Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR4804

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
01-11-2004
Zaaknummer
AWB 03/1204
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

bijdragen voor runderen in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies

Wetsverwijzingen
Regeling dierlijke EG-premies 2.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/1204 27 oktober 2004

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te X, appellante,

gemachtigde: mr. L.J.L Heukels, advocaat te Haarlem,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 24 september 2003, bij het College binnengekomen op 25 september 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op 3 bezwaarschriften van appellante gericht tegen respectievelijk:

a) een besluit van 8 mei 2002, waarbij appellante voor het verkoopseizoen 2001 is uitgesloten van bijdragen voor runderen in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies ( hierna: de Regeling);

b) een besluit van 20 juni 2002, houdende afwijzing van appellantes premieaanvraag op grond van de Regeling voor het aanhouden van 13 zoogkoeien;

c) een besluit van 4 juli 2002, houdende de terugvordering van € 13.313,60 aan reeds aan appellante op grond van de Regeling uitbetaalde slachtpremie.

Bij brief van 30 oktober 2003 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 26 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 15 september 2004 heeft het onderzoek ter zitting- gelijktijdig met het onderzoek in de bij het College onder zaaknummer 03/1205 aanhangig gemaakte zaak van B te X- plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden. Voorts was het lid van de maatschap A aanwezig.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EEG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (Pb 1999; L 160: blz. 21) luidt voor zover hier van belang;

“Artikel 4

Aan rundvleesproducenten die op hun bedrijf mannelijke runderen houden kan op hun verzoek een speciale premie worden verleend. (….).

Artikel 6

1. Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf , kan op hun verzoek een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). (….)

Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (…)

Artikel 23

1. Wanneer residuen van stoffen die op grond van Richtlijn 96/22/EG van de Raad verboden zijn of residuen van stoffen die op grond van de genoemde richtlijn zijn toegestaan maar op illegale wijze zijn gebruikt, met toepassing van de relevante bepalingen van Richtlijn 96/23/EG van de Raad inzake controle worden aangetroffen bij een dier van het rundveebeslag van een producent, dan wel wanneer een niet-toegestane stof of een niet-toegestaan product, of een op grond van de eerstgenoemde richtlijn toegestane stof of toegestaan product die/dat evenwel illegaal voorhanden is, in welke vorm ook op het bedrijf van die producent wordt aangetroffen, wordt de betrokken producent voor het kalenderjaar waarin een en ander is vastgesteld, uitgesloten van de bedragen waarin de bepalingen van deze afdeling voorzien.

(….)”

Artikel 2.8 van de Regeling luidt voor zover hier en ten tijde van belang:

“1. Indien enige verplichting op grond van de toepasselijke communautaire regelgeving of deze regeling niet wordt nageleefd, vinden de daartoe gestelde regelen in verordening 3508/92 en verordening 3887/92 en in voorkomend geval Verordening 2700/93 toepassing.

2 (…)

3. Onverminderd de maatregelen op grond van het eerste lid ontvangt een producent geen runderpremie naar aanleiding van de ingediende premieaanvragen, indien hij in het jaar waarin die premie is aangevraagd een overtreding heeft begaan van:

a. artikel 3 van het Besluit verboden stoffen Diergeneesmiddelenwet;

b. artikel 3 van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten;

c. verordeningen van het Produktschap Vee en Vlees ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten.

4. (…)”

Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan (Pb 1996; nr. L125; blz. 10) luidde ten tijde van belang:

“Artikel 6

1. (…)

2. Het heronderzoek van de overeenkomstig bijlage II op te sporen groepen residuen, alsmede de vaststelling van de nog niet in bijlage IV opgenomen niveaus en frequenties van de monsternemingen voor de in artikel 3 genoemde dieren en produkten, geschieden volgens de procedure van artikel 33 en voor het eerst binnen 18 maanden na de aanneming van deze richtlijn. Daarbij wordt rekening gehouden met de ervaring die in het kader van de bestaande nationale maatregelen is opgedaan, alsmede met de gegevens die aan de commissie zijn medegedeeld op grond van de bestaande communautaire voorschriften waarbij de opsporing van residuen voor deze specifieke sectoren verplicht wordt gesteld.

Artikel 15

1. (…)

2. Voor de stoffen van groep A moet een positieve uitkomst die geconstateerd wordt naar aanleiding van een gebruikelijke methode in plaats van een referentiemethode, door een erkend laboratorium worden bevestigd aan de hand van de daartoe volgens lid 1 vastgestelde referentiemethoden.

Voor alle stoffen geldt dat, indien de uitkomst wordt aangevochten op basis van een analyse op tegenspraak, deze resultaten bevestigd moeten worden door het nationale referentielaboratorium dat overeenkomstig artikel 14, lid 1, voor de betrokken stof of het betrokken residu is aangewezen; wanneer deze laatste bevestiging positief is, komen de kosten ten laste van de eiser.

(…)”

Artikel 3, eerste lid, van het Besluit verboden stoffen Diergeneesmiddelenwet bepaalt dat door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen diergeneesmiddelen niet aan landbouwhuisdieren mogen worden toegediend. In artikel 2, eerste lid, van de Regeling gebruik hormonen en ß- agonisten wordt vervolgens aangegeven welke diergeneesmiddelen dit betreft.

Artikel 2, eerste lid, van de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten 1997, van het Productschap vee en Vlees geeft vervolgens invulling aan artikel 2 van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten, welke regeling is gebaseerd op de Landbouwwet. In genoemd artikellid van de Verordening is bepaald dat dieren, waaraan de verboden stoffen zijn toegediend, niet in de handel mogen worden gebracht.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft zich met een door verweerder op 24 december 1999 ontvangen formulier aangemeld als deelnemer aan de slachtpremieregeling.

- Appellante heeft met een door verweerder op 17 augustus 2001 ingekomen formulier een premieaanvraag ingediend voor het aanhouden van 13 zoogkoeien. Deze aanvraag is geregistreerd onder nummer 4518545.

- Appellante heeft met een door verweerder op 24 augustus 2001 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor het aanhouden van 7 stieren. Deze aanvraag is geregistreerd onder nummer 4521628.

- In de loop van het jaar 2001 heeft het slachthuis, namens appellante, diverse aanvragen ingediend voor slachtpremie. Deze aanvragen werden geregistreerd onder nummer 4027199.

- Bij besluit van 8 mei 2002 heeft verweerder appellante, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1254/1999, meegedeeld dat uit informatie van de AID is gebleken dat op 31 mei 2001 op het bedrijf van appellante dan wel bij een dier afkomstig van appellantes bedrijf de stof stanozolol is aangetoond. Daarmee heeft appellante de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen hormanale werking en van bepaalde stoffen met met thyreostatische werking, alsmede van ß- agonisten 1997 overtreden. Als gevolg van deze overtreding en de bepalingen van de Raadsverordening heeft verweerder appellante voor het verkoopseizoen 2001 uitgesloten van bijdragen voor runderen in het kader van de Regeling. Tengevolge van deze uitsluiting heeft verweerder de aanvragen met de nummers 4518545 (de aanvraag zoogkoeien), 4521628 (de aanvraag stieren) en 4027199 (de aanvragen voor slachtpremie) van appellante afgewezen.

- Bij een op 18 juni 2002 bij verweerder ingekomen faxbericht heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bezwaarschrift heeft appellante onder meer het volgende vermeld:

“ (…) De reden van mijn bezwaar is het feit dat ik nog steeds geen uitslag heb ontvangen, noch de mogelijkheid gehad heb tot contra-expertise. (…)”

- Op 19 juli 2002 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen verweerders besluit van 20 juni 2002 waarbij haar premieaanvraag voor 13 zoogkoeien is afgewezen.

- Op 24 juli 2002 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 4 juli 2002 waarbij €13.313,60 aan reeds uitbetaalde slachtpremie werd teruggevorderd.

- Na een op 17 juni 2003 gehouden hoorzitting heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en de daarbij gegeven toelichting

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

“Blijkens informatie van de AID is op 30 mei 2001 op het slachthuis in Y een vrouwelijk rund met de ID-code BE *, afgeleverd, welke afkomstig was van de maatschap A. Bij onderzoek is geconstateerd dat dit monster positief was op stanozolol. Door de AID is van dit feit proces-verbaal opgemaakt, welke is doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie onder het parketnummer **.

In uw bezwaarschrift geeft u aan dat de rechter over deze kwestie nog een uitspraak moet doen. Tijdens de hoorzitting van 17 juni 2003 heeft u uitgelegd dat het betreffende rund met de ID-code BE * van uw bedrijf afkomstig is. Tevens is uit het proces-verbaal gebleken dat op 12 juni 2001 door de AID urinemonsters zijn afgenomen bij 31 runderen. Bij onderzoek door RIKILT in Wageningen zijn 12 runderen, die tot uw rundveebeslag horen, positief bevonden. Ook zijn enkele naalden en spuiten, gevonden in de stallen en het woonhuis op de M te X, positief bevonden. Tijdens de hoorzitting heeft u verklaard dat deze naalden en spuiten van u waren, maar u betwijfelt of deze wel echt positief zijn, daar u al deze monsters niet mag zien. U heeft tijdens de hoorzitting gezegd dat u niet bij de contra-expertise mag zijn die de rechter gelast heeft. U heeft hierover een brief overhandigd aan de officier van justitie, mr. D. Hierin staat echter alleeen dat u niet toegestaan wordt om zelf de monsters in handen te krijgen om deze te vervoeren.Wel zal een contra-expertise plaatsvinden. Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat LASER wat u betreft met het nemen van de beslissing op uw bezwaarschriften niet hoeft te wachten op de uitspraak van de economische politierechter.

Uit het proces-verbaal, opgesteld door de AID is gebleken dat er bij 31 runderen, behorende tot uw rundveebeslag en bij diverse monsters afkomstig van uw bedrijf op de M te X, stanozolol is aangetroffen, zijnde een verboden stof als bedoeld in artikel 1, zevende lid van Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten 1997.”

In het verweerschrift heeft verweerder ter toelichting op zijn standpunt nog naar voren gebracht dat uit artikel 23 van Verordening 1254/99 en artikel 2.3 van de Regeling blijkt dat voor uitsluiting niet relevant is of de veehouder verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aanwezigheid van verboden stoffen. De enkele aanwezigheid van verboden stoffen is voldoende om tot uitsluiting over te gaan.

Door runderen aan te kopen in België heeft appellante bewust het risico gelopen dat zij dieren zou kopen die met verboden stoffen zijn behandeld. Dit valt binnen haar risicosfeer.

Ter zitting heeft verweerder allereerst betoogd dat het beroepschrift niet tijdig werd ingediend en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Daarnaast heeft verweerder onderstreept dat de uitsluiting van betalingen op grond van de Regeling gebaseerd is op het feit dat in het slachthuis bij een van appellantes bedrijf afkomstig rund stanozolol- een verboden stof ingevolge de Verordening en de Diergeneesmiddelenwet- werd aangetroffen. Vervolgens is een strafrechtelijk traject gestart omdat bij een monsterneming op het bedrijf van appellante meerdere dieren eveneens positief bleken te zijn. Los van de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek is dus reeds tot uitsluiting overgegaan.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft- samengevat- het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Allereerst geldt dat het bestreden besluit van 23 juli 2003 appellante- om welke reden dan ook- in eerste instantie niet heeft bereikt. Pas toen appellante medio september telefonisch bij LASER navraag deed naar de stand van zaken met betrekking tot de aan haar toe te kennen premies vernam zij dat er reeds op 23 juli 2003 een besluit zou zijn genomen. Bij brief van 16 september heeft verweerder dit besluit alsnog toegezonden. Duidelijk is dat appellante, gelet op het feit dat het bestreden besluit voor haar grote nadelige gevolgen heeft, zeker binnen de beroepstermijn beroep zou hebben ingesteld. Slechts omdat zij pas via de brief van 16 september 2003 kennis nam van het besluit werd het beroep pas bij brief van 24 september 2003 ingesteld. Gelet hierop is de termijnoverschrijding verschoonbaar.

Appellante ontkent dat tijdens een controle van de AID bij een van haar bedrijf afkomstig rund stanozolol zou zijn aangetroffen. Dit is alleen al weinig aannemelijk nu het slachthuis alle door appellante op 31 mei 2001 aangevoerde runderen heeft geslacht en betaald. Daarnaast is uit een verhoor van diverse opsporingsambtenaren op 15 april 2003 door de Rechtbank te Middelburg gebleken dat de AID helemaal geen onderzoek op het slachthuis heeft gedaan. Daarenboven maakt de RVV, die het residu- onderzoek te Y heeft uitgevoerd, melding van het feit dat het positief bevonden rund afkomstig zou zijn van de maatschap Aa.

Verweerder baseert zijn standpunt voornamelijk op het bepaalde in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1254/1999. In dat artikel wordt de eis gesteld dat residuen van verboden stoffen moeten zijn aangetroffen krachtens de bepalingen uit de Richtlijn 96/22 EU met toepassing van de relevante bepalingen van Richtlijn 96/23 EU. Verweerder, die zich baseert op de juistheid van door de AID aangeleverde gegevens, maakt echter op geen enkele wijze duidelijk dat bij het onderzoek volgens deze Richtlijnen werd gehandeld. Met name is niet gebleken dat artikel 6, lid 2, jo artikel 15, lid 2, van Richtlijn 96/23 betreffende de contra-expertise van de resultaten van het monsteronderzoek juist is toegepast.

Appellante heeft om tegenonderzoek gevraagd, maar is daartoe niet in de gelegenheid gesteld. De rechtbank Middelburg heeft in het kader van de strafzaak- die overigens eindigde in een veroordeling van appellante, waartegen inmiddels hoger beroep is ingesteld- gelast dat er heronderzoek diende te komen naar de resultaten van het monsteronderzoek die leidden tot de conclusie dat er op het bedrijf van appellante 12 runderen positief werden bevonden. Het Openbaar Ministerie heeft echter geweigerd tot heronderzoek over te gaan.

Dit betekent dat verweerder ten onrechte op de door de AID verstrekte gegevens is afgegaan, omdat de AID op geen enkele wijze heeft aangegeven dat conform de Richtlijnen 96/22 en 96/23 werd gehandeld. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten zich er van te overtuigen dat wel conform deze richtlijnen is gehandeld.

Ook indien zou vast staan dat in het te Y in het slachthuis gecontroleerde rund na een correcte monsterprocedure stanozolol is aangetroffen, dan geldt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te doen naar de oorsprong van de aanwezigheid van deze stof. Het enkele feit dat de stof is aangetroffen sluit niet uit dat de vorige eigenaar deze stof heeft toegediend; in dat geval kan appellante moeilijk een verwijt treffen. Zolang er geen onherroepelijk strafvonnis voorligt op grond waarvan vast staat, dat er sprake is geweest van aan appellante toe te rekenen verwijtbare aanwezigheid van verboden stoffen kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep overweegt het College als volgt.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit van 23 juli 2003 op dezelfde dag is verzonden. Hij heeft daartoe een kopie overgelegd van het door hem van iedere bezwaarprocedure bijgehouden verslagsysteem. Uit dit systeem- dat geen rubriek bevat waarachter de verzenddatum van brieven en besluiten kan worden genoteerd- kan het College niet eenduidig en niet voor twijfel vatbaar afleiden dat de verzending van het, overigens juist geadresseerde, besluit inderdaad op 23 juli 2003 heeft plaatsgevonden. Nu niet vast staat op welke datum het besluit verzonden is, valt niet uit te sluiten dat het besluit uiteindelijk pas bij brief van 16 september 2003 aan appellante is toegezonden. Onder deze omstandigheden ziet het College geen aanleiding tot niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding van het beroep over te gaan; het beroep is daarom ontvankelijk.

5.2 Het College overweegt allereerst dat aan het primaire besluit van 8 mei 2002 ten grondslag is gelegd dat uit informatie van de AID is gebleken- een zinsnede die in het bestreden besluit is herhaald- dat bij een op 30 mei 2001 uitgevoerde controle in een van het bedrijf van appellante afkomstig rund in het slachthuis te Y stanozolol is aangetroffen. Anders dan appellante meent is hierin niet te lezen dat ook het controleonderzoek door de AID zou zijn uitgevoerd. De grief van appellante dat verweerder zich ten onrechte baseert op een door de AID uitgevoerd onderzoek, terwijl dit onderzoek in werkelijkheid door de RVV werd uitgevoerd, kan dus niet slagen.

5.3 Dat in het formulier residuonderzoek, dat als bijlage is gevoegd bij de brief van het Centraal Laboratorium RVV van 5 juni 2001, waarin de resultaten van het laboratoriumonderzoek van het monster dat van het te Someren geslachte rund ID BE * is getrokken worden weergegeven, vermeld staat dat dit rund afkomstig zou zijn van maatschap Aa berust op een kennelijke verschrijving. Het betreffende rund is immers blijkens de door verweerder overgelegde betalingsspecificatie van 30 november 2001 voor de slachtpremie 2001 afkomstig van het bedrijf van appellante. Het College gaat derhalve voorbij aan hetgeen appellante op dit punt heeft aangevoerd.

5.4 Met betrekking tot de grief van appellante dat er geen contra-expertise heeft plaatsgevonden met betrekking tot het te Y positief bevonden rund overweegt het College als volgt.

De Hoofdinspecteur van de AID heeft, namens verweerder, bij beschikking van 11 juni 2001, naar aanleiding van het feit dat het rund te Y positief werd getest op de aanwezigheid van stanozolol, tot ondertoezichtplaatsing besloten van alle runderen op het bedrijf van appellante. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt en evenmin is toen door haar om een contra-expertise van het door de RVV afgenomen monster gevraagd. Gelet hierop is het College nagegaan in hoeverre verweerder uit het op 18 juni 2002 ingediende bezwaarschrift van appellante kon en mocht begrijpen dat appellante een contra-expertise voor het te Y positief bevonden rund wenste aan te vragen. Het College overweegt daaromtrent het volgende.

Het resultaat van de monsterneming moet appellante in ieder geval bekend zijn geworden uit het besluit tot ondertoezichtstelling van op dat ogenblik reeds ruim een jaar geleden. Appellante heeft gedurende die periode geen contra-expertise gevraagd. Dit gegeven in aanmerking genomen, behoefde verweerder niet uit het gestelde in het bezwaarschrift af te leiden, dat appellante zodanige contra-expertise ten tijde van de indiening van het bezwaar alsnog wenste aan te vragen. Evenmin bestaat er, gelet op het voorgaande, aanleiding voor de conclusie dat verweerder op dat moment gehouden zou zijn geweest om eigener beweging te onderzoeken of er alsnog een contra-expertise op het monster van het te Y geslachte rund mogelijk was.

5.5 Het College stelt vervolgens vast dat noch uit de artikelen 6 en 15 van Richtlijn 96/23 EG, noch elders uit deze Richtlijn en evenmin uit de Richtlijn 96/22 EG blijkt, dat een contra-expertise anders dan op verzoek van de bezwaarde wordt uitgevoerd. Nu een dergelijk verzoek ten tijde van het bestreden besluit niet was gedaan, faalt het betoog van appellante dat zij ten onrechte geen gelegenheid heeft gehad om voor het te Y geslachte rund een contra-expertise te laten uitvoeren.

Evenmin heeft het College kunnen vaststellen dat het proces van monsterneming anderszins strijdig met genoemde Richtlijnen heeft plaatsgevonden.

5.6 Ten onrechte meent appellante dat uit de redactie van artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 zou zijn af te leiden dat voor uitsluiting van betaling van premies in een geval als dat van appellante relevant is of de betrokken producent enige schuld treft. De enkele aanwezigheid van residuen van de verboden stoffen is voor uitsluiting voor de periode van 1 jaar voldoende.

5.7 Nu verweerder primair de aanwezigheid van stanazolol bij het in Y geslachte rund ten grondslag heeft gelegd en dit enkele feit reeds voldoende grond oplevert om tot uitsluiting over te gaan, behoeft het College niet in te gaan op hetgeen appellante heeft aangevoerd tegen de constateringen van verweerder op grond van het op 12 juni 2001 op het bedrijf van appellante uitgevoerde onderzoek.

5.8 Voor zover appellante heeft willen betogen dat verweerder met de beslissing op bezwaar had moeten wachten totdat in de strafzaak- in welk kader wel om een contra-expertise werd gevraagd- een besluit zou zijn gevallen, merkt het College op dat appellante zelf tijdens de hoorzitting op 17 juni 2003 te kennen heeft gegeven dat het niet nodig was op de afloop van de strafzaak te wachten.

5.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep betreffende het besluit tot uitsluiting van premies op grond van de Regeling voor het jaar 2001 ongegrond is. Bijgevolg is het beroep voor zover dat betrekking heeft op de ongegrondverklaring van de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 20 juni 2002 en 4 juli 2002 eveneens ongegrond.

5.10 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.S. Hoppener