Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AP4395

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
25-06-2004
Zaaknummer
AWB 03/63
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 24 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 november 2002.

Met laatstgenoemd besluit heeft verweerder, ter uitvoering van de tussen partijen gewezen uitspraak van het College van 13 februari 2002, Awb 00/911, opnieuw op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om terugbetaling van de anti-dumpingheffing, haar opgelegd bij uitnodiging tot betaling van 18 december 1997, besloten.

Op 30 januari 2003 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Op 28 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 3 december 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben bij deze gelegenheid hun standpunten nader uiteengezet. Appellante werd vertegenwoordigd door mr. E.H. Mennes en F.H.J. van der Wielen, kantoorgenoten van de gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door

drs. J.C.J. Salet, inspecteur belastingdienst Douane Zuid, kantoor Roosendaal.

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 234, geldigheid: 2004-05-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/63 28 mei 2004

23510

Uitspraak in de zaak van:

Transport Maatschappij Traffic B.V., te Moerdijk, appellante,

gemachtigde: mr. N.P.J. Ooyevaar, belastingadviseur te Amsterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. L.A.G. Meijer, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 24 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 november 2002.

Met laatstgenoemd besluit heeft verweerder, ter uitvoering van de tussen partijen gewezen uitspraak van het College van 13 februari 2002, Awb 00/911, opnieuw op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om terugbetaling van de anti-dumpingheffing, haar opgelegd bij uitnodiging tot betaling van 18 december 1997, besloten.

Op 30 januari 2003 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Op 28 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 3 december 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben bij deze gelegenheid hun standpunten nader uiteengezet. Appellante werd vertegenwoordigd door mr. E.H. Mennes en F.H.J. van der Wielen, kantoorgenoten van de gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door

drs. J.C.J. Salet, inspecteur belastingdienst Douane Zuid, kantoor Roosendaal.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 221

1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.

(…)

Artikel 236.

1. Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.

(…)

2. Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of rechten bij uitvoer wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.

(…)

Artikel 243.

1. Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen de beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan:

- Bij uitnodiging tot betaling van 18 december 1997 heeft de inspecteur Belastingdienst/Douane district Roosendaal (hierna: de inspecteur) mededeling aan appellante gedaan van verschuldigde anti-dumpingheffingen ten bedrage van fl.62.045,20 ( € 28154,88) met betrekking tot aangifte ten invoer met nummer

IM-4 0000 40666/00 97-00001959.

- Bij brief van 19 februari 1998 heeft appellante tegen deze uitnodiging tot betaling bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 18 mei 1998 heeft appellante de Inspecteur onder meer het volgende bericht:

" Mij is gebleken dat het bezwaarschrift, voor zover dit betrekking heeft op de uitnodiging tot betaling van 18 december 1997 met betrekking tot de aangifte IM-4 0000 40666/00 97-00001959 tardief is en derhalve niet ontvankelijk. Voor zover het bezwaarschrift betrekking heeft op laatstbedoelde uitnodiging tot betaling trek ik het bij deze in, maar ik wil bij deze tegelijkertijd een verzoek om teruggaaf doen op de voet van artikel 236 CDW. Het geheven bedrag aan antidumpingheffing was niet wettelijk verschuldigd om de hierna vermelde redenen.

Ik meen dat u als inspecteur op grond van artikel 22a, lid 2, AWR niet bevoegd bent om antidumpingheffingen op te leggen. Hiervoor is in de AWR immers de Minister van Economische Zaken aangewezen. Om deze reden verzoek ik u de uitnodiging tot betaling te vernietigen."

- Bij besluit van 12 april 2000, genomen namens de Minister van Economische Zaken en de Inspecteur, is dit verzoek om betaling afgewezen.

- Bij brief van 22 mei 2000 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Als gronden voor dit bezwaar heeft zij - voor zover hier van belang - aangevoerd dat gelet op artikel 22b van de Algemene wet rijksbelastingen de inspecteur van de Belastingdienst/Douanedistrict Roosendaal op 18 december 1997 niet bevoegd was een uitnodiging tot betaling te doen.

- Hierop heeft verweerder bij besluit van 9 oktober 2000 het bezwaar afgewezen stellende dat aan de inspecteurs wel degelijk mandaat verleend was en dat overigens de douane de bevoegdheid om anti-dumpingrechten op te leggen rechtstreeks ontleende aan Verordening (EG) nr. 2155/97.

- Appellante heeft tegen dit besluit bij het College beroep ingesteld waarbij zij aanvoerde, dat de uitnodiging tot betaling niet namens verweerder en derhalve onbevoegd was gedaan.

- Bij uitspraak van 13 februari 2002 heeft het College het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, overwegende dat voor beantwoording van de vraag naar de gegrondheid van appellantes bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek om terugbetaling niet beslissend is of de uitnodiging tot betaling bevoegd is gedaan. Van belang is op grond van artikel 236 CDW uitsluitend of het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling wettelijk verschuldigd was dan wel in strijd met artikel 220, lid 2, van het CDW, werd geboekt. Op basis van dit criterium diende verweerder opnieuw op het bezwaar te besluiten.

- Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- De Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam heeft op 1 oktober 2002 uitspraak gedaan met betrekking tot het tussen partijen bestaande geschil over de vraag of de partij schoeisel, waarover appellante de anti-dumpingheffing moet betalen, terecht is ingedeeld onder post 6404 19 90 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT). Zie Douanerechtspraak 2002, nr. 78. Het beroep is ongegrond verklaard. Bij arrest van 20 februari 2004, nr. 38907, heeft de Hoge Raad deze uitspraak echter vernietigd en het Gerechtshof onbevoegd verklaard van dit geschil kennis te nemen..

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder samengevat het volgende overwogen.

Tot terugbetaling van rechten moet worden overgegaan als óf het bedrag op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was óf het bedrag in strijd met artikel 220 werd geboekt.

Wat het eerste criterium betreft legt verweerder dit aldus uit, dat er op het moment van heffing een wettelijke grondslag voor de heffing moet bestaan. Hij vindt die grondslag in Verordening (EG) nr. 2155/97 van de Raad en stelt vast dat de douaneschuld ingevolge artikel 201 van het CDW ontstaat bij invoer op het moment dat de douaneaangifte wordt aanvaard. De aangifte ten invoer is op 18 december 1997 aanvaard. Op dit moment was er een anti-dumpingrecht van toepassing op schoeisel als hier aan de orde. Derhalve was het bedrag van de rechten op 18 december 1997 wettelijk verschuldigd.

Wat het tweede criterium betreft constateert verweerder dat hier geen sprake is van een boeking achteraf, zodat ook daaraan niet wordt voldaan.

De vraag of de Inspecteur bevoegd was om een uitnodiging tot betaling aan appellante te richten is voor de toetsing aan artikel 236 CDW niet van belang.

Een en ander leidt verweerder tot de conclusie, dat het bezwaar ongegrond is.

4. Het standpunt van appellante

Appellante is van mening dat een bedrag aan rechten pas verschuldigd is in de zin van artikel 236 CDW nadat in de zin van artikel 221 CDW het bedrag van de rechten op een daartoe geëigende wijze is medegedeeld aan de schuldenaar.

Heeft bijvoorbeeld een mededeling plaatsgevonden aan de verkeerde persoon dan kan op grond van artikel 236 CDW worden terugbetaald.

Hetzelfde geldt als niet op geëigende wijze is medegedeeld, hetgeen zich hier voordoet nu niet door een bevoegde instantie is medegedeeld.

Appellante verwijst hierbij naar jurisprudentie van het College, waarin is vastgesteld dat een onbevoegd gedane uitnodiging tot betaling na ommekomst van de periode van drie jaren, genoemd in artikel 221, derde lid, CDW niet meer door een beslissing van het bevoegde orgaan alsnog rechtskracht kan verkrijgen.

Haar conclusie is dan ook dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, omdat verweerder, toetsend aan artikel 236 CDW, had moeten vaststellen dat de onderhavige rechten niet wettelijk verschuldigd waren.

5. De beoordeling van het geschil

In hoofdstuk 5 van Titel VII van het CDW wordt een aantal gronden opgesomd op basis waarvan terugbetaling of kwijtschelding van rechten kan plaatsvinden. In dit geding draait het om de vraag of een bevoegdheidsgebrek naar nationaal recht daaronder valt en meer in het bijzonder of een dergelijk gebrek kan leiden tot de conclusie dat het bedrag van de rechten in de zin van artikel 236 CDW op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was.

Ter toelichting op deze vraagstelling overweegt het College als volgt.

Titel VIII van het CDW heeft betrekking op het beroep en kent een ieder het recht toe bezwaar en vervolgens beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten.

De bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure worden, aldus artikel 245 CDW vastgesteld door de Lid-Staten

De betrokken Nederlandse bepalingen zijn te vinden in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Algemene wet bestuursrecht.. Deze wetten stellen bezwaar en beroep open tegen besluiten. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling; het begrip valt –voorzover hier van belang – samen met het begrip beschikking als gedefinieerd in artikel 4 punt 5 van het CDW.

In beginsel moet bezwaar gemaakt worden of beroep worden ingesteld binnen zes weken nadat besluiten zijn bekend gemaakt. Wordt binnen die tijd geen beroep ingesteld dan krijgen besluiten formele rechtskracht en kunnen ze in beginsel niet meer in rechte worden aangetast.

Het College gaat ervan uit dat het Europese recht zich tegen zodanige bepalingen inzake de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure niet verzet.

Naar uit het voorgaande volgt is een uitnodiging tot betaling een besluit, namelijk een beslissing die een publiekrechtelijke betalingsverplichting in het leven roept. Derhalve kan daartegen bezwaar en beroep worden ingesteld binnen zes weken na de bekendmaking ervan aan de belanghebbende.

Aldus bestaan voor degene die een uitnodiging tot betaling ontvangt, waarmee hij zich niet kan verenigen, twee mogelijkheden om deze aan te vechten. Hij kan daartegen rechtstreeks bezwaar en vervolgens beroep in stellen of hij kan eerst een verzoek doen om terugbetaling of kwijtschelding in de zin van hoofdstuk 5 van Titel VII en dan vervolgens bezwaar en daarna beroep instellen tegen de beslissing op dat verzoek, die immers wederom als (voor beroep vatbaar) besluit moet worden aangemerkt.

In beide bezwaar- en beroepsprocedures kan dezelfde rechtsvraag aan de orde gesteld worden.

Met de rechtspraak in douanezaken zijn en waren in Nederland verschillende rechterlijke colleges belast. In de jurisprudentie van een daarvan, de inmiddels niet meer bestaande Tariefcommissie (thans: Douanekamer van het Hof te Amsterdam), werd er - kort gezegd -van uitgegaan dat iedere grond die in bezwaar en beroep kan worden aangevoerd, ook de grondslag kan vormen voor een verzoek om kwijtschelding of terugbetaling omdat een dergelijke grond zo niet in enig ander artikel genoemd, altijd kan worden gebracht onder de in artikel 236 vermelde clausule dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was.

Het College is er in zijn eerder genoemde uitspraak van 13 februari 2002 echter van uitgegaan, dat de vraag of sprake is van wettelijke verschuldigdheid in de zin van artikel 236 beantwoord zou moeten worden aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk 2 van Titel VII van het CDW. Daar wordt immers geregeld hoe en wanneer een douaneschuld ontstaat. Het College leest in Titel V111 van het CDW, ?Recht op beroep?, derhalve niet een recht op een communautaire beroepsgang met uitsluiting van het nationale procesrecht. Dit betekent dat het bepaalde in hoofdstuk 3 van titel VII, getiteld Invordering van het bedrag van de douaneschuld en daarmee dus ook afdeling 1 van dat hoofdstuk, getiteld Boeking en mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar, voor beantwoording van de vraag of sprake is van wettelijke verschuldigdheid in de zin van artikel 236 CDW niet terzake doet.

Die benadering leidt het College tot de conclusie dat een bevoegdheidsgebrek in een uitnodiging tot betaling slechts in een bezwaar- of beroepsprocedure kan worden aangevoerd maar geen grond kan vormen om daarbuiten positief op een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding te beslissen.

Nu twee in Nederland als hoogste rechter functionerende rechterlijke colleges op dit punt tot een verschillende zienswijze gekomen zijn en ook in de Nederlandse rechtswetenschappelijke literatuur afwijkende zienswijzen verdedigd worden (zie bijv. mr. E.N. Punt en mr. D.G. van Vliet., Douanerechten, Deventer, 2000, p. 391 e.v.) moet het College tot de conclusie komen dat beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag niet boven redelijke twijfel verheven is.

Het College stelt vervolgens vast dat het tussen partijen bestaande verschil van inzicht niet van praktisch belang ontbloot is nu naar het oordeel van het College de Inspecteur op de in dit geding van belang zijnde datum van 18 december 1997 niet bevoegd was om namens verweerder een uitnodiging tot betaling vast te stellen. Zoals in de uitspraak van het College van 14 augustus 2002, Awb 00/53 t/m 00/58, gepubliceerd in AB 2002, 432, is uiteengezet is bij Besluit van 4 maart 1996 (Stb. 1996, 167) in verband met de inwerkingtreding van de Douanewet per 1 juni 1996 het Besluit anti-dumpingheffingen 1982 ingetrokken. De daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling anti-dumpingheffingen 1982 is derhalve met ingang van dezelfde datum vervallen. Artikel 10 van de genoemde regeling luidde:

"De heffing wordt opgelegd door de rijksbelastingdienst."

Bij besluit van 13 januari 2000 (Stcrt. 2000, 11) heeft verweerder, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën, aan inspecteurs mandaat verleend om - kort gezegd - namens hem uitnodigingen tot betaling terzake van antidumping-heffingen op te leggen. Dit besluit trad in werking met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998. Reeds gelet op deze datum heeft dit besluit voor het onderhavige geval geen betekenis.

Niet in geschil is dat het tegen het besluit van 18 december 1997 gemaakte bezwaar niet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken is ingediend en vervolgens voordat verweerder daarop een beslissing genomen had, door appellante is ingetrokken. Uitsluitend naar Nederlands recht beoordeeld zou dientengevolge geconstateerd moeten worden dat tegen de uitnodiging tot betaling geen rechtsmiddel meer kan worden aangewend, zodat de onbevoegdheid van de Inspecteur om haar namens de Minister vast te stellen er in beginsel niet meer toe zou kunnen leiden dat de uitnodiging tot betaling bij rechterlijke uitspraak vernietigd zou worden.

Bij nadere bestudering van het nu voorliggende geschil heeft het College geconstateerd dat de beantwoording van deze vraag niet boven redelijke twijfel verheven is.

Naar het oordeel van het College is het gelet op het voorgaande noodzakelijk dat het Hof van Justitie zich bij wege van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 EG uitspreekt over de betekenis van artikel 236 CDW.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het College:

- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak

te doen over de volgende vraag:

moet het begrip "wettelijk verschuldigd" in artikel 236 CDW aldus worden uitgelegd dat daarmee uitsluitend gedoeld wordt op de vraag of aan de ontstaansvoorwaarden van een douaneschuld, als neergelegd in hoofdstuk 2 van Titel VII CDW, is voldaan of is slechts sprake van wettelijke verschuldigdheid als geen grond, ook niet uit de geldende nationale bepalingen als bedoeld in punt 23 van artikel 4 van het CDW, kan worden aangewezen, waarop de mededeling dat rechten verschuldigd zijn, kan worden aangetast.

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. W.E. Doolaard en mr. F.H.M. Possen,

in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2004.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens