoordeeld dat klachtonderdeel D slaagt. De daartegen gerichte grief is door het College van Beroep in zijn uitspraak sub 6.21 ongegrond verklaard, zodat dit oordeel als vaststaand moet worden beschouwd.

6. De na verwijzing nog te beoordelen klachtonderdelen

6.1 Uit de uitspraak van het College van Beroep sub 6.16 tot en met 6.18 volgt dat de Raad opnieuw zal moeten oordelen over klachtonderdeel A, voor zover het betrekking heeft op het afgeven van goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen van klaagster sub 2 over 1991, 1992 en 1993.

6.2 Klagers hebben nadien dit onderdeel van de klacht uitdruk-kelijk beperkt tot de punten 1.3, 1.4, 2.2, 2.4, 2.8, 3.2, 3.3, 3.4, 3.6 en 3.10 van het klaagschrift.

6.3 De punten 1.3 en 2.2 van het klaagschrift handelen over de waardering van de handelsdebiteuren in 1991 en 1992 en lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

6.4 Tegen de achtergrond van de door betrokkene geschetste feiten met betrekking tot de verwerving en de verkoop van de winkels is de waardering tegen nominale waarde aanvaardbaar. Beoordeeld naar de destijds geldende maatstaven, waren er geen omstandigheden, die tot een afwaardering hadden moeten leiden.

6.5 Punt 1.4 inzake de waardering van de deelneming G, de punten 2.4 en 3.3 inzake het activeren van verliezen bij Nederlandse deelnemingen en punt 3.4 inzake de waardering van Nederlandse deelnemingen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

6.6 Nu geen garanties zijn gegeven ten aanzien van de betreffende vennootschappen, is het correct dat aan de deelnemingen geen negatieve waarde is toegekend.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door betrokkene hebben klagers hun stelling, dat verliezen bij Nederlandse deelnemingen buiten de resultatenrekening zijn gelaten, niet nader toegelicht, zodat deze wordt verworpen.

6.7 Met punt 2.8 stellen klagers dat een onttrekking van DM 87.753 (zijnde ? 98.722) aan de Duitse deelneming als schuld is gecamoufleerd.

6.8 Nu het daartegenover door betrokkene gevoerde verweer, inhoudende dat naast een schuld uit hoofde van leveringen ook een schuld uit hoofde van volstorting van aandelen bestond, niet (voldoende) is weersproken door klagers, faalt dit punt.

6.9 Van punt 3.2, hetwelk handelt over te hoge activering van goodwill, zeggen klagers zelve dat hun argumenten door betrokkene zijn weerlegd. De Raad sluit zich hierbij aan.

6.10 De onder punt 3.6 opgeworpen stelling, dat kosten uit vorige jaren als baten zijn verantwoord, is gemotiveerd door betrokkene weersproken. Daar tegenover hebben klagers hun stelling dat in 1993 geen baat is ontvangen niet aannemelijk gemaakt.

6.11 Ook punt 3.10 aangaande de activering van goodwill ter zake van de winkel in X4 houdt tegenover de gemotiveerde betwisting door betrokkene geen stand.

6.12 De slotsom is dat klachtonderdeel A - voor zover het betrekking heeft op het afgeven van goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen van klaagster sub 2 over 1991, 1992 en 1993 – tevergeefs is voorgesteld.

7. De op te leggen maatregel

7.1 Uit het vorenoverwogene volgt dat klachtonderdeel A - voor zover het betrekking heeft op het afgeven van goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen van klaagster sub 2 over 1991, 1992 en 1993 – en klachtonderdeel B falen.

7.2 Klachtonderdeel A – voor zover het betrekking heeft op het afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening van klaagster sub 2 over 1994 – is gegrond verklaard.

7.3 Klachtonderdeel C is gegrond in dier voege dat betrokkene de directie van klaagster sub 2 niet tijdig (uiterlijk medio of ultimo 1994) heeft gewaarschuwd dat voor de vennootschap een deconfiture dreigde.

7.4 Klachtonderdeel D slaagt zoals is aangegeven in de beslissing van de Raad van 26 september 2000 sub 6.22.

7.5 Ter zake van de gegrond bevonden onderdelen van de klacht dient, gezien de aard en de ernst van de door betrokkene begane misslagen en gelet op alle overige omstandigheden die in dit geding zijn komen vast te staan, aan hem de na te melden maatregel als passend te worden opgelegd.

8. De beslissing

De Raad:

Verklaart de klacht gegrond in voege als in het vorenstaande omschreven.

Legt te dier zake de maatregel van schriftelijke waarschuwing op.

Aldus beslist door Mr R.J. Koopman, voorzitter, H.G. Dix RA en G. van Essen RA, leden, in tegenwoordigheid van Mr F.R. Hage als secretaris, en in het openbaar uitgesproken.