Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR4799

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
01-11-2004
Zaaknummer
AWB 03/856
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

overdracht van een referentiehoeveelheid melk ingevolge de Regeling superheffing 1993

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/856 13 oktober 2004

10720 Regeling superheffing 1993

overdracht

Uitspraak in de zaak van:

Bema Agri B.V., te Niekerk, appellante,

gemachtigde: mr. H.A. Gooskens, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. G.W.P.A. van Schijndel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 25 juli 2003, bij het College binnengekomen op 28 juli 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 juni 2003.

Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van het verzoek om registratie voor de heffingsperiode 2002-2003 van overdracht van een referentiehoeveelheid melk ingevolge de Regeling superheffing 1993.

Bij brief van 13 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 1 september 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht. Namens appellante was tevens aanwezig A. Verweerders gemachtigde heeft zich laten bijstaan door L.J. Koers.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling superheffing 1993 (hierna: de Regeling) bevat onder meer de volgende bepalingen:

Ҥ 6. Overdracht van een referentiehoeveelheid

Artikel 15

1. Een referentiehoeveelheid kan worden overgedragen in samenhang met de overdracht van voor de melkproductie gebruikte grond, niet zijnde een geheel bedrijf, als overeengekomen door betrokken partijen met inachtneming van de hierna volgende bepalingen.

2. De over te dragen referentiehoeveelheid mag niet meer bedragen dan 20.000 kg per hectare grond.

3. De over te dragen referentiehoeveelheid omvat minimaal 20.000 kg. Dit minimum behoeft niet in acht te worden genomen indien de totale referentiehoeveelheid van de vervreemder minder dan 20.000 kg bedraagt en deze hoeveelheid in zijn geheel wordt overgedragen. (…)

Artikel 18

1. Degenen die een referentiehoeveelheid op basis van artikel 15 (…) hebben verworven respectievelijk overgedragen, geven daarvan binnen een termijn van zes weken gezamenlijk kennis aan het productschap op een daartoe door het productschap voorgeschreven formulier, volgens daartoe door het productschap gestelde voorschriften. (…)

2. Er kan eerst een aanspraak op een referentiehoeveelheid worden gemaakt vanaf de registratie door het productschap.

3. Indien de overdracht bedoeld in het eerste lid in een tijdvak van een door het productschap te bepalen datum tot en met het einde van de heffingsperiode bij het productschap wordt aangemeld, of niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt aangemeld, wordt de aanspraak op de referentiehoeveelheid eerst erkend met ingang van de volgende heffingsperiode. (…)

Artikel 23

1. Onder overdracht wordt in deze paragraaf verstaan:

a. overdracht in eigendom onder bijzondere titel;

b. een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pachtwet betreffende los land hetwelk groter is dan één hectare of een hoeve geldend voor de duur van meer dan één jaar;

c. een schriftelijke pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pachtwet betreffende los land hetwelk niet groter is dan één hectare, geldend voor de duur van meer dan één jaar;

d. een door de grondkamer geregistreerde pachtoverenkomst als bedoeld in artikel 70f, tweede lid, van de Pachtwet, geldend voor de duur van meer dan één jaar doch voor ten hoogste twee jaar;

e. overdracht ingevolge vestiging, overdracht of tenietgaan van het recht van erfpacht of het recht van vruchtgebruik.

2. (…)

3. Voor het tijdstip van overdracht van de referentiehoeveelheid is bepalend:

a. (…);

b. de ingangsdatum van de pachtovereenkomst dan wel de datum waarop de betrokken partijen de pachtovereenkomst schriftelijk zijn aangegegaan, voor zover deze na de ingangsdatum ligt.”

De Zuivelverordening 1994, Uitvoering regeling superheffing, (hierna: de Verordening) bepaalt onder meer het volgende:

“Artikel 19

De in artikel 18 lid 1 van de regeling bedoelde kennisgevingen dienen te worden gedaan op een formulier waarvan het model door de voorzitter is vastgesteld. De in artikel 18 lid 3 van de regeling bedoelde datum is 1 januari in de betrokken heffingsperiode.

Bij het in lid 1 bedoelde formulier worden documenten gevoegd ten bewijze van de overdracht alsmede de overeenkomst met betrekking tot de overgang van de referentiehoeveelheid.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante en B hebben met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier, bij verweerder ontvangen op 31 december 2002, om registratie verzocht van een overdracht van fabrieksquotum van 40.000 kg met grond met ingang van de lopende heffingsperiode 2002/2003. Bij het verzoek was een tussen appellante en B te sluiten pachtovereenkomst gevoegd met als ingangsdatum 1 januari 2003 en einddatum 3 januari 2004. Deze overeenkomst was nog niet goedgekeurd door de grondkamer.

- De op 10 februari 2003 goedgekeurde pachtovereenkomst heeft verweerder op 18 februari 2003 ontvangen. Blijkens deze pachtovereenkomst zijn de ingangsdatum en de einddatum gewijzigd in 31 december 2002 en 2 januari 2004.

- Vervolgens heeft appellante een beschikking registratie fabrieksquotum heffingsperiode 2002/2003, gedateerd 28 februari 2003, ontvangen. Uit de bijlage blijkt dat bovengenoemde overdracht is geregistreerd met ingang van 1 januari 2003.

- Bij brief van 10 april 2003 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt, waarbij ze voor de gronden van het bezwaar heeft verwezen naar een eerder bezwaarschrift van 27 februari 2003 gericht tegen een besluit van 21 januari 2003.

- Op 15 mei 2003 heeft inzake het bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, waarbij onder meer het volgende is overwogen.

“Voor registratie van de overdracht van een referentiehoeveelheid met ingang van heffingsperiode 2002/2003 moet de melding van de overdracht van de referentiehoeveelheid en de bijbehorende grond uiterlijk op 31 december 2002 bij de COS zijn ingediend (artikel 18 lid 3 Regeling superheffing 1993 juncto artikel 19 lid 1 Zuivelverordening 1994, Uitvoering regeling superheffing). De termijn voor de melding van overdrachten is ingesteld om tijdig voor afloop van de heffingsperiode de quota te kunnen vaststellen, op basis waarvan de heffingsplichtige kopers (zuivelfabrieken) de verschuldigde heffing moeten berekenen en moeten innen. Deze termijn is dus van belang voor een juiste en tijdige uitvoering van de regeling superheffing.

In het COS infobulletin 2002 (…) is erop gewezen dat meldingsformulieren niet eerder kunnen worden ingediend dan ná de datum van overdracht van de grond.

De onderhavige transactie betreft een overdracht door middel van pacht in de zin van artikel 23, lid 1 sub b Regeling superheffing 1993. Hiervoor is goedkeuring vereist van de Grondkamer. Indien de goedkeuring ontbreekt, kan de melding bij de COS niet gezien worden als een melding van een overdracht in de zin van artikel 18 lid 3 Regeling superheffing 1993.

De goedkeuring door de Grondkamer van de (gewijzigde) pachtovereenkomst heeft op 10 februari 2003 plaatsgevonden. De goedgekeurde pachtovereenkomst is op 18 februari 2003 ontvangen door de COS, derhalve ná 31 december 2002.

Gezien het vorenstaande achten wij de bezwaren ongegrond. De beschikking van 28 februari 2003 blijft gehandhaafd.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep onder meer het volgende aangevoerd.

In de beschikking van 28 februari 2003 valt volgens appellante niet te lezen dat de onderhavige overdracht op een andere heffingsperiode betrekking heeft, nu de beschikking vermeldt dat het gaat om registratie van fabrieksquotum heffingsperiode 2002/2003. Hieruit leidt appellante af dat de onderhavige overdracht geregistreerd is in de heffingsperiode 2002/2003.

Appellante heeft toch tegen het besluit van 28 februari 2003 bezwaar gemaakt. Appellante heeft in 2002 meer quotum overgedragen. In het kader van die overdrachten heeft appellante een beschikking ontvangen dat die transacties niet geregistreerd zouden worden voor de heffingsperiode 2002/2003 maar voor de heffingsperiode 2003/2004, omdat op de pachtovereenkomsten als ingangsdatum vermeld stond 1 januari 2003. Dit had moeten zijn 31 december 2002. In een bezwaarschrift heeft appellante aangegeven dat sprake was van een vergissing. Omdat in de onderhavige pachtovereenkomst ook als ingangsdatum

1 januari 2003 is vermeld, heeft appellante met haar bezwaarschrift beoogd dat punt ook in deze overdracht recht te zetten. De andere overdrachten zijn alsnog geregistreerd, in tegenstelling tot de onderhavige.

Voor registratie van de overdracht is volgens appellante geen voorafgaande goedkeuring van de pachtovereenkomst door de Grondkamer vereist. Hierbij verwijst ze naar artikel 23, lid 3 van de Regeling. Bovendien vermeldt het meldingsformulier dit niet; slechts wordt vermeld dat het formulier voor 1 januari ingediend moet zijn. Uit niets blijkt dat de datum van goedkeuring door de Grondkamer bepalend is. In dit kader geeft appellante voorts aan dat de mededeling in het COS infobulletin niet bindend is en dat het bulletin overigens ook nooit door appellante is ontvangen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerder de overdracht van fabrieksquotum met grond terecht heeft geregistreerd met ingang van de heffingsperiode 2003/2004, ondanks het verzoek om de overdracht te registreren met ingang van de heffingsperiode 2002/2003. Het College overweegt hieromtrent, in lijn met zijn uitspraak van 26 mei 2004 met nummer Awb 03/565 (www.rechtspraak.nl, LJN nummer AP1328), als volgt.

5.2 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Regeling kan een referentiehoeveelheid worden overgedragen in samenhang met de overdracht van voor de melkproductie gebruikte grond, niet zijnde een geheel bedrijf. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Regeling geven degenen die een referentiehoeveelheid op basis van artikel 15 hebben verworven respectievelijk overgedragen hiervan kennis aan het productschap. Ingevolge artikel 18, derde lid, eerste volzin, van de Regeling juncto artikel 19 van de Verordening wordt, indien een referentiehoeveelheid op basis van artikel 15, eerste lid, is overgedragen en indien deze overdracht niet vóór 1 januari bij het productschap wordt aangemeld, de aanspraak op de referentiehoeveelheid eerst erkend met ingang van de volgende heffingsperiode.

In artikel 23, eerste lid, van de Regeling is limitatief bepaald wat in de hier toepasselijke paragraaf (§ 6. Overdracht van een referentiehoeveelheid) onder overdracht moet worden verstaan. Vast staat dat het in het onderhavige geval gaat om een overdracht in de zin van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling. Ingevolge laatstgenoemde bepaling wordt, voorzover hier van belang, onder een overdracht verstaan een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst.

Nu de tussen appellante en de heer B gesloten pachtovereenkomst door de Grondkamer pas is goedgekeurd op 10 februari 2003, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat er vóór de peildatum (1 januari 2003) geen sprake was van een kennisgeving van een voltooide overdracht van een referentiehoeveelheid ex artikel 18, eerste lid, van de Regeling. Immers, van een overdracht van een referentiehoeveelheid op basis van artikel 15, eerste lid, van de Regeling kan eerst kennis worden gegeven, indien ook de grond is overgegaan. Dit was pas op 10 februari 2003 het geval. Dat ingevolge artikel 23, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling voor het tijdstip van de overdracht van de referentiehoeveelheid bepalend is de ingangsdatum van de pachtovereenkomst dan wel de datum waarop de betrokken partijen de pachtovereenkomst schriftelijk zijn aangegaan, voorzover deze na de ingangsdatum ligt, maakt dit niet anders. Laatstgenoemde bepaling doet immers geen afbreuk aan de in artikel 18, derde lid, eerste volzin, van de Regeling gestelde termijn waarbinnen een overdracht moet worden aangemeld, en is voor de lopende heffingsperiode enkel relevant, indien de overdracht binnen de gestelde termijn wordt aangemeld.

5.3 Uit appellantes bezwaarschrift, dat verwijst naar een bezwaarschrift van 27 februari 2003 inzake andere overdrachten, blijkt dat het voor appellante duidelijk was dat verweerder de onderhavige overdracht en de overige overdrachten met ingang van de heffingsperiode 2003/2004 had geregistreerd. Hiertegen heeft appellante dan ook bezwaar gemaakt. Appellantes grief, dat uit het registratiebesluit niet blijkt dat geregistreerd is met ingang van de heffingsperiode 2003/2004, kan dan ook niet leiden tot het door haar beoogde doel.

5.4 Ook appellantes grief dat verweerder niet consequent heeft gehandeld, doordat de overige overdrachten alsnog zijn geregistreerd voor de heffingsperiode 2002/2003, terwijl dat voor de onderhavige overdracht niet is gebeurd, treft geen doel. Immers, het betrof in die andere gevallen overdrachten door middel van pacht als bedoeld in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder c van de Regeling, waarvoor geen goedkeuring van de Grondkamer vereist is.

5.5 Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. W.E. Doolaard, en mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.H. Vazquez Muñoz