Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR4940

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
02-11-2004
Zaaknummer
AWB 04/176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet inkomstenbelasting 2001

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.42
Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/176 26 oktober 2004

27650 Wet inkomstenbelasting 2001

Uitspraak in de zaak van:

SNS Reaal Groep N.V., te Utrecht, appellante,

gemachtigde: mr. K.A.M. van Kampen, advocaat te Eindhoven,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. R. Volkers, mr. G. Baarsma en A.E. Arkema, allen werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. Het procesverloop

Op 3 maart 2004 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 januari 2004. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB).

Bij brief van 21 april 2004 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Op 24 mei 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 14 september 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij hun hiervoor genoemde gemachtigden zijn verschenen. Voor appellante is voorts verschenen W.S.C. Klijn, adjunct-directeur van Leaseco Nederland B.V..

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB is onder meer het volgende bepaald.

“ Artikel 3.42 Energie-investeringsaftrek

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

(…)

6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister.

7. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. (…)

b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid.

(…)

Artikel 3.43 Begrip investeren

1. Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voorzover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.”

Op grond van artikel 3.42, zevende lid, Wet IB is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Stcrt. 2000, nr. 249; hierna: Uitvoeringsregeling), waarin onder meer is bepaald:

"Artikel 2

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

Artikel 3

1. De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden.

Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

(…)

Artikel 5

1. (…)

2. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 27 juni 2002 heeft Leaseco Nederland B.V. te Amsterdam (hierna: Leaseco) – onderdeel van het concern van appellante, die ter zake volgens de Wet IB belastingplichtig is – namens appellante per fax een verzoek ingediend om een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, Wet IB. Het bedrijfsmiddel waarin was geïnvesteerd is een zonthermisch systeem (zonnecollectorsysteem) dat Leaseco had verworven van leverancier Unica Ponsioen B.V. te Hengelo (hierna: Unica Ponsioen). Leaseco heeft het bedrijfsmiddel verhuurd aan N.V. Kennemerland Energie Advies en Diensten te Heemstede (hierna: KEAD), waarmee zij ook een zogenoemde voorfinancieringsovereenkomst met betrekking tot het bedrijfsmiddel had gesloten. Het bedrijfsmiddel is in gebruik genomen bij het project De Esch te Enschede.

- Bij besluit van 2 juli 2003 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 juli 2003 bezwaar gemaakt.

- Op 17 oktober 2003 is appellante naar aanleiding van haar bezwaar gehoord.

- Bij brieven van 3 december 2003 heeft appellante nadere stukken aan verweerder toegezonden.

- Vervolgens is het bestreden besluit genomen.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn weigering de gevraagde verklaring af te geven gehandhaafd. Blijkens dit besluit staat verweerder op het standpunt dat het verzoek van appellante niet is gedaan binnen de in artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling gestelde termijn van drie maanden na het aangaan van de verplichtingen ter zake van het bedrijfsmiddel. Volgens verweerder zijn de verplichtingen aangegaan op 24 januari 2002, zijnde de datum waarop de door KEAD op 22 januari 2002 ondertekende huurovereenkomst en voorfinancieringsovereenkomst met betrekking tot het bedrijfsmiddel zijn geretourneerd aan Leaseco. Ter zitting heeft verweerder in aanvulling hierop te kennen gegeven dat hier zijns inziens niet het aangaan van de huurovereenkomst en de voorfinancieringsovereenkomst als zodanig bepalend is, doch de daaruit blijkende totstandkoming van de koop van het bedrijfsmiddel van Unica Ponsioen. De indiening van het verzoek op 27 juni 2002 buiten de daarvoor geldende termijn heeft tot gevolg dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerder is voorts van mening dat de omstandigheid dat de bedoelde overeenkomsten volgens appellante zijn aangegaan onder voorbehoud van de uitkomsten van een onderzoek naar de kredietwaardigheid van de huurder (opschortende voorwaarde), er niet aan af doet dat de verplichtingen wel degelijk reeds op 24 januari 2002 zijn aangegaan. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ook het mogelijk verstrekken van onjuiste (algemene) informatie door één van de medewerkers van zijn agentschap Senter (thans: SenterNovem) niet leidt tot een andere conclusie.

3.2 Appellante heeft ter zitting te kennen gegeven dat het bij Leaseco praktijk is dat in gevallen als het onderhavige tegelijk met het aangaan van de huurovereenkomst en de voorfinancieringsovereenkomst ter zake van het bedrijfsmiddel met de cliënt ook de koop van het bedrijfsmiddel van de leverancier – veelal telefonisch – wordt gesloten. De in de huurovereenkomst opgenomen vermeldingen dat in overleg tussen partijen en leverancier Unica Ponsioen is besloten tot aankoop van het bedrijfsmiddel door Leaseco en – in artikel 1 van die overeenkomst – dat het bedrijfsmiddel door tussenkomst van huurder KEAD en op door huurder bepaalde voorwaarden door Leaseco is gekocht, zijn in overeenstemming met de geschetste praktijk. De vermelding in artikel 1 van de voorfinancieringsovereenkomst dat Leaseco het bedrijfsmiddel na ontvangst van de door KEAD voor akkoord getekende facturen zal kopen ziet, naar appellante verder ter zitting te kennen heeft gegeven, enkel op de betaling van de facturen en niet op de aankoop van het bedrijfsmiddel, zodat het op dit punt bepaalde in de voorfinancieringsovereenkomst niet in strijd is met het bepaalde in de huurovereenkomst.

3.3 Onder de hiervoor bedoelde omstandigheden dient er naar het oordeel van het College in beginsel van uit te worden gegaan dat in het voorliggende geval is gehandeld overeenkomstig de bij Leaseco bestaande praktijk en de koop met leverancier Unica Ponsioen is gesloten op dezelfde datum als die waarop de huurovereenkomst en voorfinancieringsovereenkomst met huurder KEAD zijn gesloten. Zulks zou slechts anders zijn, indien appellante aannemelijk maakt dat in dit geval in weerwil van het vermelde in de huurovereenkomst is gehandeld in afwijking van die praktijk. Appellante heeft in dit verband naar voren gebracht dat de teksten van de huurovereenkomst en de voorfinancierings-overeenkomst standaardteksten zijn, die in het voorliggende geval ten onrechte zijn gebruikt, en dat zij vanwege ontstane technische problemen daadwerkelijk pas op 27 maart 2002 telefonisch aan Unica Ponsioen te kennen heeft gegeven het bedrijfsmiddel te kopen. Het College acht deze enkele mededelingen van appellante, zonder substantiëring, evenwel onvoldoende overtuigend om aannemelijk te achten dat de bestaande praktijk hier niet is gevolgd.

Gelet op het vorenstaande dient er van uit te worden gegaan dat op of omstreeks 22 januari 2002 tussen appellante en Unica Ponsioen een koopovereenkomst is gesloten met betrekking tot het bedrijfsmiddel, waarmee appellante verplichtingen is aangegaan ter zake van de aanschaffing van dit bedrijfsmiddel. De stelling van appellante dat de bedoelde overeenkomsten (waaronder, naar het College begrijpt, ook de koopovereenkomst met Unica Ponsioen) zijn aangegaan onder voorbehoud van de uitkomsten van een onderzoek naar de kredietwaardigheid van de huurder, kan er niet aan afdoen dat wel degelijk verplichtingen zijn aangegaan ter zake van de aanschaffing van het bedrijfsmiddel.

Verweerder heeft zich gelet op het hiervoor overwogene en in aanmerking genomen dat de datum van indiening van het verzoek op 27 juni 2002 niet in geschil is terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek is ingediend buiten de daarvoor geldende termijn.

3.4 Appellante heeft zich voorts beroepen op het gestelde in een door Ernst & Young Belastingsadviseurs – bij de aanvraag optredend voor appellante – gemaakte notitie, gedateerd 2 mei 2001, naar aanleiding van een telefonisch onderhoud met een medewerker van Senter. In die notitie is vermeld dat (volgens de bedoelde medewerker) het moment van aankoop door een lessor (in het onderhavige geval Leaseco) bepalend is voor de (aanvang van de) in de Uitvoeringsregeling genoemde meldingstermijn en dat (het moment van aangaan van) de huurovereenkomst in geen geval als zodanig wordt gezien. Nu uit het vorenstaande blijkt dat verweerder, naar hij ter zitting heeft bevestigd, ook in de voorliggende zaak de datum van aankoop door appellante als aanvangsmoment ziet van de meldingstermijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling en er op grond van het bepaalde in de huurovereenkomst en de voorfinancieringsovereenkomst in samenhang met de door appellante geschetste uitvoeringspraktijk van uit moet worden gegaan dat die datum op of omstreeks 22 januari 2002 is gelegen, valt niet in te zien dat afwijzing van het verzoek van appellante wegens het te laat indienen van het verzoek (tegelijk met het doen van de melding) zich niet met het in de notitie gestelde verdraagt.

Het beroep van appellante op deze notitie faalt dan ook.

3.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan niet worden staande gehouden dat verweerder zijn weigering appellante een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, Wet IB te geven ten onrechte in bezwaar heeft gehandhaafd.

Mitsdien zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met teopassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.A. van der Ham en mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2004.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. B. van Velzen