Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR4859

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
01-11-2004
Zaaknummer
AWB 03/1071
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 03/1071 13 oktober 2004

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en A-B, te C, appellante,

gemachtigde: L. Nicolaij, werkzaam bij W. Nicolaij B.V. te Balk,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K.J.H. Terwal, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 1 september 2003, bij het College binnengekomen op 3 september 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar tegen verweerders afwijzing van haar op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) ingediende aanvragen voor slachtpremie.

Bij brief van 22 oktober 2003 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 22 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 21 juli 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

De Regeling luidt voor zover hier en ten tijde van belang:

"Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

deelnamemelding: melding als bedoeld in artikel 34 van verordening 2342/1999

Artikel 2.3

(...)

2. Terzake van het slachten of uitvoeren naar een derde land van een rund dat op de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, blijkens de gegevens uit het I&R-systeem rund tenminste acht maanden oud is, wordt op daartoe strekkende aanvraag overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en verordeningen 1254/1999 en 2342/1999 aan producenten premie verstrekt.

Artikel 2.4a

1. Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, in aanmerking te komen dient de producent, onverminderd artikel 2.4b, een deelnamemelding in.

2. In de deelnamemelding verklaart de producent in ieder geval in aanmerking te willen komen voor premie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, alsmede dat terzake van het slachten van op zijn bedrijf gehouden runderen in een in Nederland gelegen abattoir de aanvraag voor premie namens deze producent door het betrokken abattoir wordt ingediend.

3. (…)

Artikel 2.4b

1. De producent kan een aanvraag voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, uitsluitend indienen na ontvangst van diens deelnamemelding.

(...)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante mest op haar bedrijf kalveren op basis van een met W. Nicolaij B.V. te Balk afgesloten contract.

- Op 4 januari 2000 heeft mevrouw D, medewerkster van W. Nicolaij B.V. (hierna: D) telefonisch contact gehad met LASER-medewerkster mevrouw E (hierna: E). Bij faxbericht van die datum heeft D de inhoud van dit telefoongesprek bevestigd. Dit faxbericht luidt voor zover hier van belang als volgt:

" Naar aanleiding van het telefonisch onderhoud van vanmorgen doen wij u hierbij de lijst toekomen van onze relaties waar onze kalveren staan op contract-basis.

Zoals besproken kijkt u na in het systeem of men al een relatienummer heeft, en vult de gegevens in op het inschrijfformulier BRS en het deelnameformulier regeling dierlijke EG-premies; onderdeel slachtpremie zoals bij u in het systeem vermeld staan.

Vriendelijk verzoeken wij u het totale door u opgemaakte pakket naar ons adres te sturen. Zodat wij het verder doornemen en opsturen naar onze relatie."

- Bij niet gedateerd faxbericht heeft E de door D toegezonden lijst met namen van mesters retour gezonden, nadat zij de daarop vermelde mesters heeft genummerd; appellante kreeg het nummer 8. Tevens heeft zij een uitdraai uit het bedrijfsregistratiesysteem toegezonden, waaruit blijkt dat appellante onder relatienummer 60129763 bij LASER Regio Zuidwest staat geregistreerd.

- Vervolgens zijn door het slachthuis, verspreid over het jaar 2001, in totaal 173 slachtmeldingen, zijnde tevens aanvragen voor slachtpremie namens appellante, gedaan voor van het bedrijf van appellante afkomstige runderen.

- Bij besluit van 19 augustus 2002 heeft verweerder de 173 aanvragen voor slachtpremie afgewezen. Uit de in de bijlage bij dit besluit genoemde afwijscode 5 blijkt dat de aanvragen zijn afgewezen omdat slachtpremie werd aangevraagd terwijl er geen deelnamemelding van appellante was ingediend.

- Op 2 september 2002 heeft appellante een bezwaarschrift, aangevuld bij brief van 5 november 2002, ingediend.

- Na een op 4 juni 2003 gehouden hoorzitting heeft verweerder vervolgens het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - samengevat - het volgende overwogen.

Allereerst kan worden vastgesteld dat pas op 14 maart 2002 een melding van appellante werd ontvangen waarmee zij zich aanmeldt als deelneemster aan de slachtpremieregeling. Dit betekent dat er in 2001 niet voldaan werd aan de in artikel 2.4b van de Regeling neergelegde voorwaarde dat een producent uitsluitend een aanvraag kan indienen na ontvangst van diens deelnamemelding.

Het beroep dat appellante doet op het vertrouwensbeginsel gaat niet op nu er zijdens LASER geen gerechtvaardigde, rechtens te honoreren verwachtingen zijn gewekt. In dit verband is van belang dat de LASER- medewerkster die contact heeft gehad met D niet in de positie verkeerde om verweerder te binden. Aan uitspraken van een medewerker die niet beslissingsbevoegd is, kan geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend.

Daarenboven is de mededeling dat appellante een registratienummer bij LASER heeft, van een andere orde dan een uitspraak dat appellante geregistreerd zou staan als deelneemster aan de slachtpremieregeling.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Door D is aan E niet gevraagd of appellante een relatienummer had bij LASER. Wel gevraagd is of appellante geregistreerd staat als deelnemer slachtpremie met een relatienummer EG-premies onderdeel slachtpremie. Uit de reactie zijdens LASER heeft appellante de overtuiging gekregen dat appellante geregistreerd stond als deelneemster aan de slachtpremieregeling. Zij meent op door LASER verstrekte informatie te mogen vertrouwen.

Appellante had geen enkele reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de LASER- medewerkster. Appellante is niet in staat om op afstand te beoordelen of er nu wel of niet met een beslissingsbevoegde LASER- medewerker contact is.

5. De beoordeling van het geschil

Gelet op de artikelen 2.4a, eerste lid, en 2.4b, eerste lid, van de Regeling stelt hetgeen appellante heeft aangevoerd, het College voor de vraag of appellante heeft mogen aannemen dat harerzijds een deelnamemelding als bedoeld bij die artikelen was ingediend. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Het faxbericht van 4 januari 2000, hiervoor in paragraaf 2.2 aangehaald, bevat niet een ondubbelzinnige en namens appellante gestelde vraag of verweerder een deelnamemelding als bedoeld van appellante had ontvangen.

Evenmin ziet het College, gezien de tekst van genoemd faxbericht, grond voor het oordeel dat verweerder daaruit had moeten afleiden dat appellante in twijfel verkeerde of een door haar verzonden deelnamemelding wel door verweerder was ontvangen, noch dat verweerder had behoren na te gaan en te berichten of hij deelnamemeldingen van alle in dat faxbericht genoemde producenten had ontvangen.

De omstandigheid dat verweerder vervolgens appellante een uitdraai uit het bedrijfsregistratiesysteem heeft toegestuurd en hiermee heeft volstaan, kan op zich zelf derhalve niet een gerechtvaardigd vertrouwen bij appellante hebben gewekt dat verweerder ook beschikte over een door appellante ingediende deelnamemelding om te voldoen aan artikel 2.4a, eerste lid, van de Regeling.

Appellante heeft ook geen andere omstandigheden genoemd die aannemelijk maken dat zij voorafgaande aan de afgewezen premieaanvragen een deelnamemelding zou hebben ingediend.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond

Aldus gewezen door mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004.

w.g. M.J. Kuiper w.g. F.W. du Marchie Sarvaas