Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR3508

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-10-2004
Datum publicatie
08-10-2004
Zaaknummer
AWB 03/647
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies energieprogramma's

Wetsverwijzingen
Besluit subsidies energieprogramma's
Uitvoeringsregeling BSE-duurzame energie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 03/647 5 oktober 2004

27314 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies energieprogramma's

Uitspraak in de zaak van:

A, appellant,

gemachtigden: drs. ing. E.J.N. Rijsdijk en drs. M. van Schalwijk, werkzaam bij respectievelijk A en Ecofys B.V. te Utrecht,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: drs. M.J. Brandenburg, werkzaam bij verweerders agentschap Senter/Novem.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 11 juni 2003, bij het College binnengekomen op 12 juni 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 mei 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van verweerder op appellants aanvraag om subsidieverlening in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma’s (Stb. 1997, 623; hierna: Besluit) ongegrond verklaard.

Bij brief van 15 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2004, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In het Besluit is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…);

c. project: een haalbaarheidsproject, een onderzoeks- of ontwikkelingsproject, een praktijkexperiment, een kennisoverdrachtproject, een demonstratieproject of een marktintroductieproject;

(…)

i. marktintroductieproject: een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit het in Nederland bij de aanvrager treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, met behulp van apparaten, systemen of technieken die reeds eerder zijn gedemonstreerd maar die in Nederland nog niet gebruikelijk zijn.

Artikel 2

1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die in Nederland een project uitvoert, dat past in een energieprogramma en naar het oordeel van Onze Minister het beste bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma.

2. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de energieprogramma’s vast. Een energieprogramma bevat een beschrijving van met elkaar samenhangende doelstellingen en soorten projecten, gericht op het bereiken van energiebesparing, de inzet van duurzame energie of de toepassing van energietechnieken die tot een geringere belasting van het milieu leiden.

(…)."

Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit heeft verweerder de Uitvoeringsregeling BSE-2002 duurzame energie (Stcrt. 2002, 66; hierna: Uitvoeringsregeling) vastgesteld. Hierin is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2

1.Als energieprogramma als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's, wordt vastgesteld het programma opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.

Bijlage Programma duurzame energie

A. Doel, afbakening

In het kader van het Besluit subsidies energieprogramma's wordt via diverse energieprogramma's subsidie verleend voor activiteiten op het gebied van energiebesparing en duurzame energie.

(…)

In het kader van het programma is verstrekking van subsidie mogelijk voor de volgende typen projecten (nadere omschrijving in artikel 1 van het Besluit subsidies energieprogramma's):

(…)

- marktintroductieprojecten.

(…)

B. Beoordeling

1. Aanvragen die niet voldoen aan het Besluit subsidies energieprogramma's en het gestelde in onderdeel A van dit programma, worden door de minister afgewezen.

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een daartoe bestemd formulier, ondertekend op 20 augustus 2002 en door verweerder ontvangen op 22 augustus 2002, heeft appellant een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie in het kader van het Besluit voor het project ‘PV in C’. Bij deze aanvraag is een projectbeschrijving gevoegd, alsook een offerte van Ecofys B.V. van 21 augustus 2001 en een door Ecofys B.V. opgestelde Haalbaarheidsstudie van augustus 2002.

- Bij besluit van 18 november 2002 heeft verweerder de aanvraag om subsidie afgewezen. Samengevat weergegeven acht verweerder daartoe redengevend dat de aanvraag niet voldoet aan de definitie van een marktintroductieproject als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, van het Besluit, omdat de te plaatsen PV-systemen worden geplaatst bij de erfpachters die echter geen (mede)aanvrager zijn en op het moment van de aanvraag ook niet bekend zijn.

- Bij brief van 2 december 2002 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Naar aanleiding van dit bezwaar is appellant op 4 februari 2003 gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit van 6 mei 2003 genomen, waarbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard. Daartoe heeft verweerder (onder meer) het volgende overwogen:

"De van toepassing zijnde regeling

Op grond van artikel 2, lid 1, van het BSE kan op aanvraag subsidie worden verstrekt voor projecten die passen in een energieprogramma en het beste bijdragen aan de realisering van de doelstelling van het programma. In artikel 1 worden de verschillende soorten projecten gedefinieerd die voor subsidie in aanmerking komen. Bij een marktintroductieproject (artikel 1 sub i) vermeldt de definitie dat het gaat om het treffen van voorzieningen bij de aanvrager.

Beoordeling van het bezwaar

Afwijzingsgrond was dat de in het project voorziene PV-systemen niet bij u als aanvrager werden geplaatst, rnaar bij uw toekomstige erfpachters. U stelt dat u deze erfpachters vertegenwoordigt. Nu deze nog niet bekend zijn, kan van vertegenwoordiging echter nog geen sprake zijn. Ik leg het BSE aldus uit, dat op het moment van indiening van de aanvraag de aanvrager, bij wie de voorzieningen worden getroffen, bekend dient te zijn. Voorzover in het verleden soms op andere wijze is geoordeeld, ligt hieraan geen vaste gedragslijn ten grondslag. De door mij gehanteerde uitleg leidt tot optimale zekerheid dat de subsidie terechtkomt bij de degenen voor wie zij is bedoeld.

Een aanvraag kan ook worden afgewezen op een grond waaromtrent - in tegenstelling tot andere punten - geen nadere informatie is gevraagd. Ook uw laatste opmerking kan derhalve niet tot een herziening van de afwijzing leiden.

Besluit

Gezien het voorgaande verklaar ik het bezwaar ongegrond. Ik handhaaf mijn besluit tot afwijzing van uw subsidieaanvraag en de daarbij gegeven motivering."

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht heeft beslist dat appellant niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van de Uitvoeringsregeling, omdat de in het project voorziene PV-systemen niet bij appellant maar bij nog onbekende erfpachters worden getroffen. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

3.2. Vaststaat dat de in het project voorziene PV-systemen niet bij appellant worden getroffen maar bij nog onbekende erfpachters.

Uit de definitie van marktintroductieproject, neergelegd in artikel 1, sub i, van het Besluit, volgt dat de voorzieningen bij de aanvrager moeten worden getroffen. Blijkens bovenvermelde feiten kon appellant niet worden aangemerkt als aanvrager.

Het betoog van appellant dat de toekomstige erfpachters als (mede)aanvragers moeten worden aangemerkt, faalt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid en artikel 1, onder i, van het Besluit heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvrager bij wie de voorzieningen worden getroffen, op het moment van de aanvraag bekend dient te zijn. Aangezien de (-toekomstige-)erfpachters bij wie de voorzieningen zouden worden getroffen op het moment van de aanvraag onbekend waren, kunnen zij niet worden aangemerkt als (mede)aanvragers.

3.3. Appellant heeft voorts betoogd dat de afwijzing van zijn subsidieaanvraag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat verweerder in het verleden een aantal projecten heeft gesubsidieerd in het kader van eveneens op het Besluit gebaseerde energieprogramma’s, waarbij de partij bij wie de betreffende voorziening zou worden getroffen, ten tijde van de aanvraag evenmin bekend was.

Van de kant van verweerder is gesteld dat dit slechts in het kader van een tweetal andersoortige energieprogramma’s is gebeurd. Dit omdat bij de formulering van deze programma’s in de betreffende uitvoeringsregelingen te weinig rekening was gehouden met de definities in het Besluit, nu die bij uitvoering van de programma’s in een aantal gevallen te beperkt bleken. Om deze programma’s toch te kunnen uitvoeren is, in weerwil van het Besluit, in de periode 1998 tot en met 2000 een beperkt aantal projecten, waarbij de partij bij wie de voorziening zou worden getroffen nog onbekend was, gesubsidieerd. In alle overige op het Besluit gebaseerde energieprogramma’s, waaronder onderhavig programma, heeft verweerder zich altijd op het standpunt gesteld dat de aanvrager bij wie de voorzieningen worden getroffen op het moment van de aanvraag bekend dient te zijn, hetgeen ook regelmatig tot afwijzing van subsidieaanvragen heeft geleid, aldus verweerder.

Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de afwijzing van appellants aanvraag om subsidie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

3.4. Ten aanzien van het betoog van appellant ter zitting bij het College, dat verweerder ten onrechte geen subsidie heeft verleend voor de advieswerkzaamheden die met het project gemoeid zijn, overweegt het College als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat het geschil zich blijkens de onderhavige bezwaar- en beroepsprocedure, alsmede het bestreden besluit heeft toegespitst op het project als zodanig en niet op de daarmee gemoeide advieswerkzaamheden. In verband hiermee kan voormelde eerst ter zitting bij het College opgeworpen grief inzake advieswerkzaamheden geen doel treffen.

3.5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht en op goede gronden beslist dat appellant op grond van het Besluit en de Uitvoeringsregeling niet in aanmerking komt voor subsidie.

3.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004.

w.g. H.C. Cusell w.g. A. Venekamp