Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR4941

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-10-2004
Datum publicatie
02-11-2004
Zaaknummer
AWB 03/206
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nr. AWB 03/206 12 oktober 2004

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

1) APP1, wonend te X1,

2) APP2,

3) APP3, en

4) APP4, alle gevestigd te X1,

appellanten van een beslissing van 3 december 2002 van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op een klacht van appellanten tegen

1) RA1, wonend te X2,

2) RA2, wonend te X3,

3) RA3, wonend te X4,

4) RA4, wonend te X5,

5) RA5, wonend te X6,

6) RA6, wonend te X7, en

7) RA7, wonend te X8.

1. De procedure

Bij brief van 30 augustus 2001 hebben appellanten bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen de zeven bovengenoemde registeraccountants (hierna: betrokkenen).

Bij beslissing van 3 december 2002 heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht.

Op 3 februari 2003 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing van de raad van tucht.

Bij brief van 17 juni 2003 hebben betrokkenen gereageerd op het beroepschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2004. Aldaar waren aanwezig P.T. Lakeman, voorzitter van de stichting SOBI te Nieuwersluis, gemachtigde van appellanten, vergezeld door K1, alsmede mr. T. van Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, gemachtigde van betrokkenen, vergezeld door RA3.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

Voor de samenvatting van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de beslissing van 3 december 2002, die in kopie aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de raad van tucht de klacht ten onrechte en op onjuiste gronden niet inhoudelijk heeft beoordeeld op de grond dat zij onaanvaardbaar lang hebben gewacht met het indienen van deze klacht. De grieven 1 tot en met 6, alsmede 9 (gedeeltelijk) en 10 van appellanten zijn gericht tegen dit oordeel van de raad van tucht en de gronden waarop het rust.

3.2 In twee uitspraken van 24 juni 2004 (03/700 en 03/701; www.rechtspraak.nl, LJN AP5962 en AP6223) heeft het College het algemeen kader geschetst voor de beoordeling van tijdsverloopverweren. In deze uitspraken is onder meer overwogen dat het College, gezien de omstandigheid dat in de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) geen termijn voor het indienen van een klacht is opgenomen, gevoegd bij de door de wetgever beoogde laagdrempeligheid van het tuchtrecht, onder meer blijkend uit het feit dat het klachtrecht aan eenieder toekomt en dat aan het (indienen van) een klaagschrift geen (vorm)vereisten zijn gesteld, geen grond ziet voor het langs jurisprudentiële weg introduceren van een algemene rechtsplicht voor de indiener van een tuchtklacht tegen een accountant, zijn klacht op straffe van het niet inhoudelijk beoordelen daarvan binnen een bepaalde, redelijk te achten, termijn in te dienen.

Naar aanleiding van de eerste grief van appellanten overweegt het College voorts dat, nu de wetgever het indienen van een tuchtklacht tegen een accountant niet aan een termijn heeft gebonden, het niet aan de tuchtrechter is een algemeen geldende termijn te stellen voor het indienen van een klacht. Deze grief faalt derhalve.

3.2.1 In de uitspraken van 24 juni 2004 is voorts overwogen dat de beoordeling van de vraag of het tijdsverloop in een concreet geval al dan niet aanvaardbaar is, moet worden verricht met inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel, het verdedigingsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Het College is in dit verband nader ingegaan op artikel 19 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994), waaruit voor een registeraccountant de verplichting voortvloeit de op zijn werkzaamheden betrekking hebbende stukken zeven jaar te bewaren. De ratio van deze verplichting is dat een accountant zich gedurende een bepaalde termijn zonodig kan verantwoorden voor de door hem verrichte werkzaamheden, waaronder het voeren van verweer tegen tuchtklachten mede dient te worden begrepen.

Naar het oordeel van het College kan aan het verdedigingsbeginsel in beginsel geen argument worden ontleend om een klacht die binnen zeven jaar na de verweten gedraging is ingediend niet inhoudelijk te beoordelen. Hieraan doet niet af dat een registeraccountant zich wellicht minder goed kan verweren indien een tuchtklacht relatief laat wordt ingediend, bijvoorbeeld doordat zijn herinnering aan het gebeurde is vervaagd. Een dergelijke omstandigheid dient, mede gelet op de ratio van de bewaarplicht, naar het oordeel van het College in beginsel niet te leiden tot het achterwege laten van een inhoudelijke beoordeling van een klacht met betrekking tot werkzaamheden waarvoor de bewaarplicht geldt en die voor het verstrijken van de bewaartermijn is ingediend, maar kan in aanmerking worden genomen bij de bewijslastverdeling. Dit betekent overigens niet dat een binnen de bewaartermijn ingediende tuchtklacht te allen tijde inhoudelijk moet worden beoordeeld. Met name het vertrouwensbeginsel kan er onder bijzondere omstandigheden aan in de weg staan dat een tijdens de bewaartermijn ingediende klacht inhoudelijk wordt beoordeeld.

De ratio van de bewaarplicht brengt, omgekeerd, met zich dat inhoudelijke beoordeling van een tuchtklacht die pas na het verstrijken van de bewaartermijn wordt ingediend in beginsel achterwege moet blijven. Een accountant hoeft na het verstrijken van de bewaartermijn naar het oordeel van het College in beginsel geen rekening meer te houden met de mogelijke indiening van een tuchtklacht, aangezien de verantwoordingsplicht die ten grondslag ligt aan de bewaartermijn door het verstrijken van deze termijn niet langer voortduurt en deze termijn allerminst als onredelijk kort kan worden aangemerkt. Hieruit volgt dat niet alleen het verdedigingsbeginsel, maar ook (en vooral) het rechtszekerheidsbeginsel in de weg staat aan inhoudelijke beoordeling van een na ommekomst van de bewaartermijn ingediende klacht. Dit kan uitzondering lijden in geval van een gedraging die een zeer ernstige inbreuk vormt op de eer van de stand der accountants, in het bijzonder indien deze misslag welbewust verborgen wordt gehouden.

3.2.2 Gezien het vorenoverwogene is bij de beoordeling van tijdsverloopverweren van belang of de bewaartermijn al dan niet is verstreken, met dien verstande dat de bewaartermijn een eerste aanknopingspunt is voor de beoordeling van verweren als hier aan de orde en niet kan worden aangemerkt als een algemeen geldende termijn voor het indienen van een tuchtklacht tegen een accountant. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan de maximale termijn voor het indienen van een klacht korter of langer zijn dan de bewaartermijn.

Dat bij het beoordelen van een beroep op tijdsverloop in eerste instantie wordt aangeknoopt bij de bewaartermijn, impliceert dat het tijdsverloop tussen de verweten gedraging en de indiening van de tuchtklacht van belang is en niet zozeer het interval tussen het moment waarop de klager met de gedraging bekend wordt en het tijdstip van indiening van de klacht.

De vraag of denkbaar is dat op dit uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt indien de klager na ommekomst van de bewaartermijn op de hoogte raakt of had kunnen raken van de verweten gedraging (of het mogelijk klachtwaardige karakter daarvan), behoeft in het kader van de onderhavige procedure geen beantwoording, nu vaststaat dat appellanten binnen zeven jaar op de hoogte zijn geraakt van alle gedragingen waarop hun klacht betrekking heeft en ook van het huns inziens klachtwaardige karakter van deze gedragingen. De grief van appellanten tegen de feitenvaststelling door de raad van tucht en hun tweede en vijfde grief kunnen dan ook niet leiden tot de slotsom dat de raad het tijdsverloopverweer ten onrechte heeft gehonoreerd.

3.3 Het College zal vervolgens het tijdsverloop in de onderhavige zaak vaststellen en beoordelen. Het College acht overigens niet buiten twijfel dat de eerste drie onderdelen van de klacht betrekking hebben op werkzaamheden of gedragingen ten aanzien waarvan de bewaarplicht van artikel 19 GBR-1994 geldt. Nu evenwel niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot een andere gedragslijn nopen, zal het College, met name uit een oogpunt van eenduidigheid, bij het beoordelen van het tijdsverloopverweer ook ten aanzien van deze klachtonderdelen aansluiting zoeken bij de bewaartermijn.

3.3.1 Het eerste klachtonderdeel heeft betrekking op de periode van 1 juli 1993 tot en met 31 december 1993, terwijl de onderhavige klacht is ingediend op 30 augustus 2001. Het tijdsverloop bedraagt derhalve zeven jaar en bijna acht maanden.

Het tweede klachtonderdeel heeft betrekking op een gedraging die heeft plaatsgevonden op of rond 1 januari 1994. Ook hier is sprake van een tijdsverloop van zeven jaar en bijna acht maanden.

Het derde klachtonderdeel heeft betrekking op een brief van 24 april 1995. Het tijdsverloop bedraagt zes jaar en vier maanden.

Het vierde klachtonderdeel tenslotte heeft betrekking op gebeurtenissen in de loop van 1995 en op 6 februari 1996. Hier is sprake van een tijdsverloop van tenminste vijf jaar en meer dan zes maanden, maar minder dan zeven jaar.

3.3.2 Uit het voorafgaande blijkt dat het tijdsverloop ten aanzien van de eerste twee onderdelen van de klacht de bewaartermijn overstijgt. Het College is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan dit zeer aanzienlijke tijdsverloop niettemin aanvaardbaar zou moeten worden geoordeeld.

Indien appellanten zouden worden gevolgd in hun stelling dat betrokkenen adequaat verweer hebben kunnen voeren en het verdedigingsbeginsel in dit geval niet in de weg staat aan inhoudelijke beoordeling van alle onderdelen van de klacht, is van belang dat betrokkenen er niet alleen op grond van het verdedigingsbeginsel, maar ook (en vooral) op grond van het rechtszekerheidsbeginsel in beginsel aanspraak op kunnen maken, na het verstrijken van de bewaartermijn niet meer met een tuchtklacht te worden geconfronteerd.

De door appellanten gestelde omstandigheid dat zij in een relatief laat stadium op de hoogte zijn geraakt van het volgens hen klachtwaardige karakter van de verweten gedragingen, kan het tijdsverloop evenmin rechtvaardigen. Gesteld noch gebleken is dat deze wetenschap op een zodanig laat moment is ontstaan dat het niet meer mogelijk was de eerste twee onderdelen van de klacht vóór het verstrijken van de bewaartermijn in te dienen. Naarmate een klager later bekend wordt met een gedraging die in zijn ogen klachtwaardig is, zal hij met meer voortvarendheid een klacht moeten indienen, zulks met het oog op de gerechtvaardigde belangen van de accountant zich naar behoren tegen de klacht te kunnen verweren en niet tot in lengte van jaren met een tuchtklacht te worden geconfronteerd. De derde en vierde grief van appellanten falen derhalve.

3.3.3 Het voorafgaande leidt het College tot de slotsom dat de raad van tucht het tijdsverloop tussen de gedragingen waarop de eerste twee klachtonderdelen betrekking hebben en het indienen van de tuchtklacht terecht onaanvaardbaar heeft geoordeeld, zodat inhoudelijke beoordeling van deze klachtonderdelen achterwege moet blijven. De grieven 6, 9 en 10 van appellanten falen derhalve, voorzover zij betrekking hebben op de eerste twee onderdelen van de klacht van 30 augustus 2001.

3.3.4 Ten aanzien van het derde en vierde klachtonderdeel daarentegen overstijgt het tijdsverloop de bewaartermijn niet. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het tijdsverloop ten aanzien van deze klachtonderdelen niettemin onaanvaardbaar moet worden geoordeeld. De omstandigheid dat drie (overigens niet bij naam genoemde) betrokkenen inmiddels met pensioen zouden zijn gegaan, wettigt niet de slotsom dat deze betrokkenen niet meer tuchtrechtelijk zouden kunnen worden aangesproken. De niet nader onderbouwde stelling van betrokkenen dat een accountant die met pensioen gaat erop moet kunnen vertrouwen dat hij na relatief korte tijd niet meer op zijn handelen wordt aangesproken, vindt geen steun in het recht. In het verlengde van zijn uitspraak van 24 juni 2004 in zaak 03/701 overweegt het College voorts dat de omstandigheid dat een klager zijn klacht wellicht beduidend eerder had kunnen indienen, op zich onvoldoende grond vormt een gedurende de bewaartermijn ingediende klacht niet inhoudelijk te beoordelen.

3.3.5 Het oordeel van de raad van tucht dat ook met betrekking tot het derde en vierde onderdeel van de klacht sprake is van onaanvaardbaar tijdsverloop kan derhalve geen stand houden. De grieven 6, 9 en 10 zijn derhalve terecht voorgedragen, voorzover zij zijn gericht tegen dit oordeel van de raad van tucht.

3.4 Het College zal vervolgens ingaan op de zevende en achtste grief van appellanten, die verband houden met het oordeel van de raad van tucht dat van appellanten had mogen worden verwacht hun bezwaren tegen het handelen van betrokkenen in één klacht neer te leggen. De raad van tucht heeft in dit verband gewezen op de op 28 oktober 1999 door appellanten tegen RA7 ingediende klacht.

3.4.1 Met verwijzing naar zijn uitspraken van 10 juli 2001 (00/358; LJN AB3079) en 25 maart 2004 (03/223; LJN AO7319) overweegt het College dat onverenigbaar is met de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure dat na een tuchtrechtelijke eindbeslissing met betrekking tot een bepaald feitencomplex, op grond van feiten of omstandigheden die de klager ten tijde van de eerdere tuchtprocedure bekend waren of hadden kunnen zijn, terzake van dat feitencomplex andermaal een tuchtprocedure wordt ingezet. In een dergelijk geval moet inhoudelijke beoordeling van de tweede klacht achterwege blijven.

3.4.2 De klacht van 28 oktober 1999 heeft betrekking op de werkzaamheden die RA7 als accountant heeft verricht ten behoeve van P1.

Naar het oordeel van het College heeft het derde onderdeel van de klacht van 30 augustus 2001 geen betrekking op de werkzaamheden van RA7 ten behoeve van P1 aar op de handelwijze van accountantskantoor P2 in het kader van de afwikkeling van het ontslag van voormalig P2-werknemer K2 door P3, onderdeel van P1. De gemachtigde van betrokkenen heeft ter zitting van het College desgevraagd bevestigd dat de brief van 24 april 1995 moet worden aangemerkt als een door RA7 namens de maatschap gedaan aanbod, hetgeen door de ter zitting aanwezige voorzitter van de maatschap (RA3) niet is weersproken. Hieruit volgt dat alle maten tuchtrechtelijk op deze brief kunnen worden aangesproken en niet alleen RA7. Ook in dit opzicht kan de brief van 24 april 1995 derhalve niet op één lijn worden gesteld met de accountantswerkzaamheden die RA7 ten behoeve van P1 heeft verricht.

3.4.3 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat het derde onderdeel van de onderhavige klacht geen betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex als de eerdere klacht van 28 oktober 1999 tegen RA7. De zevende, achtste en negende grief van appellanten zijn in zoverre terecht voorgedragen.

3.4.4 Hoewel het vierde klachtonderdeel zich richt tegen zeven registeraccountants, is het College op grond van de gedingstukken niet gebleken dat andere betrokkenen dan RA7 medeverantwoordelijkheid dragen voor de desbetreffende gedraging(en) van RA7. Ter zitting van het College heeft de gemachtigde van appellanten desgevraagd erkend niet te kunnen verklaren waarom dit onderdeel van de klacht is gericht tegen alle betrokkenen en heeft hij verklaard dat zulks niet de bedoeling van appellanten kan zijn geweest. Reeds hierom kunnen de door appellanten aangedragen grieven niet leiden tot de slotsom dat het vierde onderdeel van de klacht van 30 augustus 2001, voorzover niet gericht tegen RA7, ten onrechte ongegrond is verklaard.

Het vierde klachtonderdeel heeft naar het oordeel van het College, evenzeer als de klacht van 28 oktober 1999, betrekking op de werkzaamheden van RA7 als accountant van P1. Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat van hen redelijkerwijs niet gevergd had kunnen worden dit onderdeel van hun klacht eveneens op 28 oktober 1999 ter beoordeling aan de tuchtrechter voor te leggen. Door zulks na te laten en de desbetreffende gedraging bijna twee jaar later tot voorwerp te maken van een nieuwe klacht, hebben appellanten gehandeld in strijd met de eis van behoorlijk procederen in tuchtzaken. Voorzover de zevende, achtste en negende grief van appellanten betrekking hebben op de beoordeling van het vierde klachtonderdeel door de raad van tucht, falen zij derhalve.

3.5 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat de raad van tucht het eerste, tweede en vierde onderdeel van de klacht terecht niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Voorzover de raad op niet of niet geheel juiste gronden tot deze beslissing is gekomen, ziet het College geen aanleiding daaraan rechtsgevolg te verbinden.

3.5.1 De elfde en twaalfde grief van appellanten falen. Het oordeel van de raad van tucht dat een klacht die niet inhoudelijk wordt beoordeeld ongegrond moet worden verklaard, is in overeenstemming met de jurisprudentie van het College. Het College verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 10 juli 2001 (voormeld), 25 oktober 2001 (00/61 en 00/72; LJN AD4959), 8 januari 2002 (00/707; LJN AD9056), 18 december 2003 (02/76; LJN AO1917) en 25 maart 2004 (voormeld).

3.5.2 De raad van tucht heeft het derde klachtonderdeel ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld. Het College zal derhalve het beroep gegrond verklaren en de bestreden tuchtbeslissing vernietigen, voorzover het in § 4.3 van die beslissing omschreven klachtonderdeel - zonder inhoudelijke beoordeling - ongegrond is verklaard.

Betrokkenen hebben het College met nadruk verzocht de zaak in geval van gegrondverklaring van het beroep niet zelf af te doen, maar deze terug te wijzen naar de raad van tucht. Het College zal dit verzoek inwilligen. De legitieme wens van betrokkenen, te zijner tijd zonodig beroep te kunnen instellen tegen de inhoudelijke beoordeling van het derde klachtonderdeel, dient te prevaleren boven het niet nader geadstrueerde belang van appellanten bij het thans afdoen van de zaak door het College.

Gezien het inmiddels ontstane tijdsverloop sedert de brief van 24 april 1995 zal het College de raad van tucht verzoeken de zaak zo mogelijk met voorrang te behandelen.

3.5.3 Na te melden beslissing op het beroep van appellanten rust op titel II van de Wet RA.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing, voorzover het in § 4.3 van die beslissing omschreven klachtonderdeel - zonder

inhoudelijke beoordeling - ongegrond is verklaard;

- wijst de zaak terug naar de raad van tucht voor het nemen van een inhoudelijke beslissing op dit klachtonderdeel.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.A. Fierstra en mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2004.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. B. van Velzen