Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AR3457

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
07-10-2004
Zaaknummer
AWB 04/759
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet Personenvervoer 2000

- vergunning taxivervoer

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:83
Wet personenvervoer 2000 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

AWB 04/759 1 oktober 2004

14914

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, gevestigd te X, alsmede haar vennoten B en C, beiden wonend te X, verzoekers,

gemachtigde: mr. L. Bezoen, verbonden aan Damsté advocaten, vestiging Enschede,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

1. De procedure

Op 23 juni 2004 heeft het College van verzoekers een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 4 juni 2004 van verweerder. Bij dat besluit is ongegrond verklaard het bezwaar van verzoekers tegen het besluit van 5 maart 2004 van verweerder, waarbij de aan A verleende vergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet personenvervoer 2000 is ingetrokken.

Het beroep van verzoekers is geregistreerd onder nummer 04/545 en is nog aanhangig.

Bij brief gedateerd 10 september 2004, op 15 september 2004 ontvangen ter griffie van het College, hebben verzoekers zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek "te bepalen dat met terugwerkende kracht alsnog schorsende werking wordt toegekend aan het beroepschrift, althans een zodanige voorziening te treffen dat de continuïteit van A wordt gewaarborgd en A in de persoon van C alsnog kan voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en daarmee de vergunning kan worden veiliggesteld".

Bij brief van 17 september 2004 heeft verweerder een reactie op het verzoek ingezonden.

2. De beoordeling van het verzoek

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbbo) kan, indien tegen een besluit beroep bij het College is ingesteld, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.

2.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in zijn besluit van 4 juni 2004 heeft bepaald dat de intrekking van de aan A verleende taxivergunning van kracht wordt op 1 september 2004. Verzoekers is derhalve een overgangstermijn van bijna drie maanden gegund om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie per 1 september 2004 en desgewenst rechtsmaatregelen te treffen.

Verzoekers hebben op 23 juni 2004, derhalve binnen drie weken na 4 juni 2004, beroep ingesteld tegen het besluit van 4 juni 2004. Zij hebben niet gevraagd om versnelde behandeling van dit beroep. Niet valt in te zien waarom verzoekers op 23 juni 2004 niet tevens een verzoek om voorlopige voorziening konden indienen, althans op een zodanig tijdstip dat zij redelijkerwijs mochten verwachten dat de voorzieningenrechter voor 1 september 2004 uitspraak zou doen op dat verzoek.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 15 september 2004 ingekomen ter griffie van het College, dat is bijna drieëneenhalve maand na het nemen van het besluit waarop het betrekking heeft en twee weken nadat de intrekking van de vergunning van kracht is geworden.

Gezien de wijze waarop verzoekers hebben geprocedeerd, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet (meer) worden staande gehouden dat sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek is dermate ontijdig ingediend - terwijl is gesteld noch gebleken dat hieraan verontschuldigende omstandigheden ten grondslag liggen - dat het reeds om die reden niet voor toewijzing vatbaar is.

Dat blijkens een faxbericht van 28 september 2004 van verzoekers inmiddels een controle door de inspectie heeft plaatsgevonden, bevestigt slechts dat niet langer taxivervoer mag worden verricht en vormt op zichzelf dan ook geen grond voor een ander oordeel.

2.3 Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.

In het verzoekschrift is gesteld dat C op 15 september 2004 een tweede en afsluitend examen aflegt (en inmiddels dus heeft afgelegd) om aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen. Indien dit examen met succes wordt afgelegd, zo begrijpt de voorzieningenrechter, is volgens verzoekers voldaan aan alle voorwaarden voor het mogen verrichten van taxivervoer.

De voorzieningenrechter wijst erop dat, ook indien inmiddels aan alle voorwaarden voor het mogen verrichten van taxivervoer zou zijn voldaan, dit nog niet betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden toegewezen. Het voldoen aan de eis van vakbekwaamheid was ten tijde van het nemen van het besluit van 4 juni 2004 nog een onzekere toekomstige gebeurtenis. Gelet hierop impliceert het alsnog gaan voldoen aan deze eis niet dat het intrekkingsbesluit onrechtmatig is en vormt deze omstandigheid voor de voorzieningenrechter geen aanleiding te verwachten dat het College in de hoofdzaak zal oordelen dat het besluit van 4 juni 2004 niet in stand kan blijven. Indien verzoekers menen dat inmiddels aan de eis van vakbekwaamheid is voldaan, kunnen zij bij verweerder een nieuwe aanvraag om een taxivergunning indienen.

Voorzover ook thans nog niet aan de eis van vakbekwaamheid is voldaan, wordt overwogen dat verzoekers genoegzaam bekend is dat dit een voorwaarde is voor het mogen (blijven) verrichten van taxivervoer. Het niet voldoen aan deze voorwaarde komt geheel voor risico van verzoekers, temeer nu verweerder verzoekers nog enige tijd heeft gegund om alsnog aan deze voorwaarde te voldoen.

2.3 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verzoek moet worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.

Toepassing gegeven hebbend aan artikel 8:83, derde lid, Awb juncto artikel 19, eerste lid, Wbbo wegens kennelijke ongegrondheid van het verzoek wordt beslist als volgt.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2004.

w.g. R.R. Winter w.g. B. van Velzen

Verzonden op: